A solis ortus cardine

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
A solis ortus cardine, in een bundel uit de 16e eeuw

A solis ortus cardine is een hymne die in de Rooms-katholieke kerk wordt gebruikt in de Lauden tijdens de Kersttijd.

De hymne werd opgesteld in de 5e eeuw door Coelius Sedulius, en omvatte oorspronkelijk een drieëntwintig, die met een oplopende alfabetische beginletter aanvingen. De eerste zeven (A t/m G) daarvan worden in de katholieke liturgie gebruikt; een aantal andere kwatrijnen uit deze hymne worden onder de naam: Hostis Herodes impie gezongen tijdens de epifanie.

In 1632 werden in de tekst enkele kleine wijzigingen aangebracht door Paus Urbanus VIII.

Latijn Nederlands (globale vertaling)

A solis ortus cardine
adusque terrae limitem
Christum canamus Principem,
natum Maria Virgine.

Beatus auctor saeculi
servile corpus induit,
ut carne carnem liberans
non perderet quod condidit.

Clausae parentis viscera
caelestis intrat gratia;
venter puellae baiulat
secreta quae non noverat.

Domus pudici pectoris
templum repente fit Dei;
intacta nesciens virum
verbo concepit Filium.

Enixa est puerpera
quem Gabriel praedixerat,
quem matris alvo gestiens
clausus Ioannes senserat.

Feno iacere pertulit,
praesepe non abhorruit,
parvoque lacte pastus est5
per quem nec ales esurit.

Gaudet chorus caelestium
et Angeli canunt Deum,
palamque fit pastoribus
Pastor, Creator omnium.

Iesu, tibi sit gloria,
qui natus es de Virgine,
cum Patre et almo Spiritu,
in sempiterna saecula. Amen.

Van daar waar de zon opgaat
tot de verste landstreken
zingt men ter ere van de Koning Christus
welke geboren is uit de Maagd Maria

Hij die alles heeft geschapen
nam de gedaante van een knecht aan.
Hij is vlees geworden om het vlees te bevrijden
zodat hetgeen Hij had gemaakt niet verloren zou gaan.

In de schoot van de kuise moeder
trad de hemelse genade binnen
en zij, tot dan toe onbekend,
mocht zich de moeder van dit kind noemen

Het huis van de bescheiden vrouw
werd een tempel waar God huisde.
De zuivere en pure maagd
ontving in haar schoot de Zoon.

Zij baarde de koninklijke Zoon
zoals Gabriël het reeds had verteld,
en waarvan ook
Johannes de Doper naar verwezen had.

Hij werd geboren in het stro
en had geen afschuw van de voederbak.
Hij kreeg een beetje melk te drinken,
Hij, die zelfs geen vogel liet verhongeren.

Een hemels koor vervulde de hemelen
De engelen zongen tot God in den hoge
Aldus verkondigden ze aan de herders
dat de Herder, schepper van het heelal, was geboren.

Alle eer en glorie zij,aan U, Jezus,
die uit een maagd geboren is,
en aan de Vader en de Heilige Geest
tot in alle eeuwigheid. Amen.

Verdere invloed[bewerken]

Eén van de berijmde vertalingen is afkomstig van Maarten Luther, en hierop is de cantate Christum wir sollen loben schon (BWV 121) van Johann Sebastian Bach gebaseerd.

Ook eerder werd de Latijnse versie door musici bewerkt, onder meer door Gilles Binchois en Giovanni Pierluigi da Palestrina