Abdij Zwiefalten
De abdij Zwiefalten was een tot de Zwabische Kreits behorende benedictijnenabdij binnen het Heilige Roomse Rijk.
Tijdens de investituurstrijd stichten de aanhangers van de pauselijke partij, de graven Kuno en Liutold van Achalm een Benediktijnerklooster in Altenburg bij Tübingen. Enige jaren later (in 1089) wordt het klooster verplaatst naar Zwiefalten. Door de vele schenkingen heeft het klooster bezittingen in het Neckargebied, in de Baar, in Boven-Zwaben, de Elzas en in Zwitserland. Voor het beheer van de bezittingen zijn er pleeghoven in Reutlingen, Riedlingen en Munderkingen.
De abdij voert een lange strijd om zijn zelfstandigheid met de kloostervoogdij, sinds 1303 in handen van de aartshertogen van Oostenrijk. De hertogen van Württemberg proberen na de verwerving van de kloostervoogdij in 1365 de abdij bij hun gebied in te lijven. Later proberen de hertogen de reformatie in te voeren. Uiteindelijk staakt Württemberg zijn annexatiepolitiek bij het verdrag van 1569. In 1749/51 wordt de abdij rijksvrij door zich vrij te kopen van Württemberg.
Paragraaf 6 van de Reichsdeputationshauptschluss van 25 februari 1803 voegt de abdij bij het keurvorstendom Württemberg.
[bewerken] Bezit
- de dorpen Aichelau, Aichstetten, Attenhofen, Baach, Bechingen, Daugendorf, Dürrenwaldstetten, Emeringen, Gauingen, Geisingen, Gossenzugen, Hochberg, Huldstetten, Ittenhausen, Kirchheim, Lauterach, Mörsingen, Neuburg am Rhein, Oberstetten, Pfronstetten, Reichenstein, Sonderbuch, Tigerfeld, Upflamör, Wilsingen en Zell
- de kastelen Mochenthal en Ehrenfels
- het Benedictinessenklooster Mariaberg bij Gammertingen
| Meer mediabestanden die bij dit onderwerp horen, zijn te vinden op de pagina Abdij Zwiefalten op Wikimedia Commons. |