Alfoeren

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Alfoeren
Alfoeren, vermoedelijk Alune, in de bergen van Ceram.
Alfoeren, vermoedelijk Alune, in de bergen van Ceram.
Verspreiding Melanesië, Micronesië
Geloof Animisme (religie), Metafysica, Totemisme, Volksgeloof
Verwante groepen Alune, Molukkers, Melanesiërs
Portaal  Portaalicoon   Landen & Volken

De Alfoeren - ook wel geschreven als (H)al(i)furu, (h)al(i)foeren - zijn een bevolkingsgroep in Indonesië. Met de Alfoeren worden de oorspronkelijke stammen uit de binnenlanden van Buru en Ceram in de Zuid-Molukken, Halmahere in de Noord-Molukken, Celebes en ook op sommige Kleine Soenda-eilanden bedoeld in de koloniale tijd. De Alfoeren behoren tot de bevolkingsgroep waartoe ook de Negrito's, Papua's en andere bevolking van Melanesië behoren. Tegenwoordig wordt het woord nog steeds gebruikt door de Molukkers om hun oorsprong aan te duiden.

Term[bewerken]

De oorspronkelijke bewoners van de Molukken verwezen naar zichzelf als Harafura of Alfura.[1] Hiermee onderscheidden ze zich van de christenen en mohammedanen in het gebied.[2] Toen de Nederlandse kolonialisten in de zeventiende eeuw de Molukken bereikten, namen ze deze benaming over als ‘Alfoeren’.[3] De term werd door de Nederlanders gebruikt ter aanduiding van de ongekerstende en ongeïslamiseerde autochtone eilandbevolking in de Grote Oost. Hiermee werd deze bevolking onderscheiden van de overwegend islamitische handelaren en andere zeevaarders die zich in de loop der tijden op de kusten hadden gevestigd.[4]

Er bestaan verschillende theorieën over het ontstaan van de term:

  • Alif, ألف, is de eerste letter van het Arabische alfabet. Uru wordt beweerd Mens te betekenen.[bron?]
  • Tegenwoordig wordt het meest waarschijnlijk geacht dat de term afkomstig is uit het Tidorees. ‘Hale’ betekent in deze taal ‘land’ en ‘furu’ staat voor ‘wild’ of ‘primitief’.[5]

Tegenwoordig komt de term ‘Alfoer’ niet meer voor in de Nederlandse administratieve en wetenschappelijke literatuur. Dit is te verklaren door het feit dat de Nederlandse rol in Indonesië aan het begin van de 20ste eeuw sterk is afgenomen. Het woord ‘alifuru’ wordt, zoals gezegd, nog wel door Molukkers gebruikt om hun oorsprong aan te duiden.[6]

Cultuur[bewerken]

Voedsel[bewerken]

De Sagopalm

De Alfoeren uit de binnenlanden wonen in het oerwoud als jagers en verzamelaars. Het dieet van deze stammen is opgebouwd rondom de sagopalm. Elk deel van deze boom wordt gebruikt: van het merg wordt meel gemaakt, de schors wordt gebruikt als vloer en muren van woningen, de bladeren worden gebruikt als dak van hun boomhuizen en paalwoningen en van de kleinere bladeren worden touwen geweven. Verder eten ze bepaalde kruiden en vruchten van de bomen. Alfoeren die aan de kuststreek wonen leven, naast van de jacht, ook van visserij.[7] Van alleen de jacht kan de Alfoer niet leven dus daarnaast houden zowel de Alfoeren in het binnenland als de Alfoeren aan de kust zich ook bezig met landbouw. De Alfoeren hebben echter maar weinig landbouwkennis en plegen daarom roofbouw.[8]

Tjakalele[bewerken]

Honitetoe-Alfoeren dansen de tjakalele (Piru, Ceram; 1912)

De tjakalele is de traditionele krijgsdans uit de Molukken waarin dansers met gebruik van een langwerpig schild (salawaku) en de parang (kapmes) hun vaardigheid als krijgers tonen. De verschillende volken die met de verzamelnaam Alfoeren worden aangeduid kennen allemaal verschillende soorten dansen. De tjakalele is de enige dans die door alle Alfoeren beoefend wordt.[9] De tjakalele werd oorspronkelijk gedanst door de Alfoeren ter voorbereiding op de strijd, maar werd later ook getoond bij belangrijke ceremonies en plechtigheden. De dans bestaat uit een aantal patronen en schijngevechten. Er zijn vele versies en varianten van de tjakalele, dit in overeenstemming met de diversiteit van de Molukken. De traditionele tjakalele wordt ook wel Tjakalele Alifuru genoemd. Hierbij wordt een spiegelgevecht uitgevoerd waarbij de dansers al huppelend beurtelings hun armen en benen opheffen terwijl ze in de linkerhand het schild en in de rechterhand de parang vasthouden. Zo nu en dan wordt er een strijdkreet geslaakt. De dans wordt begeleid door gongs, tifa’s (kegelvormige trommels) en tahoeri’s (kinkhoorns met een gat bij de punt waar je doorheen blaast). Hiervoor geldt: hoe meer kabaal hoe beter.[10]

Tegenwoordig wordt de tjakalele op de Molukken nog steeds uitgevoerd bij belangrijke ceremonies.

