Albert Cohen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Albert Cohen (Korfoe, 16 augustus 1895 - Genève, 17 oktober 1981) was een Zwitsers dichter, roman- en toneelschrijver. Zijn werk is erg beïnvloed door zijn joodse geloof. Zijn naam werd ooit genoemd als laureaat van de Nobelprijs voor Literatuur.

Biografie[bewerken]

Abraham Albert Cohen werd geboren in 1895 op het Griekse eiland Korfoe. Hij behoorde er tot de belangrijkste joodse (sefardische) gemeenschap waarvan zijn grootvader voorzitter was. De naam Cohen stamt af van Aäron.

Albert is afkomstig uit een gezin dat zeep produceerde. Als hij vijf jaar is besluiten zijn ouders na een jodenvervolging naar Marseille te verhuizen. Ze beginnen een winkel waar ze eieren en olijfolie verkopen. Deze periode vertelt Albert in zijn boek Le Livre de ma mère. Hij start zijn opleiding in een katholieke privé-school. Op 16 augustus 1905 scheldt een straatventer hem uit voor "vuile jood", wat leidt tot het boek Ô vous, frères humains. Omdat Albert als klein jongetje niet kan weglopen van huis, rent hij naar het station Saint-Charles waar hij zich opsluit in het toilet. Op de muur schrijft hij: "Leve de Fransen!". In 1904 gaat hij naar het lyceum Thiers en in 1909 wordt hij bevriend met Marcel Pagnol. In 1913 behaalt hij zijn diploma van de middelbare school, met als opmerking "redelijk goed".

In 1914 verlaat Albert Cohen Marseille en trekt naar Genève. In oktober schrijft hij zich daar in aan de faculteit rechten. Vanaf dat moment zet hij zich voor het zionisme, maar hij zal nooit in Israël komen. Hij haalt zijn diploma in 1917 en schrijft zich in aan de faculteit letterkunde, waar hij zal blijven tot 1919. In 1919 neemt hij de Zwitserse nationaliteit aan (hij was Ottomaans). Hij probeert, zonder succes, advocaat te worden in Alexandrië. In hetzelfde jaar trouwt hij met Elisabeth Brocher. In 1921 bevalt zij van hun dochter, Myriam. Elisabeth overlijdt in 1924 ten gevolge van kanker. In 1925 neemt Albert de leiding van la Revue juive in Parijs. Tot de redactieraad behoren ook Albert Einstein en Sigmund Freud. Van 1926 tot 1931, bekleedt hij de functie van ambtenaar verbonden aan 'la Division Diplomatique' van het Internationale Arbeidsbureau in Genève. Hij zal in deze ervaring de inspiratie vinden voor de wereld van Adrien Deume en Solal des Solal in zijn boek Belle du Seigneur. In 1931 hertrouwt hij met Marianne Goss, van wie hij later zal scheiden. Op het moment van de Duitse invasie in mei 1940, vlucht Albert naar Bordeaux en later naar Londen.

In 1941 stelt hij voor om de politieke en intellectuele Europese belangrijke personen die gevlucht waren naar Londen te hergroeperen in een internationaal geallieerde commissie. Dit is een commissie van voorstanders van het zionisme die willen strijden voor een joodse staat, als de vrede eenmaal hersteld is. De joodse leiders kiezen er inderdaad voor om alle inspanningen te leveren om de joden van Europa te redden met het risico zelf hun politieke toekomst op te geven. De langdurige ‘propaganda’-strategie van Cohen is dus niet langer actueel. Daarenboven beseft de Jewish Agency, op het ogenblik dat de Verenigde Staten deelnemen aan de oorlog, dat de toekomst van het zionisme eerder afhankelijk zal zijn van Amerika dan van Europa. Cohen krijgt zo de taak van de Jewish Agency om voor Palestina contacten te leggen met de regeringen in ballingschap. Hij ergert zich snel aan het wantrouwen van de superieuren van de Jewish Agency. In januari 1944 neemt hij ontslag, erg ontgoocheld in de zionistische beweging. Op 10 januari 1943 overlijdt de moeder van Cohen in Marseille. Datzelfde jaar ontmoet hij zijn toekomstige derde vrouw, Bella Berkowich. In 1944 wordt hij juridisch raadgever bij de internationale regeringscommissie voor vluchtelingen waartoe onder andere Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten behoren. Hij krijgt de taak om het internationaal akkoord van 15 oktober 1946 betreffende het statuut en de bescherming van vluchtelingen uit te werken.

