Alaoui

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Alaoui-dynastie (soms ook wel Alaouieten,[bron?] Alawieten,[1] Filalis[bron?] of Filaliërs[1]) is een dynastie die sinds 1666 over Marokko regeert.

Geschiedenis[bewerken]

De familie heeft haar oorsprong in de Tafilalt oase (vandaar de naam Filali) in het zuidoosten van Marokko. Vanaf 1250 kwamen Arabische bedoeïenenstammen van de Banu Hilal vanuit de Algerijnse Sahara het oosten van het land in, waar zij zich vestigden rondom de oude stad Sijilmasa en haar omgeving. Ten tijde van hun komst was het rijk van de Almohaden in verval, deze waren sinds enkele jaren een oorlog aan het voeren tegen een nieuwe Marokkaanse macht, de Meriniden. De Banu Maqil stammen lukte het om in de 14e eeuw de trans-Saharaanse handel te domineren, wat als gevolg had dat de inwoners van Sijilmasa hun stad verlieten en het in verval raakte. Op dit moment verlieten de stammen hun nomadische bestaan en vestigden zij zich in zogenaamde ksur of igherman, ten noorden van de stad. In een korte tijd lukte het deze Arabieren vervolgens om een groot aantal stammen in het zuiden van Marokko te onderwerpen.

Ondertussen vond ten tijde van de Meriniden een ontwikkeling plaats die van grote invloed zou zijn op de Marokkaanse geschiedenis. Om het land ferm in handen te houden, bevorderden de Meriniden heersers van Fes sharifisme en maraboetisme. Over het hele land werd de profetische afkomst van families officieel erkend, waarna deze werden gefinancierd en door de sultans gebruikt als religieuze rechtvaardiging van hun heerschappij. Onder deze omstandigheden kwam in de 16e eeuw de Saadidynastie aan de macht, die de Wattasiden in 1550 beslissend konden verslaan. Deze Saadis waren van sharifaanse komaf, afkomstig uit het zuiden van het land. In deze periode kwam in Tafilalt een andere sharifaanse familie op, de Alaouiten, die daar werden erkend als spirituele leiders.

Aan het begin van de 17e eeuw werd de Saadi-dynastie geteisterd door een interne machtsstrijd, waarna het land verviel in een aantal kleine staatjes. De Alaouiten maakten hier gebruik van door in een korte tijd grote delen van Oost-Marokko te bezetten, om vervolgens Marrakesh en het zuiden te bezetten. Kort daarvoor hadden Berberse maraboets van de Zaouia van Dila in 1640 Fes en het hele noordelijke deel van Marokko bezet. Deze situatie bleef bestaan tot 1666, toen de Alaouiten Fes en Meknes konden innemen, en Dila zelf met de grond gelijk maakten. Niets stond hun meer in de weg om heel Marokko te onderwerpen: onder leiding van Moulay al-Rashid (1660-1672) werd het westen en noorden onderworpen. Zijn opvolger, de bekende sultan Moulay Ismail, richtte zich eerst op het bestrijden van zijn vijanden in Marrakesh en het Sous-gebied. Het leger van de Alaouiten, bestaande uit Hilali Arabieren uit Zuid-Marokko en West-Algerije, werd vervolgens versterkt door 150.000 zwart-Afrikaanse slaafsoldaten. Met dit grote leger kon hij de Sous pacificeren en de Berbers van het Atlasgebergte en die van de Moulouya rivier in bedwang houden. In de jaren 1680 begon hij een agressieve strijd tegen de Spanjaarden en Portugezen, die een aantal kustplaatsen bezetten: hij kon zo Arzila, Larache, en in 1684, Tanger veroveren. Ondanks een blokkade van 17 jaar lukte het hem niet om Ceuta in te nemen. Zo was hij ook niet succesvol in het terugdringen van de Ottomanen, zij bleven in het bezit van gebieden in Oost-Marokko.

Na de dood van de charismatische Moulay Ismail, volgde een periode van interne conflicten, waarbij de verschillende zoons van de sultan elkaar om het koningschap bevochten. In deze periode werd de ware macht in het land uitgeoefend door de slaafsoldaten van Moulay Ismail. In deze chaotische situatie lukte het een van zijn zoons, Moulay Abd Allah, om maar liefst acht keer aan de macht te komen (en te worden afgezet). De (opnieuw) afgezette sultan vond een thuis bij de Berbers van Tanger, waar hij begon met het opzetten van de gouverneur van Tanger tegen de zwarte soldaten. De oorlogen die daaruit voortkwamen hadden als gevolg dat de macht van de slaafsoldaten werd gebroken. Deze conflicten hadden ook als resultaat een versplinterd en door stammen gedomineerd Marokko.

De belangrijkste sultans waren:

(Moulay betekent ruwweg prins in het Arabisch, mannelijk lid van de dynastie, vrouwelijke heten Lalla, dame in het Berber.)

Na 1999 kwam Mohammed VI aan de macht. Deze jonge koning heeft veel voor de bevordering van de democratie gedaan, in tegenstelling tot zijn vader Hassan II die de macht naar zich trok in 1961 om het land na een tijd van Franse en Spaanse inmenging tot een modern Marokko te hervormen. Na 1990 heeft Hassan II een democratiseringsproces in gang gezet, dat later door zijn zoon werd overgenomen.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. a b Encarta-encyclopedie Winkler Prins (1993–2002) s.v. "Marokko. §6.1 Van de oudheid tot de 19de eeuw". Microsoft Corporation/Het Spectrum.