Akallabêth

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Akallabêth (Adûnaisch, de ondergang. Quenya: Atalantë) is een kort verhaal van J.R.R. Tolkien. Het is een door Elendil geschreven fictief boek over de ondergang van Númenor dat is opgenomen in De Silmarillion.

Verhaal[bewerken]

De Akallabêth verhaalt over wat er met de mensen gebeurde nadat Morgoth in de Oorlog van Gramschap definitief verslagen werd en waarin Sauron naar het oosten van Midden-aarde vluchtte voor de macht van de Valar. De eerstgeborenen - de elfen zoals de Noldor - mochten terugkeren naar Valinor nadat hun eigen land, Beleriand, samen met de landen van Morgoth in zee was verzonken. De mensen van de Drie huizen van de Edain mochten ook naar het westen varen en kregen in het gezicht van Valinor een land dat later Númenor werd genoemd. In Númenor woonden de mensen die door de elfen Dúnedain werden genoemd, de mensen van Westernisse, die een langer leven hadden dan welk mensenras ook. Vele jaren woonden ze in vrede in Númenor, maar onrust kwam over hun harten omdat ze niet te ver naar het westen mochten varen - ze mochten niet in Valinor of op Tirion aankomen - en ze hunkerden naar het rijk Valinor en het eeuwige leven. Naar het oosten voeren de Dúnedain wel, en er wordt verhaald hoe ze steden en vestingen in Midden-aarde zoals Umbar en Pelargir bouwden en de donkere mensen veel leerden. Sauron was ondertussen teruggekeerd in Mordor en voerde oorlog tegen de elfen en Dúnedain in Midden-aarde om de heerschappij.

De laatste koning van Númenor, Ar-Pharazôn, landde in Midden-aarde met een groot leger en dwong Sauron tot overgave, en Sauron ging als slaaf naar Númenor. Hier echter verspreidde hij listige leugens onder de Númenoreanen en er kwam een diepe kloof tussen de Elendili en de getrouwen van de koning die Sauron steunden. De getrouwen begonnen een grote vloot in gereedheid te brengen om Valinor aan te vallen, maar toen ze op de heilige kusten landden, lieten de Valar de toorn los die de mensen zo erg vreesden: Númenor werd verwoest en werd door de zee verzwolgen. Saurons lichaam werd verscheurd, maar zijn geest vluchtte naar Midden-aarde, en hij keerde terug in Mordor. Ook de nog levende Elendili slaagden erin aan de ondergang te ontkomen en voeren naar Midden-aarde. Zij stichtten er de rijken in ballingschap: Arnor in het noorden en Gondor in het zuiden. Umbar bleef in handen van de getrouwen van de koning.