In 1947 keert Cohen terug naar Genève. Hij wordt directeur van één van de gespecialiseerde instellingen van de Verenigde Naties. In 1957 weigert hij het aanbod om ambassadeur van Israël te worden zodat hij zich meer kan toeleggen op zijn literaire leven. In de jaren ’70 heeft hij te kampen met een depressie en in 1978 dreigt hij tenonder te gaan aan anorexia. Met deze dood, die hij sinds zijn geboorte ieder moment kan verwachten, kan hij geen vrede nemen. Daarom verandert hij na zijn tachtigste zijn levenswijze radicaal en gebruikt hij de jaren die hem nog resten om in de voetsporen van zijn goede vriend Pagnol te treden en zijn werken te promoten. Hij publiceert zijn ‘Carnets 1978’ en staat interviews toe. Een exclusief televisie-interview van Bernard Pivot, gefilmd op zijn Geneefse eigendom in de Krieglaan 7, zet hem in de spotlights van het literaire wereldje. Er wordt eindelijk een nummer van Magazine littéraire aan hem gewijd.

In mei 1981 publiceert hij zijn laatste tekst in Le Nouvel Observateur als ultieme eerbetoon aan de liefde die zijn vrouw voor hem koestert. Hij vermeldt er ook zijn angst voor de dood in, die hem tot het einde van zijn leven zal achtervolgen.

Op 4 oktober 1981 breekt hij een rib. De kwetsuur wordt erger vanwege bloedarmoede en een bronchopneumonie. Albert Cohen overlijdt op 17 oktober op 87-jarige leeftijd. Hij wordt begraven op het Cimetière israélite de Veyrier, bij Genève.

Oeuvre[bewerken]

In 1921 publiceert hij Paroles juives, een dichtbundel. Later, in 1930, publiceert hij de roman Solal, het eerste deel van een reeks boeken die hij als titel wilde geven “La geste des juifs” of “Solal et les Solal”. De roman, die als het ware Belle Du Seigneur aankondigt, vertelt over de jeugd van een jonge Griek op het eiland Célaphonie, alsook over zijn eerste liefdes. Het boek krijgt in Frankrijk uitzonderlijk lovende kritieken. Zijn werk is vertaald in verschillende talen en kent een wereldwijd succes. New York Herald Tribune rept van “een verbazingwekkend oeuvre”. In New York Times wordt Cohen beschreven als James Joyce, Erskine Caldwell en Rabelais samengebracht, met daarenboven de magie van Mille et Une Nuits. De Engelse, Oostenrijkse, Italiaanse en Zwitserse critici uiten zich op dezelfde manier. In 1938 volgt Mangeclous. Aan de analyses van gevoelens worden de misleidende opmerkingen van de Volkerenbond toegevoegd. Na 16 jaar stilte brengt Cohen in 1954 Le livre de ma mère uit, een aangrijpend portret over iemand die een gewoon, maar tegelijkertijd ook zeer goed mens is en die hij later nog eens zal vermelden in Carnets (1978).

Belle du seigneur[bewerken]

1968 is het jaar van de bevestiging voor Albert Cohen, het jaar waarin hij zijn meesterwerk publiceert. Belle du Seigneur wordt bekroond met de Grand Prix van de Académie Française. In 1970 wordt hij tot ridder van la Légion d'honneur (het Erelegioen) benoemd. Belle du Seigneur wordt door sommigen, onder wie Joseph Kessel, als de centrale roman van de Franse literatuur beschouwd. Het is een tijdloze lofzang aan de vrouw, een onderwerp van fascinatie en wanhoop voor de auteur. De verleidingsles, die Solal gaf aan Ariane in hoofdstuk XXXV, boort de hoop op een liefde die niet op een oorlogsstrategie gebaseerd is, nog sneller en meedogenlozer de grond in dan Les liaisons dangereuses. Het boek is een groot succes.

Werken[bewerken]

Voetnoten en referenties[bewerken]

1. ↑ Alain Schaffner Philippe Zard, Albert Cohen dans son siècle, Le Manuscrit, 2003, p 13 2. ↑ Alain Schaffner Philippe Zard, p 13 3. ↑ Alain Schaffner Philippe Zard, p 118

Bibliografie[bewerken]

  • C Auroy, Albert Cohen, une quête solaire, Presses universitaires de la Sorbonne, Paris, 1996
  • B Cohen, Albert Cohen, mythe et réalité, Gallimard, 1991
  • Goitein-Galperin, Visage de mon peuple. Essai sur Albert Cohen, Nizet, Paris, 1982
  • Alain Schaffner, Le Goût de l'absolu. L'enjeu sacré de la littérature dans l'œuvre d'Albert Cohen, Champion, Paris, 1999
  • Alain Schaffner, Philippe Zard, Albert Cohen dans son siècle, Le Manuscrit, 2003 ISBN 2748155637
  • Gérard Valbert, Albert Cohen, ou le Pouvoir de vie, L'Âge d'homme, Lausanne-Paris, 1981