Aandelenlease-affaire

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De aandelenlease-affaire ontstond rond 2001 toen aandelenlease contracten na de beurscrash voor veel deelnemers in plaats van winst een enorme restschuld opleverden. In Nederland zijn een paar honderdduizend van deze contracten verkocht, in België aanzienlijk minder. Op het hoogtepunt van de markt stonden ongeveer 700.000 aandelenleasecontracten uit met een totale waarde van circa 6,5 miljard euro. In Nederland werden de meeste contracten verkocht door Legio Lease, een dochterbedrijf van bank Labouchere. Bank Labouchere werd in augustus 2000 door Aegon verkocht aan Dexia.

Aandelenlease is een beleggingsconstructie waarmee beleggers naast hun eigen inleg met een deel geleend geld beleggen. Ten tijde van de beurs-hausse rond 2000 werden er veel aandelenlease constructies aangeboden onder wervende namen als vermogensversneller, korting kado, winstverdriedubbelaar, sprintplan etc. Deze constructies werden via telefonische verkoop verkocht, vaak zonder duidelijk te vermelden dat aandelen werden geleased. Toen een jaar later de beurs instortte, kwamen veel leasebeleggers daardoor onverwacht met een restschuld te zitten. De meeste contracten met namen als Winstverdriedubbelaar werden verkocht door Bank Labouchere dochter Legio Lease. Aegon was als eigenaar verantwoordelijk maar wist de imagoschade redelijk te beperken door Labouchere tijdig aan Dexia te verkopen. Niet alleen Aegon maar ook de DSB Groep, Fortis, ABN AMRO en Nationale Nederlanden verkochten aandelenleasecontracten.

In 1999, 2000 en 2001 constateerde de Autoriteit Financiële Markten (AFM) dat de reclame-uitingen van diverse aanbieders niet voldeden aan de regels. Zo werd onvoldoende duidelijk gemaakt dat met geleend geld belegd werd en werden wijzigingen in de belastingwetgeving verzwegen.

In 2003 stelde de AFM bij meerdere aanbieders overtredingen van wettelijke bepalingen vast, onder meer bij informatieverstrekking en reclame-uitingen aan de belegger, cold calling (zonder aanleiding ongevraagde telefonische verkoop) en inwinning van cliëntinformatie. Ook rekende men volgens het rapport met te hoge rendementen. Met betrekking tot naleving van de zorgplicht stelde de AFM als algemene conclusie dat "in het merendeel van de onderzochte gevallen aanbieders van aandelenleaseproducten één of meerdere aspecten van de zorgplicht niet, of onvoldoende hebben nageleefd”. De AFM legde Dexia Nederland bestuurlijke boetes op voor misleidende reclame-uitingen, hanteren van onjuiste aan- en verkoopkoersen van aandelen, 'cold calling' (zonder toestemming potentiële klanten telefonisch benaderen) en het ernstig tekortschieten bij zorgplicht.

Door de hefboom in de contracten en het ontbreken van een beschermingsconstructie leverden een paar honderdduizend contracten na daling van de beurskoersen na afloop geen geld maar een aanzienlijke schuld op. Velen voelden zich opgelicht en misleid, door in bedekte termen over inleg in plaats van rente te spreken hadden veel mensen niet door dat ze in feite een enorme lening afsloten.

Een groot aantal voornamelijk Nederlandse beleggers zagen zich met een restschuld geconfronteerd. Dit leidde tot grote aantallen schadeclaims, klachten bij klachteninstellingen (onder andere van het Dutch Securities Institute) en vele duizenden civiele rechtszaken. In deze procedures werd onder meer aangevoerd dat de desbetreffende financiële instelling zich onvoldoende had verdiept in de beleggingsdoelstellingen en -ervaring van de (potentiële) klant. Tevens werd aangevoerd dat de voorlichting over de merites en het risico van de producten onevenwichtig was: er werd te weinig aandacht besteed aan de risico's, met name aan het risico dat er een kans op een restschuld (van soms aanmerkelijke omvang) bestond. Ook werd aangevoerd dat de rentebetaling (een kostencomponent) soms verhullend "inleg" werd genoemd. Verder is aangevoerd dat sommige leasebanken niet over de vereiste vergunning beschikten om krediet te mogen verlenen voor aandelenlease, waardoor veel contracten als nietig zijn te beschouwen. In een aantal gevallen werden dergelijke stellingen gehonoreerd.

