Abdij Murbach

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Abbaye impériale et princière / chapitre collégial-équestral de Murbach (fr)

Fürstabtei / Ritterstift Murbach

Onderdeel van het Heilige Roomse Rijk
 Hertogdom Elzas 727 – 1789 Eerste Franse Republiek 
Blason Murbach.svg
Kaart
Murbach-map.png
Algemene gegevens
Hoofdstad Murbach
Regering
Regeringsvorm Vorstendom

De abdij Murbach was een tot de Boven-Rijnse Kreits behorend abdijvorstendom binnen het Heilige Roomse Rijk.

Omstreeks 727 stichtte graaf Eberhard van Eguisheim het benedictijner klooster Sint Leodegar te Murbach. De Frankische koningen verleenden de abdij in 727 immuniteit en het recht hun abt vrij te kiezen. Het prinsbisdom Straatsburg deed afstand van de bisschoppelijke rechten. De abdij verwierf uitgestrekte bezittingen, onder andere in Luzern, de Sundgouw, de Aargau, de Breisgau en Montbéliard. Het monastieke leven ging sterk achteruit door niet-residerende abten. In 1228 werd de abt voor het eerst als rijksvorst vermeld. Hoewel de Habsburgers aanspraak maakten op de voogdij, behield de abdij zijn rijksvrijheid tot 1536. In 1554 verenigde de paus definitief de abdijen Murbach en Lure.

Paragraaf 87 van de Vrede van Münster van 1648 legde de zelfstandigheid van de abdij vast. In 1680 maakte Frankrijk in het kader van de reunionspolitiek een einde aan de band met het Heilige Roomse Rijk. Binnen Frankrijk behield de abdij een vrij grote autonomie.

In 1759/1764 werd de abdij omgezet in een riddersticht te Guebwiller, dat tot 1789 bestond.

Bezit[bewerken]

  • de voogdij Guebwiller met de stad Guebwiller en de vijf dorpen la Lauch (met Buhl), Lautenbach-Zell, Sengern, Bergholtz en Bergholtz-Zell
  • de voogdij Wattwiller met de stad Wattwiller en het dorp Uffholtz
  • de voogdij Saint-Amarin met de stad Saint-Amarin en veertien dorpen.

Regenten[bewerken]

  • 1218-1239: Hugo van Rothenburg (eerste prins-abt)
  • 1239-1240: Albert I van Fronburg
  • 1240-1261: Thibaud van Faucogney
  • 1261-1285: Berthold II van Steinbrunn
  • 1285-1298: Berthold III van Falkenstein
  • 1298-1304: Albert II van Liebstein
  • 1304-1335: Koenraad II Schenk von Stauffenberg
  • 1335-1345: Koenraad III Wernher von Murnhard
  • 1345-1354: Hendrik van Schauenburg
  • 1354-1377: Jan I schout van Gebweiler
  • 1377-1387: Willem I Stör von Storenburg
  • 1387-1394: Rudolf van Watteville
  • 1394-1428: Willem II van Wasselnheim
  • 1428-1433: Peter van Ostein
  • 1433-1447: Diederik van Domont
  • 1447-1476: Bartholomeus van Andlau-Homburg
  • 1476-1489: Achaz van Griessen
  • 1489-1513: Günther van Wilsperg
  • 1513-1542: Georg van Massmünster
  • 1542-1570: Jan II Rudolphe Stör van Storenburg
  • 1570-1587: Jan III Ulrich van Raitenau
  • 1587-1587: Wolf Diederik van Raitenau
  • 1587-1587: Gabriel Giel van Gielsberg (verkozen, niet bevestigd)
  • 1587-1600: Andreas van Oostenrijk (1589 bisschop van Konstanz; 1591 bisschop van Brixen)
  • 1600-1614: Jan IV Georg van Kalkenriedt
  • 1614-1626: Leopold V van Oostenrijk (1598 bisschop van Passau; 1607 bisschop van Straatsburg)
  • 1626-1663: Leopold Willem van Oostenrijk
  • 1663-1664: Colomban van Andlau-Homburg
  • 1664-1682: Frans Egon van Fürstenberg (1663 bisschop van Straatsburg)
  • 1682-1686: Félix Egon van Fürstenberg (administrator)
  • 1686-1720: Philips Eberhard van Löwenstein-Wertheim-Rochefort
  • 1720-1737: Célestin van Beroldingen
  • 1737-1756: Frans II Armand van Rohan-Soubise (bisschop van Straatsburg)
  • 1756-1786: Léger (Casimir) van Rathsamhausen
  • 1786-1790: Benoît-Antoine-Frédéric van Andlau-Homburg