Albert Betz

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Albert Betz (Schweinfurt, 25 december 1885Göttingen, 16 april 1968) was een Duitse fysicus en pionier op het gebied van windmolen/turbine-technologie.

[bewerken] Biografie

In 1910 studeerde Betz af als marine-ingenieur aan de Techniche Hochschule Berlin (Diplomingenieur Schiffbau). In 1911 werd hij een onderzoeker aan de Universiteit van Göttingen, in het laboratorium voor aerodynamica. Hier promoveerde hij in 1919 met zijn werk aan ‘scheepsschroeven met minimaal verlies van energie’. Dit onderzoek werd behandeld in zijn opstel van 1920, “Das Maximum der theoretisch möglichen Ausnutzung des Windes durch Windmotoren” (Theoretisch haalbaar maximum voor het benutten van de wind door windmotoren).

Betz' werk was gebaseerd op eerdere studies door Frederick Lanchester, welke de eerste volledige beschrijving van Lift en Drag (lift en weerstand door wind) bevatte. De formulering was erg complex en kon pas, nadat Ludwig Prandtl een nieuwe versie had geschreven, nuttig gebruikt worden.

De wet van Betz stelt dat, onafhankelijk van het ontwerp van een windturbine, er een maximum van 16/27 (59,3%) van de kinetische energie van de wind omgezet kan worden tot mechanische energie. Zijn boek ‘Wind-Energie und ihre Ausnutzung durch Windmühlen’ (wind energie en het benutten ervan door windmolens), gepubliceerd in 1926, geeft een beeld over de windmolens en het begrijpen van de windenergie van die tijd.

In 1926 werd hij benoemd tot professor in Göttingen. In 1936 nam hij de plaats van Ludwig Prandtl over als directeur van het aerodynamica laboratorium, een positie die hij bekleedde tot 1956. Van 1947 tot 1956 was hij tevens het hoofd van het onderzoek naar hydroninamica aan het Max Planck Instituut.

Betz werd in 1965 onderscheidden met de Carl Friedrich Gauss medaille van de West Duits Technische Academie.

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Hulpmiddelen
Afdrukken/exporteren
In andere talen