Om een massale gang naar de rechter te voorkomen werd een bemiddelingspoging gedaan door de commissie Oosting. De bemiddeling faalde, Oosting stelde dat Dexia de boel traineerde. In 2005 heeft Wim Duisenberg een regeling gemaakt om aan deze mensen én aan de grootste verstrekker van deze constructies, Dexia, tegemoet te komen (Opgemerkt wordt dat Dexia deze producten niet zelf had verkocht, doch tijdens de looptijd van die contracten de aanbieder(s) ervan - AEGON - had overgenomen. Ten tijde van het aflopen van de contracten was Dexia evenwel de tegenpartij).

De partijen die betrokken zijn bij de Duisenberg-regeling hebben op 18 november 2005 bij het Gerechtshof te Amsterdam een verzoek ingediend om deze regeling algemeen verbindend te verklaren op grond van de Wet collectieve afwikkeling massaschade. Op 25 januari 2007 deed het gerechtshof uitspraak en bepaalde dat de schikking algemeen verbindend zou worden verklaard, beleggers die niet akkoord gaan met de Duisenberg-regeling moeten dat uiterlijk 31 juli 2007 met een zogenaamde opt-out verklaring kenbaar maken. Ongeveer 200.000 beleggers komen voor de regeling in aanmerking, als ze akkoord gaan wordt twee derde van de restschuld (100% als de partner niet heeft meegetekend) kwijtgescholden, de inleg zijn ze echter kwijt.

Op 2 augustus 2007 maakte Dexia bekend dat de Duisenberg-regeling door 165.300 van haar cliënten is geaccepteerd. 24.700 cliënten zijn niet akkoord gegaan met de regeling en zijn voornemens om Dexia te dagvaarden voor de rechtbank Amsterdam. Hiermee lijkt de aandelenlease-affaire voorlopig nog niet ten einde.

Gedeeltelijk betreft dat vervolg gedupeerden die van mening zijn dat zij zijn misleid en daardoor grote sommen geld zijn verloren. Voor een ander deel betreft dat echtparen waarvan de echtgenoot overeenkomstig de Nederlandse wet had moeten meetekenen. Deze laatste categorie heeft de beste kansen op terugbetaling en schadevergoeding omdat het Belgische beursfonds Dexia dat in feite zelf erkent door bijna 1 miljard euro minder winst te nemen. Minder winst vanwege een aantal voorzieningen op de balans in de jaren na 2003 inclusief een bijdrage van 218 miljoen euro die Aegon als vorige aandeelhouder van Labouchère aan Dexia heeft uitbetaald.

Naar verwachting zal de Hoge Raad begin 2009 uitspraak doen in een drietal aandelenleasezaken, waarbij respectievelijk Dexia, Levob en Aegon partij zijn.[1] De uitspraak van de Hoge Raad werd op 5 juni 2009 bekend. De kern hiervan was dat in elk geval op Dexia een bijzondere zorgplicht rust om bij het aangaan van de overeenkomst indringend te waarschuwen voor de financiële risico’s, vooral het restschuldrisico. Dexia was in deze zaak tekortgeschoten in deze bijzondere zorgplicht. Dit bracht met zich mee dat Dexia de schade moest vergoeden. [2]

[bewerken] Externe links

  1. Dexia: alle rechtszaken stilleggen tot uitspraak Hoge Raad
  2. Dexia aandelenlease: de huidige stand van zaken
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Hulpmiddelen
Afdrukken/exporteren