Aartje
Centraal en kenmerkend onderdeel van de bloeiwijze van grassen en cypergrassen zijn de aartjes. Een aartje heeft één of meer bloemen. De aartjes zijn op een aar, een aarpluim of een pluim gerangschikt.
Een aartje bestaat uit:
- Twee kelkkafjes
- Lemma; al of niet met naald
- Palea
- Lodicula
- Meeldraden
- Stamper
De onderste twee blaadjes van een aartje heten de kelkkafjes. Die kunnen een aartje helemaal omsluiten. Wanneer de kelkkafjes het aartje niet omsluiten, staan de achtereenvolgende blaadjes van het aartje dakpansgewijs. Het volgende schubje aan de as van het aartje is het lemma. Het lemma bezit enige stevigheid, ondanks dat het heel dun is. Aan de top van het lemma treedt bij veel grassen een lange naald uit. Deze naald is de doorlopende middennerf van het lemma. Het volgende type blaadje is het palea, dat vaak vliezig en slap is.
Daarna komen de eigenlijk bloemonderdelen: lodiculea, meeldraden en de stamper. De lodiculea zijn kleine schubjes die bij het begin van de bloei gaan zwellen en zo lemma en palea uit elkaar duwen. Hierdoor krijgen de meeldraden en de stamper ruimte om zich uiteen te gaan vouwen.
