Algemeen Christelijk Werknemersverbond

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het Algemeen Christelijk Werknemersverbond (ACW) is de benaming voor de Koepel van de christelijke werknemersorganisaties in Vlaanderen. Het ACW groepeert onder meer het ACV en de CM.

Structuur[bewerken]

In de koepel van het ACW zitten onder meer:

  • ACV, het Algemeen Christelijk Vakverbond;
  • CM, de Christelijke Mutualiteit;
  • KAJ, de jongerentak (Kristelijke Arbeidersjongeren);
  • Femma, de sociaal-culturele vrouwentak, tot 2012 gekend onder de naam Katholieke Arbeidersvrouwen (KAV);
  • KWB, de sociaal-culturele gezinstak (Kristelijke Werknemersbeweging);
  • OKRA, de sociaal-culturele tak voor de gepensioneerden, tot 2006 gekend onder de naam Kristelijke Beweging voor Gepensioneerden (KBG);
  • WS, Wereldsolidariteit, ACW internationaal;
  • Groep Arco, de coöperatieve holding;
  • Familiehulp, een dienst voor gezinszorg (thuiszorg) in Vlaanderen;
  • Pasar, sinds 2008 de opvolger van Vakantiegenoegens, een organisatie die zich inzet voor betaalbare recreatie dichtbij.

Het ACW organiseert het overleg tussen de verschillende deelorganisaties, voert gezamenlijke campagnes en acties en geeft Visie, het weekblad van de christelijke arbeidersbeweging, en het maandblad Pasar, uit.

Daarnaast staat het ACW in voor de relaties met de politiek. Het onderhoudt nauwe banden met ACW-mandatarissen binnen de christendemocratische CD&V. Zie meer hierover onder 'Band met de politiek'.

Geschiedenis[bewerken]

Rerum Novarum (1891)[bewerken]

Op het einde van de 19de eeuw kent West-Europa een zeer sterke industrialisering en verstedelijking. Tegen die achtergrond ontstaan het socialisme en de moderne arbeidersbeweging. Deze nieuwe sociale bewegingen brengen arbeiders samen en streven naar ontvoogding. Ze willen een einde maken aan de sociale en economische uitbuiting en eisen politieke rechten op voor de werkende massa.

De katholieken zien de opkomst van het socialisme met lede ogen aan en reageren door eigen arbeidersorganisaties op te richten. Ook zij streven naar meer sociale en politieke rechten voor de arbeiders, maar willen hen tegelijk uit de invloed houden van het in hun ogen te revolutionaire en vrijzinnige socialisme. Wanneer paus Leo XIII in zijn encycliek Rerum Novarum in 1891 oproept tot 'katholieke sociale actie', krijgt hij een grote respons in België.

Onder invloed van het socialisme en van Rerum Novarum verandert de visie van de katholieken op de sociale situatie van de arbeiders. De armoede van de werkende klasse werd vroeger afgedaan als een probleem waar de arbeider in de eerste plaats zelf schuld aan had, door een gebrek aan morele waarden en spaarzaamheid. Nu wordt de sociale achteruitstelling van de arbeiders serieus genomen en erkent men ook het recht van de arbeider om zichzelf te organiseren.

In 1891 wordt zo de Belgische Volksbond opgericht. Van bij het begin onderscheidt de beweging zich duidelijk van de socialisten. De katholieke arbeiders prediken geen revolutie, maar kiezen voor samenwerking tussen arbeid en kapitaal. Dat verschil in visie laat zich tot vandaag voelen, zij het minder uitgesproken. Het christelijke ACV kiest vandaag nog steeds nadrukkelijker voor sociaal overleg, dan het socialistische ABVV, dat sneller naar het stakingswapen grijpt bij sociale conflicten.

Uitbouw van een echte beweging[bewerken]

Onder impuls van Rerum Novarum en de Belgische Volksbond worden her en der in België plaatselijke verenigingen uitgebouwd: de verenigingen van onderlinge bijstand, de vakverenigingen en de werkliedenbonden.

Van onderlinge bijstand tot mutualiteit[bewerken]

De verenigingen van onderlinge bijstand zijn mutualiteiten, waarmee arbeiders zich proberen te wapenen tegen ziekte en invaliditeit. De verenigingen krijgen op het einde van de 19de eeuw een wettelijk kader en worden bovendien door de overheid gesubsidieerd, waardoor ze een explosieve groei kennen. Het principe is eenvoudig. Arbeiders betalen een kleine bijdrage aan een 'ziekenkas'. Zo wordt een spaarpot opgebouwd voor wie zonder werk valt door ziekte of invaliditeit. Die kan dan genieten van een uitkering. In het begin hebben de mutualiteiten nog een uitgesproken paternalistisch karakter. De kassen beheren de fondsen voor de arbeiders zonder dat die daar zelf veel medebeslissingsrecht in krijgen. Geleidelijk moet dat paternalisme echter wijken voor echte inspraak van de arbeiders. De mutualiteiten evolueren van paternalistische organisaties naar coöperatieve verenigingen.