Kledij[bewerken]

Alune en Wemale zijn de oudste Alfoerenstammen van de Molukken. De stammen zijn naar hun kleding vernoemd. Ze zochten allebei iets om hun lichaam te bedekken. Diegenen die de “ai loine” (bladeren) namen om hun lichaam te bedekken vormden later een groep en zij noemden zich: de Alune-stam. De anderen die de “ai wemale” (schors van de wemaleboom) namen vormden een andere groep en noemden zich de Wemale-stam. Tegenwoordig dragen de Alfoeren andere kleding. Dit is bijvoorbeeld te zien bij de Alfoerse gemeenschappen in Midden-Ceram. Zij dragen een doek om hun middel, de zogenaamde tjikado, en een traditionele rode hoofddoek op hun hoofd als een soort tulband.

Religie[bewerken]

De Alfoeren beoefenen een natuurgodsdienst waarbij voorouderverering centraal staat. Een kenmerk van de religie is het animisme – het geloof dat geesten zich in allerlei voorwerpen bevinden. Daarnaast geloven ze ook in mana, een bovennatuurlijke kracht of substantie. De Alfoeren menen dat bloed de drager van mana is waardoor bij offers aan de geesten vrijwel altijd bloedvergieten te pas komt.[11] De offers die gebracht worden kunnen zowel dieren als mensen zijn. Een hoofd van een mens is in de cultuur van de Alfoeren het hoogste wat geofferd kan worden. Het hoofd wordt namelijk gezien als de zetel van de zintuigen en Alfoeren staan dan ook bekend om het koppensnellen.[12] Naast geesten worden ook de zon en de maan vereerd. Zo is het gebruikelijk dat menstruerende vrouwen zich gedurende drie dagen afzonderen in een hutje omdat ze anders de toorn van de maangodin over zich afroepen. Op materieel niveau zien we dat Alfoeren gebruik maakten van amuletten tijdens het vechten. Deze werden geacht de Alfoeren te beschermen in de strijd. Vaak werden ook de wapens waarmee ze ten strijde trokken gezegend.[13] Tot slot speelde wichelen een belangrijke rol in het leven van de Alfoer. Ze gebruikten deze methode om uit te vinden of een onderneming kans van slagen had.[14]

Tegenwoordig heeft een groot deel van de Alfoeren zich bekeerd tot het christendom en de islam. Slechts 2% houdt nog het oude geloof aan.[15]


Voetnoten

  1. R.G. Latham, ‘On the Pagan (Non-Mahometan) Populations of the Indian Archipelago, with Special Referenceto the Colour of Their Skin, the Texture of Their Hair, and the Import of the Term Harafura’, Transactions of the Ethnological Society of London, Vol. 1 (1861) 204.
  2. Ibidem. 206.
  3. Ibidem.
  4. members.home.nl/cgf.de.jong/Amahai.pdf
  5. M. J. van Baarda, Woordenlijst. Galelareesch-Hollandsche. Met ethnologische aanteekeningen, op de woorden, die daartoe aanleiding gaven Martinus Nijhoff, `s-Gravenhage, 1895.
  6. D. Bartels, In de schaduw van de berg Nunusaku: een cultuur-historische verhandeling over de bevolking van de Midden-Molukken (Utrecht 1994) 434.
  7. F.J.P. Sachse, Het eiland Seran en zijne bewoners (Leiden 1907)125.
  8. Ibidem. 124.
  9. Ibidem. 159-163.
  10. G. de Vries, Bij de Berg-Alfoeren op West-Seran. Zeden, gewoonten en mythologie van een oervolk (Zutphen 1927) 71-72.
  11. Ibidem. 58-59.
  12. Ibidem. 69.
  13. Ibidem. 58.
  14. Ibidem. 74.
  15. Het AlifURU volk

Bronnen

  • Bartels, D., In de schaduw van de berg Nunusaku: een cultuur-historische verhandeling over de bevolking van de Midden-Molukken (Utrecht 1994).
  • Jong, C.G.F.de, ‘Kerk, adat en theologie : een korte geschiedenis van Amahai, een christelijke negorij op Ceram, 1600-1935’ in: L. Brussee-van der Zee, A. Verbeek, P. Visser en R. Winsemius (red.),Balanceren op de smalle weg. Liber Amicorum voor Kees van Duin, Alle Hoekema en Sjouke Voolstra (Zoetermeer 2002) 313-332.
  • Latham, R.G., ‘On the Pagan (Non-Mahometan) Populations of the Indian Archipelago, with Special Referenceto the Colour of Their Skin, the Texture of Their Hair, and the Import of the Term Harafura’, Transactions of the Ethnological Society of London, Vol. 1 (1861), pp. 202-211.
  • Liong, L.S. en W. Schroevers, Maluku: geografie en geschiedenis van de Molukken sinds het kolonialisme (Amsterdam 1988).
  • Sachse, F.J.P., Het eiland Seran en zijne bewoners (Leiden 1907).
  • Vries, G. de, Bij de Berg-Alfoeren op West-Seran. Zeden, gewoonten en mythologie van een oervolk (Zutphen 1927).