Absurde humor

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Absurde humor of ongerijmde humor is een vorm van humor waarbij nonsensikale en surrealistische elementen worden samengevoegd. Typisch aan absurde humor zijn grappen die alle wetten van de logica of fysica tarten, verwijzingen naar obscure namen, dingen of figuren in een context waar ze totaal niet in thuishoren en vaak ook het gebrek aan een pointe of clou. De beroemdste beoefenaars van absurde humor zijn de leden van de Britse komische groep Monty Python.

Inhoud

Oorsprong [bewerken]

Het is onmogelijk te achterhalen wanneer het fenomeen absurde humor ontstaan is. Verre voorlopers van het genre zijn leugensprookjes als Het sprookje van Luilekkerland, De dorsvlegel uit de hemel, Knoest en zijn drie zonen en Het leugensprookje uit Ditmar. In de middeleeuwen waren spotliederen waarin bestaande zeden en gewoonten werden omgekeerd, vaak heel populair. Ook de avonturen van Baron von Münchhausen en Alice in Wonderland van Lewis Carroll liggen in dezelfde lijn. In de schilderijen van Pieter Brueghel komen eveneens groteske taferelen voor die een voorloper lijken van de hedendaagse absurde humor.

Film en televisie [bewerken]

Begin 20ste eeuw waren Buster Keaton en The Marx Brothers de eerste filmkomieken die in humor de wetten van de logica aan hun laars lapten. Hun films waren van grote invloed op latere filmmakers die met de gevestigde regels speelden, zoals Woody Allen (Annie Hall), Jaco Van Dormael (Toto le Héros, Le Huitième Jour, Mr. Nobody), Mel Brooks (Blazing Saddles), Jean-Pierre Jeunet (Delicatessen, La cité des enfants perdus, Le fabuleux destin d'Amélie Poulain), Terry Gilliam (Brazil) en Richard Lester (How I Won the War). Ook de komedie Hellzapoppin' van H. C. Potter uit 1941 is een voorbeeld van een film waarin alle bestaande filmconventies overtreden worden met de bedoeling de kijker te doen lachen met de ongerijmde situaties die hieruit voortkomen.

Eind jaren '60 ontstond in Engeland het komediecollectief Monty Python, dat van absurde humor hun handelsmerk maakte. De groep, met Graham Chapman, John Cleese, Terry Gilliam, Eric Idle, Terry Jones en Michael Palin als leden, maakte naam met hun tv-serie Monty Python's Flying Circus en de cultfilms Monty Python and the Holy Grail, Life of Brian en The Meaning of Life. Op hun beurt waren ze erg geïnspireerd door The Marx Brothers en het radioprogramma The Goon Show met onder meer Spike Milligan en Peter Sellers.

Absurde humor is ook populair in cartoons en tekenfilms zoals de Looney Tunes, South Park en Family Guy. Ook The Muppet Show maakte vaak gebruik van absurde grappen.

Televisieseries als The Young Ones en Lava werden vooral populair bij een cultpubliek omwille van het gebruik van absurde humor.

Soms worden ook zogenaamde mockumentaries, films die zich voordoen als een documentaire, maar eigenlijk een volkomen fictief onderwerp behandelen of een parodie brengen op bestaande fenomenen, tot de absurde humor gerekend. Bekende voorbeelden hiervan zijn This Is Spinal Tap van Rob Reiner, C'est arrivé près de chez vous van Belvaux, Bonzel en Poelvoorde, Forgotten Silver van Peter Jackson en de reeks Neveneffecten van het gelijknamige komische collectief.

Theater [bewerken]

In de jaren '50 gebruikte de Frans-Roemeense toneelauteur Eugène Ionesco absurde humor in zijn theaterstukken als La cantatrice chauve. Alledaagse situaties worden volledig uit hun context getrokken en belachelijk gemaakt, er vinden persoonsverwisselingen plaats en gebruikelijke gewoonten worden omgedraaid. Daarmee wilde Ionesco, net als in de existentialistische literatuur en de stukken van Tsjechov, de absurditeit van het menselijk bestaan benadrukken. Hierdoor wordt Ionesco gezien als de vader van het absurd toneel, een stroming waarin ook Samuel Beckett grote bekendheid verwierf, onder andere met zijn stuk Wachten op Godot.

Strips en literatuur [bewerken]

Karikatuur van Jules Anspach die danst met de Zenne (1868)

In strips wordt geregeld gebruikgemaakt van absurde humor. Dat vinden we al terug bij één van de pioniers van het genre, Winsor McCay (Little Nemo in Slumberland). Latere stripmakers als André Franquin (Guust Flater), Marc Sleen (Nero), Urbanus en Willy Linthout (Urbanus), en Merho (De Kiekeboes) bedachten vaak doldwaze, ongerijmde situaties in hun verhalen. Een markant album in de reeks De Kiekeboes is Album 26, waarin Merho er niet voor terugdeinst om zijn personages uit hun kader te laten stappen, inkt over het beeld te gooien of zelfs op bezoek te gaan bij hun tekenaar.

Ook in cartoons en gagstrips die in kranten en tijdschriften verschijnen, wordt niet zelden gebruikgemaakt van absurde grappen. Een heel vroeg voorbeeld daarvan is een karikatuur uit het blad L'Espiègle uit 1868 waarop toenmalig Brussels burgemeester Jules Anspach danst met de Zenne. Latere cartoonisten als Kamagurka, Herr Seele (Cowboy Henk), Gummbah, Fritz Van Den Heuvel, Jeroom en Lectrr maakten van ongerijmde situaties hun handelsmerk. Velen onder hen publiceren of publiceerden in het (vaak satirische) weekblad Humo.

Ook in de literatuur treffen we absurde humor aan, vooral bij schrijvers als Herman Brusselmans, Franz Kafka en Hunter S. Thompson.

Beeldende kunst [bewerken]

De kunststroming dadaïsme van onder andere Marcel Duchamp was vergelijkbaar met het absurdisme en ook het surrealisme van bijvoorbeeld René Magritte ligt in dezelfde lijn.

Muziek [bewerken]

Artiesten als Frank Zappa en Captain Beefheart gebruikten absurde humor in hun (meestal psychedelische) muziek.

Stand-upcomedy en cabaret [bewerken]

In Nederland zijn de bekendste absurde komieken Wim T. Schippers, Ronald Snijders, Hans Teeuwen, Rembo & Rembo en de Stichting Absurd Nederland. In België staan vooral Urbanus, Wim Helsen, Hugo Matthysen en de Neveneffecten hierom bekend.