Aleksander Jegorov

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Aleksander Jegorov

Aleksander Iljitsj Jegorov (Russisch: Александр Ильич Егоров) (Boezoeloek, Oblast Orenburg, 25 oktober 1883Moskou, 23 februari 1939) was een Maarschalk van de Sovjet-Unie en slachtoffer van Jozef Stalinsgrote zuiveringspolitiek’.

Biografie[bewerken]

Jegrorov was van boerenkomaf en trad in 1901 in dienst van het tsaristische leger. Tijdens de Eerste Wereldoorlog klom hij op tot de rang van Luitenant-Kolonel en raakte hij vijfmaal gewond. Na de Russische Revolutie (1917) werd hij commandant in het Rode Leger. Tijdens de Russische Burgeroorlog verdedigde hij als bevelhebber van het 10e leger met succes de stad Tsaritsyn om later in de Oekraïne als commandant van het 14e leger de Witten van Denikin te bestrijden. Hij nam in 1920 deel aan de Slag van Warschau en verdedigde later dat jaar met succes het net door de Bolsjewieken ingenomen Zuiden van de Oekraïne.

Van 1925 tot 1927 werd Jegorov uitgezonden naar China en in 1927 werd hij oppercommandant van het Wit-Russische-leger. In 1931 werd hij chef van de generale staf van het Sovjetleger, in 1934 werd hij gekozen in het Centraal Comité van de Communistische Partij en in 1937 volgde een benoeming als plaatsvervangend Minister van Defensie. Hoogtepunt van zijn carrière was zijn benoeming in 1935 tot een van de vijf Maarschalken van de Sovjet-Unie.

In 1937 werd Jegorov gedwongen plaats te nemen in een tribunaal dat tijdens een schijnproces te Moskou acht hooggeplaatste militairen ter dood veroordeelde, waaronder collega-maarschalk Michail Toechatsjevski en zijn oude 'strijdmakker' Jona Jakir. Op 27 maart 1938 werd Jegorov vervolgens zelf gearresteerd om op 23 februari 1939 te worden geëxecuteerd. Zijn mooie vrouw Galina, die eerder ooit met Stalin had geflirt[1], onderging dat lot reeds een jaar eerder.

Jegorov werd in 1957 gerehabiliteerd, tijdens Chroesjtsjovs ‘dooi’-periode.

Literatuur en bronnen[bewerken]

Noot[bewerken]

  1. Sebag Montefiore, ‘Stalin; het hof van de rode tsaar’, blz. 31