Abdij van Maria Laach

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Abdij Maria Laach)
Ga naar: navigatie, zoeken
Westzijde van de abdijkerk Maria Laach met het paradisium

De Abdij van Maria Laach ligt in het Eifelgebied ten zuidwesten van de Laacher See nabij Andernach (Rijnland-Palts, Duitsland). De abdijkerk geldt als een van de belangrijkste bouwwerken in Staufische stijl. De plaatsnaam Laach dankt zijn naam aan het daar gelegen vulkanische meer (de naam "laach" is afgeleid van het oudhoogduitse woord "lacha", van Latijn "lacus" = nl. "meer"). De abdij werd oorspronkelijk Abdij Laach genoemd tot omstreeks 1862 de jezuïeten er de naam "Maria" aan hebben toegevoegd. De Latijnse naam is Abbatia (Maria) ad Lacum of Abbatia (Maria) Lacensis. Direct achter de abdij ligt de militaire begraafplaats, waar zesendertig - in de Tweede Wereldoorlog gesneuvelde - Duitse militairen zijn begraven.

Stichtingsgeschiedenis[bewerken]

De grondlegging van de benedictijnenabdij van Maria Laach gebeurde in 1093 door paltsgraaf Hendrik van Laach (†1095) en zijn echtgenote Adelheid von Orlamünde-Weimar (†1100), weduwe van paltsgraaf Herman II van Lotharingen (†1085). De stichting was echter niet meteen een succes. In 1112 diende de volgende paltsgraaf Siegfried van Ballenstedt de stichting te vernieuwen en plaatste ze als priorij onder het toezicht van de abten van de abdij van Affligem in het toenmalige landgraafschap Brabant. Zowel de abdij van Affligem als Maria Laach waren namelijk paltsgrafelijke stichtingen. Omstreeks 1100 lag het grondplan van de abdijkerk reeds vast. Als eerste abt werd de vierde door de abdij van Affligem uitgezonden prior, Gilbert, verkozen. In 1138 maakte Maria Laach zich definitief los van Affligem, wat achteraf bevestigd werd in keizerlijke en bisschoppelijke oorkonden. Gilbert van Affligem stierf in 1152 en werd in de crypte van de abdij begraven. Tijdens de ambtsperiode van zijn opvolger, abt Fulbert (1152-1177) werd de abdijkerk in 1156 ingewijd door Hillin von Fallermanien, aartsbisschop van Trier. Tijdens zijn abbatiaat bleef er nog steeds een zeer intense samenwerking met Affligem bestaan, onder meer met kunstzinnige uitwisselingen tussen hun scriptoria. De oostzijde van de abdijkerk werd pas in 1177 voltooid, de westzijde in 1216 onder abt Albert (1199-1216). Tussen 1220 - 1230 onder de zesde abt Gregor (1216-1235) werd aan de westzijde nog een vierkante narthex (voorhal) met binnentuin (sinds 1928 met een leeuwenbron), een zogenaamd paradisium, aangebouwd.

Abdij van Maria Laach omstreeks 1900, nog met het steiler en hoger (achtkantige) gotische kerktorendak (uit 1277, met koekoek) in de achtergrond, nu weer een vlakker en lager dak in de romaanse stijl
Abdijkerk van Maria Laach
Plattegrond

Architectonische merkwaardigheden[bewerken]

De basilika is in Staufische (romaanse) stijl gebouwd. Met haar twee dwarsschepen en twee groepen van drie torens vertoont de abdijkerk gelijkenis met de keizerlijke domkerken van Speyer en Worms. Kenmerkend voor Maria Laach is de westbouw met drievoudige torengevel en de hoofdtoren (of middentoren) met rombisch dak, die via een transept aan ronde flanktorens is verbonden. De vieringtoren in romaanse stijl heeft een achtkantig en vlakker dak en twee vierkante hogere flanktorens. Tussen omstreeks 1355 tot 1936 had de vieringtoren een kroonlijst (1.5 m hoog) met een steiler gotisch dak.

Bezienswaardig binnen de kerk is het praalgraf van paltsgraaf Hendrik II (†1095), dat evenwel pas in de 13e eeuw werd opgericht, evenals het daarbij horende stenen baldakijn dat thans het altaar overspant.

Tweede stichting[bewerken]

In 1892 werd de abdij opnieuw opgericht door monniken van Beuron.

Literatuur[bewerken]

  • Van Droogenbroeck, F. J., Paltsgraaf Herman II (†1085) en de stichting van de abdij van Affligem (28 juni 1062), Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis 2 (Hilversum 1999) 38-95.
  • Van Droogenbroeck, F. J., De betekenis van paltsgraaf Herman II (1064-1085) voor het graafschap Brabant, Eigen Schoon en De Brabander 87 (Brussel 2004) 1-166.
  • Regaus, Beda, Hafflighemum Illustratum. Deel IV-V: De filiationibus ejusdem abbatiae. Manuscript abdijarchief Affligem, 1773-1775); in anastatische uitgave, ed. W. Verleyen (Reprint 264 van het Algemeen Rijksarchief, (Brussel 2002).
  • Resmini, Bertram, Das Erzbistum Trier. 7. Die Benediktinerabtei Laach. Germania Sacra. Neue Folge 31. Die Bistümer der Kirchenprovinz Trier (Berlijn 1993).
  • Sandner, P. Basilius (OSB) en Schumacher, Karl-Heinz, Die Klosterkirche Maria Laach. Sutton (Erfurt 2007). ISBN 978-3-86680-124-0
  • Von Severus, Dr. Emmanuel, Ecclesia Lacensis. Beiträge aus Anlaß der Wiederbesiedlung der Abtei Maria Laach durch Benediktiner aus Beuron vor 100 Jahren am 25. November 1892 und der Gründung des Klosters durch Pfalzgraf Heinrich II. von Laach vor 900 Jahren 1093. Beiträge zur Geschichte des alten Mönchtums und des Benediktinerordens. Supplementband 6 (Münster 1993).
  • Volk, P. Paulus (OSB), Der Stifter von Maria Laach (Pfalzgraf Heinrich II.) aus dem Hause Luxemburg-Salm. In: Revue Bénédictine 36 (1924) 255-267.
  • Volk, P. Paulus (OSB), Laach und Affligem. In: Benediktinische Monatschrift zur Pflege religiösen und geistigen Lebens 9 (1927) 69-70.

Tekstuitgave van narratieve bronnen uit Maria Laach in Wikisource Latina: