Aleksandr Poesjkin

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Portret van Poesjkin door Orest Kiprenski, 1827

Aleksandr Sergejevitsj Poesjkin (Russisch: Александр Сергеевич Пушкин) (Moskou, 6 juni 1799Sint-Petersburg, 10 februari 1837, of 26 mei 179929 januari 1837 volgens de juliaanse kalender) was een Russisch dichter. Poesjkin wordt algemeen beschouwd als de grootste Russische dichter, en tevens als één van de grootste dichters uit de wereldliteratuur. Samen met andere grote Russische schrijvers, zoals Lermontov, Gogol, Toergenjev, Tjoettsjev, Dostojevski, Tolstoj en Tsjechov behoort Poesjkin tot de zogenoemde gouden eeuw van de Russische literatuur.

Leven[bewerken]

Poesjkin werd geboren in Moskou als zoon van een (verarmd) adellijk geslacht. Zijn overgrootvader langs moederszijde was Abram Petrovitsj Gannibal (1696-1781), een adoptiefzoon van tsaar Peter de Grote en Catharina I, die als achtjarig Ethiopisch jongetje als geschenk was gegeven aan de tsaar. Dikwijls werden het hartstochtelijke temperament en de sensualiteit van Aleksandr Poesjkin aan deze 'negroïde' afstamming toegeschreven.

In zijn kinderjaren werd Poesjkin bijna volledig in het Frans opgevoed. Doordat hij over een goed geheugen beschikte, kende hij op zijn elfde veel van de toenmalige Franse literatuur uit zijn hoofd. Het is door zijn kindermeisje, zijn 'njanja', dat hij met de Russische taal, sprookjes en volksverhalen vertrouwd raakte. De bewerking van één van deze sprookjes, Roeslan en Ljoedmila, maakte hem op jonge leeftijd in heel Rusland beroemd.

In 1811 begon Poesjkin zijn studies aan het door de tsaar opgerichte Tsarskoje Selo-lyceum, nabij Sint-Petersburg. Zijn talent als dichter werd er vlug opgemerkt. Na zes gelukkige jaren in het lyceum stortte Aleksandr Poesjkin zich in het uitgaansleven van Sint-Petersburg. Zijn turbulente liefdesleven belette hem niet om zich verder aan de dichtkunst te wijden.

In het tsaristische Rusland was de censuur echter streng en de pen van Poesjkin vlijmscherp. Zijn doen en laten werden nauwlettend gevolgd en een gedicht zoals Ode aan de vrijheid (1818) en talrijke epigrammen circuleerden in vrijheidsgezinde en anti-tsaristische kringen. In 1820 werd Poesjkin verbannen uit Sint-Petersburg. Dit redde waarschijnlijk zijn leven, want het heeft hem belet om, zoals vele van zijn literaire vrienden, deel te nemen aan de Dekabristenopstand van 1825.

Tijdens zijn ballingschap op het platteland schreef Poesjkin een groot deel van zijn meesterwerk Jevgeni Onegin. In 1826 hief tsaar Nicolaas I onder strikte voorwaarden zijn verbanning op. Aleksandr Poesjkin keerde terug naar Sint-Petersburg, maar was min of meer een 'gevangene' van de tsaar.

Na talloze amoureuze escapades trouwde Poesjkin in 1831 met Natalja Gontsjarova, zijn '113de liefde', zoals hij haar zelf noemde, maar ook zijn 'Madonna'. Natalja schonk hem vier kinderen: Maria (°1832), Alexander (°1833), Grigori (°1835) en Natalya (°1836). Deze laatste was morganatisch getrouwd, in het Koninklijke huis van Nassau met Nicolaas Wilhelm van Nassau en werd Gravin van Merenberg. Het huwelijk tussen Aleksandr en Natalja schijnt gelukkig geweest te zijn, ware het niet dat de jaloersheid van Poesjkin hem parten speelde. Het is een vermeende 'affaire' van Natalja die de directe aanleiding was tot het fatale duel van Poesjkin met de stiefzoon van de Nederlandse gezant Georges d'Anthès. Hoewel velen er toen en ook nu nog een complot van de regering in zagen. Aleksandr Sergejevitsj Poesjkin stierf ten gevolge van dit duel op 29 januari 1837. De Nederlandse gezant J.D.B.A. baron van Heeckeren verliet vanwege de verbanning van zijn stiefzoon zelf ook Rusland.

