Émile Loubet

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Émile Loubet, door Fernand-Anne Piestre

Émile François Loubet (Marsanne, 30 december[1] 1838 - Montélimar, 20 december 1929) was een Frans politicus en president van de Franse Republiek.

Achtergrond en opleiding[bewerken]

Émile Loubet was de zoon van een hereboer die tevens burgemeester van Marsanne (Drôme) was. Hij studeerde rechten in Parijs en promoveerde in 1863. In 1863 was hij getuige van de grote verkiezingsoverwinning van de Republikeinse partij in Parijs en sloot zich daarna bij hen aan.

Loubet oefende daarna het beroep van advocaat uit in Montélimar. In 1869 trouwde hij met Marie Louise Picard. Later erfde hij een kleine landerij in Grignan.

Politieke carrière[bewerken]

In 1870, het jaar van de val van het Tweede Keizerrijk, werd Loubet tot burgemeester van Montélimar gekozen. In 1876 werd hij voor het kiesdistrict Montélimar in de Franse Nationale Vergadering gekozen. Op 18 juni 1877 was hij één van de 363 afgevaardigden ("Linkse Blok") die een motie van wantrouwen indienden tegen premier Albert, hertog de Broglie. President Mac-Mahon schreef daarop nieuwe verkiezingen uit. In de tussentijd legde de president de leden van het "Linkse Blok" sancties op. Loubet verloor tijdelijk zijn burgemeesterschap van Montélimar.

In oktober 1877, bij de verkiezingen, behaalden de linkse republikeinen een grote overwinning en Loubet werd met een groot aantal stemmen in de Nationale Vergadering gekozen - de kiezers in zijn kiesdistrict waren verbolgen over het feit dat hij van zijn burgemeestersamt was ontheven. De sancties van president Mac-Mahon werden opgeheven en Loubet werd weer burgemeester.

In de Nationale Vergadering hield Loubet zich vooral bezig onderwijs. Hij bestreed het klerikale onderwijs en was een voorstander van het invoeren van gratis en seculier onderwijs. Hij volgde hierin de lijn van Léon Gambetta en Jules Ferry. In 1880 werd hij president van de regionale raad van Drôme.

Émile Loubet steunde koloniale politiek van premier Jules Ferry (1880-1881; 1883-1885). Hierdoor groeide Loubet's aanzien binnen de Linkse Republikeinse Partij (Gauche Républicaine), die een patriottische koers voorstond.

Premier[bewerken]

Op 12 december 1887 werd Loubet minister van Openbare Werken in het kabinet-Tirard. In 1892 vroeg president Sadi Carnot, een persoonlijk vriend van Loubet, hem een kabinet te vormen. Dit kabinet trad op 27 februari 1892 aan. Naast het premierschap, nam Loubet ook het ministerschap van Binnenlandse Zaken onder zijn hoede.

Als premier kreeg Loubet te kampen met de anarchisten die in 1892 veel aanslagen pleegden, maar ook met een grote staking in Carmaux. Tijdens deze staking trad Loubet op als scheidsrechter en wist te staking op vreedzame wijze op te lossen. Zijn tegenstander verweten hem de staking ten gunste van de stakende arbeiders te hebben opgelost.

Op 28 november 1892 diende Loubet zijn ontslag in omdat het hem niet lukte vragen in de parlement over het schandaal met betrekking tot het Panamakanaal bevredigend te beantwoorden. Hij bleef demissionair premier tot 6 december 1892.

In het daaropvolgende kortstondige kabinet-Ribot I (6 december 1892-10 januari 1893) was Loubet minister van Binnenlandse Zaken. In het kabinet-Ribot II (januari-maart 1893) keerde Loubet niet terug.

President van de republiek[bewerken]

In 1896 werd Émile Loubet tot voorzitter van de Senaat gekozen. Op 16 februari 1899 overleed president Félix Faure. Zijn doodsoorzaak riep veel vragen op. Faure overleed in een cruciale fase van de Dreyfusaffaire. Op 18 februari werd Loubet met 483 tegen 279 stemmen (zijn enige serieuze tegenkandidaat was Jules Méline) tot president van de republiek gekozen.