Van vakverenigingen tot vakbonden[bewerken]

De vakverenigingen krijgen in het begin, dus op het einde van de negentiende en in het begin van de twintigste eeuw, te maken met grote tegenstand. Ze willen de arbeidsvoorwaarden van de arbeiders verbeteren en komen daardoor in conflict met de patroons, die ook veelal katholiek zijn en al hun invloed aanwenden om het christelijke middenveld te kortwieken. De pater dominicaan Georges Rutten weet het katholieke verzet in 1904 te doorbreken. Hij voert propaganda voor de vakbonden en erkent de staking als legitiem wapen in de strijd voor sociale vooruitgang. Onder zijn impuls ontstaan er steeds meer plaatselijke vakverenigingen. Die verenigen zich geleidelijk in nationale beroepsverbonden per sector, de centrales, bijvoorbeeld voor steenkool, textiel of metaal. In 1912 verenigen die zich op hun beurt in het Algemeen Christelijk Vakverbond (ACV).

Van werkliedenbonden tot koepelbeweging[bewerken]

Een derde pijler van de christelijke arbeidersbeweging groeit aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, de werkliedenbonden. Deze verenigingen ontstaan uit het groeiende zelfbewustzijn van de arbeidersklasse. Die wil niet alleen een volwaardige plaats in het bedrijf, maar eist ook erkenning buiten de fabriekspoorten, met name in de cultuur en in de politiek. De werkliedenbonden willen aan volksontwikkeling doen en tegelijk ijveren voor meer inspraak van de arbeiders binnen de katholieke partij. Ook hier speelt pater Rutten de rol van inspirator en leidende figuur. De werkliedenbonden zullen uiteindelijk ook de aanzet vormen voor de stichting van het ACW.

Democratisering na Eerste Wereldoorlog[bewerken]

De ontwikkeling van de christelijke arbeidersbeweging komt in een stroomversnelling na het einde van de Eerste Wereldoorlog. Met name de invoering van het algemeen stemrecht (voor mannen) en van het recht op staken zorgen voor een steile groei van de beweging. Veel aandacht gaat uit naar de verdere uitbouw van de werkliedenbonden, waarmee de arbeiders een volwaardige plaats in het politieke spectrum willen verwerven. Uiteindelijk wordt de Belgische Volksbond opgeheven en vervangen door het Algemeen Christen Democratisch Verbond, een koepel van vakverenigingen, werkliedenbonden, mutualiteiten, coöperaties en vrouwenverenigingen. Die laatste twee staan dan nog in hun kinderschoenen. Het nieuwe verbond dreigt echter ten prooi te vallen aan interne twisten over welke de te volgen strategie is om arbeiders meer maatschappelijke inbreng te bieden. De West-Vlaamse priester Louis Colens pleit ervoor dat de werkliedenbonden niet langer naast de vakbonden en mutualiteiten zouden bestaan, maar als een overkoepelende structuur. Zo wilde hij versnippering vermijden en volksontwikkeling, vakbondswerk en ziekenfondsen verenigen in één beweging. De visie van Colens haalt het uiteindelijk. De werkliedenbonden worden omgedoopt tot 'werkersverbonden' en op een congres in juli 1921 verenigen ze zich in het Algemeen Christelijk Werkersverbond (ACW).

Interbellum[bewerken]

Het ACW profileert zich van bij zijn ontstaan heel nadrukkelijk als een organisatie met politiek karakter. Nog in 1921 ondergaat de katholieke partij een grondige hervorming. De partij zal zich voortaan organiseren volgens het principe van de standenvertegenwoordiging. Dat leidt tot de oprichting van de Katholieke Unie, waarin het ACW, de Boerenbond en de organisaties van de middenstand en van de burgerij zijn opgenomen. Het ACW zal zich van bij het begin via haar parlementsleden en ministers zeer zelfstandig opstellen, tot op vandaag. Naast de politiek blijft de volksontwikkeling een zeer belangrijke pijler van de beweging. Met het oog daarop worden heel veel nieuwe initiatieven uit de grond gestampt. Het ACW start onder meer de Sociale School van Heverlee op, start de Sociale Werken en brengt het kaderblad de Gids op Maatschappelijk Gebied uit. Al die nieuwe initiatieven kosten geld. Daarom bouwt het ACW ook een hele resem coöperatieve ondernemingen uit: spaarkassen, verzekeringen, bakkerijen, winkels ... Die bieden voordelige formules of producten voor de leden en voorzien de beweging tegelijk van de nodige financiële middelen om haar werking draaiende te houden. Bekende voorbeelden zijn de Welvaart-winkels, de spaarkassen van de Belgische Arbeiderscoöperatie (BAC, later BACOB en inmiddels overgenomen door Dexia) en De Volksverzekeringen (DVV, overgenomen door Dexia). In dezelfde periode ontstaan nieuwe sociale organisaties die zich ook bij het ACW aansluiten, zoals de jeugdorganisaties KAJ en VKAJ onder impuls van priester Jozef Cardijn en de KAV. De coördinatie door het ACW is in die periode echter nog relatief beperkt.