Werk[bewerken]

Naast een uitgebreide lyriek met vele liefdes- en andere gedichten, zoals Ik had je lief, Nacht, Winteravond en Herfst, heeft Poesjkin ook proza nagelaten, zoals De kapiteinsdochter, De geschiedenis van Poegatsjov en Schoppenvrouw.

Van Poesjkins werk zijn enkele opera's gemaakt. Modest Tsjaikovski werkte Schoppenvrouw om tot een operalibretto, waarbij diens broer Pjotr Iljitsj Tsjaikovski de muziek schreef. Tsjaikovski zette ook Jevgeni Onegin op muziek, de tekst was voor dit doel omgewerkt door de componist in samenwerking met Konstantin Sjilovski. Van Boris Godoenov maakte Modest Moessorgski een "muzikaal volksdrama in vier bedrijven en een proloog". Twee Russische componisten zetten Roeslan en Ljoedmila op muziek: als opera door Michail Glinka in 1842, als het orkestwerk Skazka door Nikolaj Rimski-Korsakov in 1880. Mozart en Salieri uit de vier Kleine Tragediën werd in 1897 eveneens door Rimski-Korsakov als stof voor een opera, met behoud van de titel, gebruikt. Kort voor diens overlijden in 1908 maakte hij van Poesjkins De gouden haan eveneens een opera (1906/07). De vriend van Diaghilev, de dichter, librettist en danser Boris Kochno, schreef in 1921 op basis van Het huisje in Kolomna het libretto van Mavra, een opera buffa gecomponeerd door Igor Stravinsky.

Nog steeds wordt Aleksandr Poesjkin in de Russische wereld en daarbuiten vereerd en gelezen. Vanaf zeer jonge leeftijd horen de kinderen zijn poëzie in Russische sprookjes, maar ook door volwassenen wordt hij veel gelezen omwille van zijn vloeiende, muzikale taal.

Bibliografie[bewerken]

Proza[bewerken]

  • 1827 De moor van Peter de Grote (onvoltooid)
  • 1831 Verhalen van wijlen Ivan Petrovitsj Belkin (verhalenbundel)
    • Wijlen Ivan Petrovitsj Belkin
    • Het schot
    • De sneeuwstorm
    • De doodkistenmaker
    • De stationhouder
    • Het boerenfreuletje
  • 1834 Schoppenvrouw (kort verhaal)
  • 1834 Kirdzjali (kort verhaal)
  • 1834 De geschiedenis van Poegatsjovs opstand
  • 1836 De kapiteinsdochter (historische roman)

Poëzie[bewerken]

  • 1817 Vrijheid
  • 1818 Aan Tsjaadajev
  • 1820 Roeslan en Ljoedmila
  • 1821 De gevangene van de Kaukasus
  • 1823 De fontein van Bachtsjisaraj
  • 1824 Zigeuners
  • 1825 Graaf Noelin
  • 1829 Poltava
  • 1830 Mijn stamboom (gedicht als antwoord op de laster, gericht op zijn afkomst)
  • 1830 Het kleine huis in Kolomna
  • 1830 De vertelling van de priester en zijn knecht Balda
  • 1831 De vertelling van tsaar Saltan
  • 1832 Jevgeni Onegin (roman in verzen)
  • 1833 Angelo
  • 1833 De bronzen ruiter
  • 1833 De vertelling van de visser en de vis
  • 1833 Het verhaal van de dode prinses
  • 1834 De vertelling van de gouden haan

Drama[bewerken]

  • 1830 Kleine tragediën
  • 1831 Boris Godoenov

Non-fictie[bewerken]

  • 1830 De dichter en de massa

Bronnen[bewerken]