Absolute en relatieve competentie
Bij het bepalen van welke rechter bevoegd is om van een bepaald geschil kennis te nemen, wordt onderscheid gemaakt tussen de absolute competentie en de relatieve competentie. Deze competentie bepaalt of de rechter al dan niet jurisdictie heeft. De regels over de absolute competentie staan beschreven in de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet Ro) De regels voor de relatieve competentie in civiele zaken zijn vastgelegd in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Met absolute competentie wordt bedoeld welke rechter kennis neemt van een geschil. In Nederland is dat in eerste aanleg in de regel de rechtbank, in hoger beroep het Gerechtshof en in cassatie de Hoge Raad. Vanaf 1 juli 2011 is voor een vordering tot € 25.000,- de sector Kanton van de Rechtbank bevoegd (art. 93 Rv). Tot deze datum was de grens € 5000. Het gaat bij dit bedrag om de hoofdsom inclusief de wettelijke rente tot aan de dag waarop de dagvaarding door de deurwaarder wordt uitgebracht. Voor zaken boven deze grens is de sector Civiel van de rechtbank bevoegd. Echter in arbeidszaken voor gewone werknemers niet zijnde bestuurder van een vennootschap, huurrechtszaken, zaken over een agentuurovereenkomst en consumentenzaken is de sector Kanton van de Rechtbank uitsluitend bevoegd, dat wil zeggen ongeacht de hoogte van de vordering (93 sub C Rv). Vanwege deze indeling op grond van de aard van de zaak, worden dit 'aardzaken' genoemd. [1] Vanaf 1 juli 2011 is de kantonrechter ook bevoegd in zaken over een consumentenkrediet tot een belang van € 40.000,-.
Met relatieve competentie wordt bedoeld in welke regio het geschil voor de rechter gebracht moet worden. De hoofdregel is dat de woonplaats van de gedaagde bepalend is (art. 99 Rv). In arbeidszaken is de rechter van de plaats, waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht, bevoegd (art. 100 Rv). In huurzaken is uitsluitend de rechter binnen wiens rechtsgebied het gehuurde zich bevindt bevoegd (art. 103 Rv).
Het recht van een verdachte om berecht te worden door de competente rechtsinstantie wordt het jus de non evocando genoemd. Het is geregeld in artikel 17 van de Nederlandse Grondwet.