Nieuwe politieke en sociale rol[bewerken]

Na het einde van de Tweede Wereldoorlog wordt het ACW grondig hervormd. De beweging voelt de nood aan een aparte vormingsorganisatie voor volwassen arbeiders. De KWB was al actief van in de jaren 30 en was tijdens de voorbije oorlogsjaren opgetreden als vervangorganisatie voor ACV en ACW, die door de Duitse bezetter verboden waren. Na de oorlog wordt de KWB erkend als aparte organisatie en zal ze zich toeleggen op de vormingswerking binnen de beweging. Tegelijk wordt de katholieke partij opnieuw grondig vernieuwd. Om verdeeldheid en instabiliteit tegen te gaan wordt het principe van de standenvertegenwoordiging losgelaten. Zo ontstaat in 1945 de CVP. Het ACW maakt daardoor als dusdanig geen deel meer uit van de partij. De organisatie zal zich meer toeleggen op zijn coördinatie-opdracht, die tot dan maar schoorvoetend vervuld werd. Die coördinatie wordt verstevigd. Daar was nood aan door het toegenomen aantal lidorganisaties. De coöperatieve beweging wordt eveneens uitgebouwd tot een zelfstandige organisatie binnen het ACW, het Landelijk Verbond van Christelijke Coöperaties (LVCC), dat ondertussen omgedoopt werd tot Groep Arco. Het ACW is vanaf dat moment ook niet langer een unitaire Belgische organisatie, maar splitst zich op in een Vlaamse en een Waalse vleugel. De Vlaamse poot blijft als ACW door het leven gaan. De Franstalige tegenhanger wordt de MOC. Aanvankelijk duwt de hervorming het ACW in een onzekere positie. De coördinatie komt niet echt van de grond, doordat het ACW overvleugeld wordt door ACV en CM, die hun maatschappelijke impact exponentieel zien toenemen. Ze vervullen beiden een belangrijke rol bij de uitbouw van de Belgische sociale zekerheid en zien daardoor hun ledenaantal pijlsnel toenemen. 1949 vormt echter een keerpunt. Het ACW krijgt de opdracht om de politieke actie te coördineren en groeit uit tot één van de belangrijke pijlers van de CVP, ook al maakt het er formeel geen deel van uit. De organisatie zendt via de CVP heel veel belangrijke en invloedrijke politici naar het parlement en de regering. Tegelijk verzorgt het ACW een aantal coördinerende taken op het vlak van communicatie en vorming. In 1944 wordt het weekblad Volksmacht opgericht, dat vandaag als Visie door het leven gaat. Het blad is tot op vandaag het vlaggenschip van de christelijke arbeidersbeweging. Bovendien gaat het ACW zich toeleggen op beleidsdomeinen die niet tot het specifieke terrein van één van de deelorganisaties behoren, zoals huisvesting, onderwijs of vrije tijd. Dat leidt bijvoorbeeld tot de uitbouw van Vakantiegenoegens, een dienst voor sociaal toerisme. Op die manier neemt de maatschappelijke impact van het ACW gestadig toe.

Liberalisering en deconfessionalisering[bewerken]

Vanaf de jaren 70 komt het ACW meer en meer onder druk te staan, enerzijds door een toenemende liberale tendens in de samenleving en anderzijds door een snelle ontkerkelijking. De industrie wordt als economische sector ook minder belangrijk ten voordele van de dienstensectoren. Daardoor loopt het aantal arbeiders terug, terwijl het aantal bedienden, ambtenaren, leerkrachten en welzijnswerkers toeneemt. Het ACW is niet langer een pure arbeidersbeweging en verandert zijn naam in 1985 van Werkersverbond naar Werknemersverbond. Ondanks de maatschappelijke druk weet het ACW zijn politieke en maatschappelijke impact te behouden. De organisatie blijft politieke contacten behouden tot in de hoogste regionen. Premiers Wilfried Martens (in de jaren 80) en Jean-Luc Dehaene (in de jaren 90) zijn bijvoorbeeld prominente ACW-politici. Vandaag stelt het ACW zich uitdrukkelijk op als een pluralistische organisatie, weliswaar vanuit een christelijke inspiratie. Ook niet-gelovigen zijn dus welkom binnen de beweging. In Vlaanderen blijft de christelijke arbeidersbeweging veruit de grootste middenveldorganisatie.

