Abdij Kempten
De Abdij Kempten was een tot de Zwabische Kreits behorende abdij binnen het Heilige Roomse Rijk, gelegen in Kempten im Allgäu, Beieren.
In 773 sticht Audogar op de oever van de Iller een klooster. Audogar wordt de eerste abt van dit klooster. Onder de Karolingen wordt door de vele schenkingen de basis gelegd voor het uitgroeien tot rijkssticht. Bij het klooster ontstaat ook een handelsnederzetting, de latere Rijksstad Kempten. In 1213 komen de voogdijrechten aan de abt. Keizer Karel IV verheft de abt in 1360 tot rijksvorst en erkent de stad als rijksstad. In 1419 wordt de abdij exempt.
Tussen de rijksabdij en de rijksstad ontstaan grote politieke tegenstellingen, vooral nadat de stad omstreeks 1525 tot de reformatie is overgegaan. In 1525 doet de abt afstand van zijn laatste rechten in de stad. In de zeventiende eeuw ontwikkelt er zich bij de abdij een tweede stad, de stichtsstad. In de zeventiende en achttiende eeuw breidt het gebied zich nog uit middels aankoop.
Paragraaf 2 van de Reichsdeputationshauptschluss van 25 februari 1803 voegt de abdij bij het keurvorstendom Beieren.
[bewerken] Gebied
- stichtsstad Kempten
- de marktdorpen Buchenberg, Sankt Martinszell en Thingau
- slot en pleegambt Sulzberg und zum Falken
- de heerlijkheden Wagegg, Westerried, Günzenburg, Rotenstein, Calde, Grönenbach, Teißelberg-Hetzlingshofen-Erbishofen, Hohentann en Kemnath
- de markt Dietmannsried
- gehucht Legau
- Lauterach en Langenegg (status rijksriddelijk)
| Meer mediabestanden die bij dit onderwerp horen, zijn te vinden op de pagina Kempten op Wikimedia Commons. |