Ablaut

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Ablaut, apofonie of klinkerwisseling is een begrip uit de Indo-Europese taalwetenschap. Men spreekt van ablaut wanneer verschillende klinkers in etymologisch verwante woorden (cognaten) teruggaan op een klinkeralternantie in het Proto-Indo-Europees. De vormen die het gevolg zijn van ablaut verschillen in betekenis of gebruik.

Voorbeelden[bewerken]

Het verschijnsel ablaut is in de meeste Indo-Europese talen geen productief afleidingsproces meer. Dit houdt in dat er geen nieuwe vormen meer mee gemaakt worden, maar de restanten van ablaut zijn in de woordenschat terug te vinden. In de meeste Germaanse talen - waaronder het Nederlands - is het verschijnsel ablaut prominent vertegenwoordigd in de vorm van de klinkerwisselingen bij de vervoeging van sterke werkwoorden:

  • lezen - las - gelezen
  • spreken - sprak - gesproken

Ook buiten de categorie van sterke werkwoorden is soms nog de invloed van ablaut te herkennen. Vergelijk de volgende woorden:

  • liggen - leggen (causatief, leggen betekent 'doen liggen')
  • zitten - zetten ('doen zitten')
  • hoen, haan (mannelijk), hen (vrouwelijk)
  • spraak en spreken
  • wraak en wreken

Voorbeelden van ablaut in andere Indo-Europese talen:

Soorten ablaut[bewerken]

De klinkerwisselingen als gevolg van ablaut zijn niet willekeurig, maar verlopen volgens bepaalde patronen. Zo'n patroon wordt een reeks genoemd, elke stap in zo'n reeks trap (Duits Stufe, Engels grade). Het Indo-Europees kent meerdere ablautreeksen, maar de belangrijkste voor het Germaans is de alternantie tussen ĕ (kort), ŏ (kort), ē (lang), ō (lang) en ø (nul). Bij de beschrijving van een reeks wordt uitgegaan van hoe de klinkers eruitzagen op het niveau van het Indo-Europees. In de talen waar de klinkerwisseling aangetroffen wordt, kunnen de klinkers er dus inmiddels heel anders uitzien.

Er worden twee verschillende soorten ablaut onderscheiden. Als er op Indo-Europees niveau sprake is van verschillende klinkers (bijvoorbeeld ĕ en ŏ, wordt van kwalitatieve ablaut gesproken. Verschillen de klinkers slechts in lengte (ĕ - ē), dan noemt men dat kwantitatieve ablaut. Een voorbeeld van kwantitatieve ablaut is het lengteverschil in de hierboven al genoemde Latijnse woorden rēx (met een lange ē) en rĕgĕre (met een korte ĕ). Een klinker kan daarbij ook helemaal verdwijnen (de zogenoemde nultrap): es-t 'hij is' tegenover s-unt 'zij zijn'. Een Latijns voorbeeld van kwalitatieve ablaut is het verschil tussen tĕgĕre 'bedekken' en tŏga 'toga (kledingstuk)'.

Geschiedenis[bewerken]

De term ablaut is verbonden met de naam van de negentiende-eeuwse Duitse taalkundige Jacob Grimm. Toch was het verschijnsel toen al een eeuw bekend: in 1710 beschreef de Nederlandse taalkundige Lambert ten Kate de systematiek van de klinkerwisselingen in sterke werkwoorden in het boekje Gemeenschap tussen de Gottische spraeke en de Nederduytsche.

Ablaut of geen ablaut?[bewerken]

Niet elke klinkeralternantie binnen in een taal of tussen twee verwante talen is een geval van ablaut.

  • Het verschil tussen het Nederlandse nacht en het hiermee etymologisch verwante Latijnse nox is geen ablaut, maar het gevolg van een klankverschuiving, waarbij de proto-Indo-Europese ŏ in het Germaans in ă veranderde.
  • Het verschil tussen stad en steden is het gevolg van umlaut. Umlaut is een jonger verschijnsel, dat van ablaut verschilt doordat het te herleiden is tot beïnvloeding door naburige klanken en dus puur fonologisch bepaald.

Om de verschillende bronnen van klinkeralternanties uit elkaar te kunnen houden is vaak een behoorlijke kennis van de taalgeschiedenis vereist.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties