'Abdu'l-Bahá

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Abdu'l-Bahá

'Abdu'l-Bahá 'Abbás Effendí (23 mei 1844 - 28 november 1921) beter bekend als 'Abdu'l-Bahá, was de zoon van Bahá'u'lláh, profeet en de stichter van het bahá'í-geloof. 'Abdu'l-Bahá werd benoemd door zijn vader, om het centrum van het Verbond, enige uitlegger van de bahá'í-geschriften en het voorbeeld van bahá'í-leven te zijn.

Zijn reizen naar het Westen, en zijn Tafelen van het Goddelijke Plan verspreidden de bahá'í-boodschap voorbij zijn Perzische wortels en zijn Wil en Testament legden de fundamenten voor de huidige bahá'í-bestuurstelsel.

'Abdu'l-Bahá's eigen naam was 'Abbás Effendí, maar hij gaf de voorkeur aan de titel 'Abdu'l-Bahá (dienaar van de glorie van God). Hij wordt in bahá'í-teksten vaak aangeduid als de "Meester".

Achtergrond[bewerken]

Bahá'í-geloof
Bahai ster

Centrale figuren

Bahá'u'lláh
De Báb · 'Abdu'l-Bahá

Belangrijkste teksten
Kitáb-i-Aqdas · Kitáb-i-Íqán

De Verborgen Woorden
De Zeven Valleien

Instituten

Bestuur
Het Behoederschap
Universele Huis van Gerechtigheid
Geestelijke Raden

Geschiedenis

Bahá'í-geschiedenis · Tijdlijn
Bábisme · Shaykh Ahmad
Bahá'í-geloof in Nederland

Bekende individuën

Shoghi Effendi
Rúhíyyih Khanum · Táhirih
Badí' · Apostelen
Handen van de Zaak

Zie ook

Geschriften · Leringen
Wetten · Gebed
Huis van Aanbidding
Kalender · Pelgrimsreis
Symbolen · Profetieën
Index van Bahá'í-artikelen

Vroege leven[bewerken]

'Abdu'l-Bahá werd geboren in Teheran, Perzië op 23 mei 1844 (5 Jamadiyu'l-Avval, 1260 AH), als oudste zoon van Bahá'u'lláh en Navváb. Hij werd geboren op precies dezelfde avond waarop de Báb zijn missie verklaarde. Een gebeurtenis die 'Abdu'l-Bahá sterk sterk trof tijdens zijn jeugd was de gevangenneming van zijn vader toen 'Abdu'l-Bahá negen jaar oud was. De opsluiting was er de oorzaak van dat zijn familie werd teruggebracht tot armoede en dat hij werd aangevallen op straat door andere kinderen.

Jaren in ballingschap met zijn vader[bewerken]

Bahá'u'lláh werd uiteindelijk vrijgelaten uit de gevangenis, maar werd verbannen. `Abdu'l-Bahá vergezelde zijn vader op de reis naar Bagdad in de winter van 1853. Tijdens de reis leed 'Abdu'l-Bahá aan bevriezingsverschijnselen. Toen Bahá'u'lláh in 1854 zich terugtrok in de bergen van Sulaimaniya, was 'Abdu'l-Bahá niet meer dan tien jaar oud en bedroefd over zijn scheiding van zijn vader. Tijdens zijn jaren in Bagdad bracht 'Abdu'l-Bahá veel tijd door met het lezen van de geschriften van de Báb, schreef commentaren op verzen uit de Koran en sprak met geleerden in de stad. In 1856, toen het nieuws van een personage in de bergen van Koerdistan binnenkwam, vertrok 'Abdu'l-Bahá samen met enkele familieleden en vrienden om Bahá'u'lláh te vragen terug te keren naar Bagdad.

In 1863 werd Bahá'u'lláh verbannen naar Constantinopel (Istanboel) en dus vergezelde zijn hele familie inclusief `Abdu'l-Bahá, toen negentien, hem op deze 110-dagen durende reis. 'Abdu'l-Baha volgde zijn vader tijdens de verdere verbanning naar Adrianopel (Edirne) en ten slotte Akká, Palestina (nu Akko, Israël). Gedurende deze tijd nam hij in toenemende mate een leidende rol aan.

Bij aankomst in Akko, als gevolg van de onhygiënische toestand in de citadel, werden veel bahá'ís ziek en `Abdu'l-Bahá verzorgde de zieken. Bovendien was de inwoners van Akko verteld dat de nieuwe gevangenen vijanden van de staat, van God en zijn religie waren en dat samenwerking met hen ten strengste verboden was. De bahá'ís werden dus geconfronteerd met vijandige ambtenaren en inwoners en `Abdu'l-Bahá schermde zijn vader van een groot deel van deze aanvallen af. Na verloop van tijd, nam hij geleidelijk de verantwoordelijkheid voor de relaties tussen de kleine bahá'í-gemeenschap in ballingschap en de buitenwereld. Het was door zijn interactie met de bevolking van Akko dat, volgens de bahá'ís, zij de onschuld van de bahá'ís erkenden en de maatregelen omtrent de gevangenschap werden versoepeld. Uiteindelijk mocht Bahá'u'lláh de stad verlaten en nabijgelegen plaatsen bezoeken.

