Adoni-Zedek

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Adoni-Zedek was volgens het Bijbelboek Jozua de koning van Jeruzalem ten tijde van de intocht van de Israëlieten in Kanaän. In het Hebreeuws betekent zijn naam mijn heer is gerechtigheid.

Het verhaal in Jozua[bewerken]

Toen hij vernam hoe de Israëlieten gehandeld hadden in Jericho en in Ai sloot hij een verbond met vijf andere Amorieten-koningen namelijk Hoham de koning van Hebron, Piream de koning van Jarmuth, Jafia de koning van Lachis en Debir de koning van Eglon[1] om samen op te trekken tegen de indringers.

De coalitie sloeg het beleg op bij Gibeon, de stad die door een list een verdrag had gesloten met Jozua. De Gibeonieten riepen Jozua te hulp en die vertrok bij nacht met zijn leger van Gilgal en versloeg het leger van de coalitie in de slag bij Gibeon. De troepen van de vijf koningen sloegen op de vlucht in de richting van Beth-Horon en werden daar getroffen en gedecimeerd door hagelstenen die God op hen liet regenen. Het Bijbelverhaal vermeldt specifiek dat er meer vijanden werden gedood door de hagel dan door het zwaard.[2] Jozua riep ook de hulp van God in om de zon en de maan te doen stilstaan om meer tijd te hebben om de vijand af te maken.

De vijf koningen waren gevlucht en hadden zich verborgen in een spelonk bij Makedda, maar ze werden ontdekt en opgesloten in de spelonk. Toen de achtervolging gestaakt was nadat de Amorieten hun steden hadden bereikt, keerde het leger van de Israëlieten terug naar Makedda en werden de vijf koningen alsnog door Jozua gedood en aan een galg gehangen tot zonsondergang. Daarna werden ze in de spelonk gegooid die met stenen werd afgedekt.[3]

De Amarna brieven[bewerken]

In het begin van de 20e eeuw, bij de ontdekking van de Amarna-brieven, dachten de toenmalige historici dat met de Habiru die daar in vermeld werden de voorouders van de Bijbelse Hebreeën werden bedoeld maar naarmate er meer teksten werden ontdekt is men hier van af gestapt. De Habiru moeten volgens sommige moderne academici eerder gezien worden als een inferieure sociale klasse, dan als een etnische groep of als een stam.


  1. Jozua 10:1-3
  2. Jozua 10:11.
  3. Jozua 10:20-27.