Aardse planeet

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De binnenste planeten, (v.l.n.r.) Mercurius, Venus, Aarde en Mars, hun grootte in vergelijking met elkaar.

Aardse planeten of terrestrische planeten zijn planeten waarvan het oppervlak is opgebouwd uit vaste stoffen. In het Zonnestelsel gaat het om Mercurius, Venus, Aarde en Mars; ook de dwergplaneten Pluto, Ceres en Eris, de Maan en de andere manen worden hier soms onder gerekend. De term terrestrische planeet komt van het Latijnse woord voor aarde, namelijk terra. In januari 2006 werd er een nieuwe aardse planeet buiten het Zonnestelsel ontdekt, deze heeft de aanduiding OGLE-2005-BLG-390Lb. Relatief zware aardse planeten, van ongeveer 5 aardmassa's, heten ook wel superaardes.

Doordat deze planeten bij hun ontstaan dicht bij de Zon stonden verdampten de vluchtige stoffen grotendeels en bleef er een steenachtig oppervlak over. Binnenin bestaan ze vooral uit metaal en steen in gesmolten vorm. Afhankelijk van de omstandigheden kunnen ze een relatief dunne atmosfeer hebben. Het is niet zo dat alle 'aardse planeten' geschikt zijn om op te leven. De verder naar buiten gelegen planeten bestaan voor een groot deel uit gassen als waterstof en helium, en heten daarom ook wel gasreuzen, of, naar het voorbeeld Jupiter, Joviaanse planeten. Deze gasreuzen hebben vaak geen vaste korst. Volgens nieuwe inzichten worden Uranus en Neptunus geen gasreuzen maar ijsreuzen genoemd.

Structuur[bewerken]

Terristrische planeten hebben allemaal ruwweg dezelfde structuur: een centrale kern van metaal, voornamelijk ijzer, met een omringende mantel. De Maan lijkt hierop, maar deze heeft geen metalen kern. Aardse planeten kennen ravijnen, kraters, bergen en vulkanen. Ze beschikken vaak over een secundaire atmosfeer – een atmosfeer gevormd door intern vulkanisme of door inslagen van kometen, in tegenstelling tot gasreuzen, die beschikken over een primaire atmosfeer – atmosferen die ontstaan zijn door de Zon.

Terrestrische planeten in het Zonnestelsel[bewerken]

Het Zonnestelsel van de Aarde kent vier terrestrische planeten: Mercurius, Venus, Aarde en Mars en een terrestrische dwergplaneet, Ceres. Hemellichamen zoals Pluto lijken op terrestrische planeten aangezien zij ook een vast korst hebben, maar ze zijn samengesteld van ijzigere materialen (zie ijsdwerg). Tijdens de formatie van het Zonnestelsel, waren er waarschijnlijk meer planetesimalen, maar deze zijn allemaal samengegaan of zijn verwoest. Daarnaast kunnen de Maan en Jupiters manen Io en Europa worden gezien als terrestrische werelden, hoewel ze niet als planeten kunnen worden beschouwd aangezien ze manen zijn, maar ze worden beschouwd als planemos. Io en Europa zijn voornamelijk samengesteld uit gesteenten, hoewel ze gevormd zijn achter sneeuwlijn.

Terrestrische planeten buiten het Zonnestelsel[bewerken]

De meerderheid van de planeten die ontdekt zijn buiten het Zonnestelsel tot nu toe zijn gasreuzen, waarschijnlijk omdat deze groter zijn en daarom makkelijker te zien tijdens een observatie. Desalniettemin zijn er een aantal planeten, die zich buiten het Zonnestelsel bevinden, die bekend zijn als terrestrische planeten, of zo worden beschouwd.

Aleksander Wolszczan ontdekte de eerste terrestrische planeet buiten het Zonnestelsel. De drie planeten draaien in de pulsar planeet PSR B1257+12 met massa’s van 0,02, 4,3 en 3,9 keer zoveel als de Aarde. Die zijn per ongeluk ontdekt: hun doortocht veroorzaakte storingen in de pulsars radio uitzendingen (hadden ze niet gewenteld rond een pulsar, dan zouden ze niet zijn gevonden). Toen 51 Pegasi b, de eerste en enige planeet buiten het Zonnestelsel gevonden rond een fuserende ster, was ontdekt, namen veel astronomen aan dat het een gigantische terrestrische moest zijn. Er werd aangenomen dat gasreuzen niet konden bestaan zo dicht bij een ster, wat het geval was bij 51 Pegasi b. Metingen van de diameter van een gelijke extrasolaire planeet (HD 209458 b) lieten zien dat dit wel degelijk gasreuzen waren.

In juni 2005 werd de eerste planeet gevonden die rond een fuserende ster draaide, waarvan bijna met zekerheid viel te zeggen dat het een terrestrische planeet was. Deze planeet draaide rond de dwergplaneet ster Gliese 876, slechts 15 lichtjaren verwijderd van ons. De planeet had een massa van 5 à 7 maal dat van de aarde en deed er ongeveer 48 uur over om één maal rond zijn as te draaien.

In april 2007 kondigde een team van elf Europese wetenschappers de ontdekking van een extrasolaire planeet aan, die mogelijk bewoonbaar is, met temperaturen vergelijkbaar met Aarde. De planeet was ontdekt door een telescoop van de Europese Zuidelijke Sterrenwacht in La Silla, in Chili. Daar hebben ze een speciaal instrument waarmee ze licht kunnen splitsen om oneffenheden kunnen vinden in verschillende golflengtes. Deze oneffenheden kunnen het bestaan van andere werelden laten zien. Wat ze lieten zien, was het bestaan van een planeet die cirkelt om de rode dwergster, Gliese 581. Ongeveer tachtig procent van de sterren in de buurt van de Aarde zijn rode dwergen. De nieuwe planeet, genaamd Gliese 581 c, is ongeveer vijf keer zo zwaar als de Aarde, waardoor het geclassificeerd wordt als een superaarde. De ontdekkers weten niet zeker of het een stenen hemellichaam is, zoals Aarde, of dat het een bevroren ijsbal is met vloeibaar water aan de oppervlakte. Als het een stenen planeet is, wat in tegenstrijd zou zijn met de huidige theorie, dan zou het een diameter hebben die ongeveer anderhalf keer zo groot als die van onze planeet. Als het een ijsbal is, kan de diameter nog groter zijn.

Enkele telescopen die in staat zullen zijn om direct extrasolaire terrestrische planeten te laten zien, worden bestudeerd. Voorbeelden hiervan zijn de Darwin (in studie), New Worlds Mission, Kepler Space Observatory, and European Extremely Large Telescope.

Zie ook[bewerken]

Bronnen[bewerken]

Externe links[bewerken]