Tijdens de begrafenis van Félix Faure op 23 februari 1899 trachtte Paul Déroulède een staatsgreep te plegen. Déroulède ging naar generaal Roget die met zijn troepen op weg was naar de kazernes om hem te helpen, maar Roget weigerde.

Afhandeling van de Dreyfusaffaire[bewerken]

Officieel portret van Émile Loubet

Eén van de eerste zaken die de nieuwe president wilde was een oplossing van de Dreyfusaffaire. Hij wilde een heropening van de zaak en benoemde daarom in juni 1899 René Waldeck-Rousseau, een advocaat, tot minister-president. Waldeck-Rousseau kreeg als hoogste prioriteit het afhandelen van de Dreyfusaffaire. Zes weken na de vorming van zijn regering, op 8 augustus, stond Alfred Dreyfus voor de tweede maal terecht[2]. Op 9 september 1899 werd Dreyfus met 5 tegen 2 stemmen opnieuw schuldig bevonden, maar slechts bestraft met de vijf jaar die hij al had uitgezeten. Hiermee achtten de president, minister-president Waldeck-Rousseau en minister van Oorlog Gallifet de zaak afgedaan. Pas zeven jaar later, op 13 juli 1906, vijf maanden na het aftreden van Loubet en ruim twaalf jaar nadat Dreyfus voor de eerste maal terecht stond volgde zijn rehabilitatie - en die van kolonel Picquart, de man die erachter was gekomen dat niet Dreyfus een spion was, maar een andere officier.

Rond de eeuwwisseling begonnen steeds meer politici aan te dringen op een volledige scheiding van kerk en staat. Deze kwestie speelde al decennia maar er waren nooit stappen ondernomen voor de realisering ervan. De kabinetten-Waldeck-Rousseau en Combes zetten zich in voor laïcisering van de samenleving - met name het laatste kabinet. In april 1905 riep de Franse regering haar ambassadeur terug uit het Vaticaan en in juli 1905 werd de scheiding van kerk en staat doorgevoerd.

President Loubet opende de wereldtentoonstelling van 1900 in Parijs. Hij ontving tsaar Nicolaas II van Rusland in Parijs en bracht in 1902 een tegenbezoek in Moskou. Hij zag het als zijn taak de Russisch-Franse Alliantie verder uit te bouwen. In 1904 ontving hij koning Eduard VII. Met Groot-Brittannië werden vriendschapsverdragen gesloten en uiteindelijk traden Frankrijk, Groot-Brittannië en Rusland toe tot de Entente Cordiale dat de Russisch-Franse Alliantie verving.

In 1905 ontving Loubet koning Alfons XIII van Spanje. Op 31 mei woonden beiden een galavoorstelling bij in de Opéra Garnier. Toen ze na afloop van de voorstelling 's nachts (het was inmiddels 1 juni) per koets naar het Palais d'Orsay reden, gooiden anarchisten een bom naar de stoet. Deze rolde onder de koets, maar kwam niet tot ontploffing.[3]

Op 18 februari 1906 trad Loubet af. Hij werd opgevolgd door Armand Fallières. Loubet trok zich daarna terug uit de politiek. Hij overleed 23 jaar later, tien dagen voor zijn 91ste verjaardag.

Zie ook[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • Avent, Le président É. Loubet et ses prédécesseurs (1905);
  • A. Combarieu, Sept ans à l'Élyssée avec le président Loubet (1932).
Bronnen
  1. [volgens andere bronnen: 31 december 1838]
  2. [Geschiedenis van de Eerste Wereldoorlog in foto's en documenten (Hans Dollinger en G.B.J. Hiltermann), deel 2, blz. 15 en 16]
  3. Bomb for Loubet and King Alfonso New York Times 1 juni 1905 pagina 1
Voorganger:
Charles de Freycinet
Premier van Frankrijk
Kabinet-Loubet
1892
Opvolger:
Alexandre Ribot
Voorganger:
Félix Faure
President van Frankrijk
1899-1906
Opvolger:
Armand Fallières
Voorganger:
Félix Faure
'Co-prins van Andorra'
Franse staatshoofden
1899 - 1906
Opvolger:
Armand Fallières