Familieleven[bewerken]

`Abdu'l-Bahá trouwde met Munirih Khánum (1848-1939) in maart 1873 en ze hadden negen kinderen, van wie er vijf als kind stierven. Munirih was de dochter van Mírzá Muhammad `Alí Nahrí van Isfahán, die enkele jaren voor het huwelijk stierf. Enkele jaren na het overlijden van haar vader hadden Bahá'u'lláh en Asiyih Khanum belangstelling getoond haar te laten trouwen met 'Abdu'l-Baha. Na een lange reis vanuit Iran via Mekka en vervolgens naar Akko kwam Munirih Khanum eindelijk aan. Zij trouwden in het huis van 'Abbud. Zij was vijfentwintig jaar oud, hij was achtentwintig.

De oudste dochter Díyá'íyyih Khánum werd de moeder van 'Abdu'l-Bahá's erfgenaam, zijn oudste kleinzoon Shoghi Effendi. De andere drie dochters waren Tuba Khanum, Ruha Khanum en Munavvar Khanum.

Reizen naar het Westen[bewerken]

`Abdu'l-Bahá, tijdens zijn reis naar de Verenigde Staten

De staatsgreep van de Jong-Turken in 1908 zorgde ervoor dat alle politieke gevangenen in het Ottomaanse Rijk, inclusief `Abdu'l-Bahá, bevrijd werden. Het eerste dat hij deed na zijn bevrijding was het bezoeken van de graftombe van Bahá'u'lláh in Bahjí. Hoewel `Abdu'l-Bahá direct na de revolutie in Akko bleef wonen, verhuisde hij al snel naar Haifa in de buurt van de graftombe van de Báb. In 1910 begon hij aan een drie jaar durende reis naar Egypte, Europa en Noord-Amerika met het doel zijn vaders leringen te verspreiden en de bahá'í-gemeenschappen in het westen te ondersteunen.

Van augustus tot december 1911 bezocht `Abdu'l-Bahá steden in Europa, waaronder Londen, Bristol en Parijs.

In het jaar daarop maakt hij een veel uitgebreidere reis naar de Verenigde Staten en Canada. Hij arriveerde in New York City op 11 april 1912, nadat hij een aanbod met de RMS Titanic te reizen had afgeslagen en de bahá'í-gelovigen had verteld in plaats daarvan te "doneren aan liefdadigheid." Hij reisde in een langzamer schip, de SS Cédric, en gaf zijn voorkeur van een langere reis over zee aan als de reden. Bij aankomst in New York, regelde hij een privé-ontmoeting met de overlevenden van de gezonken Titanic, die hem vroegen of hij wist dat de Titanic zou zinken, waaraop 'Abdu'l-Baha antwoordde: "God geeft de mens gevoelens van intuïtie". Hoewel hij de meeste tijd in New York spendeerde, bezocht hij Chicago, Cleveland, Pittsburgh, Washington D.C., Boston, Philadelphia, New Hampshire, de Green Acre school in Maine, en Montreal (zijn enige bezoek aan Canada). Vervolgens reisde hij westwaarts naar Minneapolis, San Francisco, Stanford en Los Angeles voordat hij begon met de terugreis naar het oosten eind oktober. Op 5 december 1912 voer hij terug naar Europa.

Terug in Europa bezocht hij in Londen, Parijs (waar hij twee maanden verbleef), Stuttgart, Boedapest en Wenen. Ten slotte keerde hij op 12 juni 1913 terug naar Egypte, waar hij verbleef voor een periode van zes maanden voordat hij terugkeerde naar Haifa.

Laatste jaren[bewerken]

Begrafenis van 'Abdu'l-Bahá op de Berg Karmel in 1921

Tijdens de Eerste Wereldoorlog verbleef `Abdu'l-Bahá in Palestina, onder de voortdurende dreiging van geallieerde bombardementen en bedreigingen van de Turkse commandant. Toen de oorlog eindigde, bracht het Britse mandaat over Palestina relatieve veiligheid voor `Abdu'l-Bahá. Tijdens zijn laatste jaar kwam een groeiend aantal bezoekers en pelgrims om hem te zien in Haifa.

Op 27 april 1920 kreeg hij een ridderschap (KBE van het Britse Mandaat van Palestina voor zijn inspanningen op humanitair gebied tijdens de oorlog. 'Abdu'l-Bahá overleed op 28 november 1921. Hij is begraven in de voorkamer van de graftombe van de Báb op de berg Karmel. Er zijn plannen om een aparte graftombe voor `Abdu'l-Bahá te bouwen. In zijn testament benoemde hij zijn kleinzoon Shoghi Effendi Rabbani als de behoeder van het Bahá'í-geloof.

Werken[bewerken]

De totale schatting van het aantal brieven dat `Abdu'l-Bahá schreef is meer dan 27.000, waarvan slechts een fractie is vertaald naar het Engels dan wel Nederlands.

Het volgende is een lijst van enkele van de vele boeken, brieven en toespraken:

Bronnen, noten en/of referenties