Maatschappijvisie van het ACW[bewerken]

Het maatschappijmodel dat het ACW voorstaat mikt op een vrijemarkteconomie met een stevig sociaal vangnet en een belastingsysteem dat de welvaart herverdeelt in het voordeel van de kansengroepen in de samenleving. Het ACW pleit ook heel uitdrukkelijk voor een tolerante samenleving en zet zich daarbij heel duidelijk af tegenover extreemrechts. Desalniettemin wordt de beweging, zoals alle maatschappelijke actoren, geconfronteerd met een algemeen klimaat van verrechtsing in de samenleving. De politieke overtuiging (en het stemgedrag) van haar achterban strekt zich uit over christendemocraten, socialisten en groenen. Het ACW wordt ook geconfronteerd met een deel van haar achterban die zich tot extreemrechts gewend heeft, al lijkt die evolutie sinds de jongste federale parlementsverkiezingen in 2007 stilaan te keren. De maatschappijvisie van het ACW geldt in het algemeen als centrumlinks. Ze is in het algemeen gestoeld op drie fundamentele pijlers.

Sociale rechtvaardigheid[bewerken]

Iedereen moet gelijke kansen krijgen om zich te ontplooien in de samenleving. Dat betekent gelijke kansen op werk, op gezondheidszorg, op onderwijs, maar ook op vrije tijd. Sociale rechtvaardigheid betekent tegelijk dat iedereen kan terugvallen op een sociaal vangnet wanneer hij of zij ziek wordt, zijn werk verliest (of er geen vindt) of met pensioen gaat. Die gelijke (her)verdeling van rijkdom en kansen gebeurt door middel van:

-belastingen, waarbij de hoogste inkomens ook de hoogste bijdrage leveren. Met dat geld kan de overheid dan iedereen degelijk onderwijs geven, sociale woningen bouwen, een degelijk en betaalbaar openbaar vervoer organiseren enz.

-sociale zekerheid, een vangnet voor wie ziek wordt, zijn werk verliest of met pensioen gaat. Iedereen moet hieraan meebetalen volgens de hoogte van zijn inkomen.

Sociale rechtvaardigheid kan alleen als iedereen dezelfde kansen op ontplooiing en sociale bescherming krijgt en wanneer de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen.

Participatie en inspraak[bewerken]

Participatie geeft mensen de kans om deel te nemen aan de samenleving en om mee te bepalen welke richting die samenleving uitgaat.

Inspraak is belangrijk. Buurtbewoners weten vaak het best wat de problemen zijn in hun wijk op het vlak van mobiliteit, verkeersveiligheid of betaalbaar wonen. Werkzoekenden weten best wat de obstakels zijn in hun zoektocht naar een job. Zieken weten best welke medische kosten hen in de armoede drijven.

Mensen zullen zich ook gemakkelijker verzoenen met beslissingen als ze hebben kunnen meepraten. De overheid moet luisteren naar de mensen en proberen rekening te houden met de bekommernissen die ze op tafel leggen. Als burgers zelf oplossingen kunnen bedenken voor hun problemen, zullen ze zich minder snel afkeren van overheid en politiek.

Verenigingen kunnen daar een belangrijke rol in spelen. Zij brengen mensen samen en laten hen met elkaar in dialoog treden, ook zij die minder mondig zijn. Zo krijg je voorstellen en oplossingen die verder gaan dan het individuele verlanglijstje van elke individuele burger. Daarom bouwde het ACW ook een netwerk van lokale verbonden en afdelingen uit in heel Vlaanderen.

Duurzame ontwikkeling[bewerken]

Het ACW wil niet alleen vandaag een solidaire, rechtvaardige samenleving. Ook onze kinderen en kleinkinderen moeten daar kunnen van genieten. Daarom moeten we economische, sociale en ecologische behoeften op elkaar afstemmen.

Dat betekent met name dat de samenleving zorg draagt voor het milieu. Bedrijven moeten de milieulast zo veel mogelijk beperken bij het maken van producten. Maar ook de burger moet oog hebben voor het behoud van de natuur. Meer fietsen en minder met de auto rijden. Zo veel mogelijk afval voorkomen en sorteren ...

Duurzame ontwikkeling gaat verder dan alleen de zorg voor het milieu. Het betekent ook dat we de economie menselijker maken. Dat de economie mensen vooruit helpt in plaats van hen uit te persen. Het ACW pleit voor waardig werk. Met menswaardige arbeidstijden en menswaardige lonen. Met menswaardige sociale bescherming wanneer mensen ziek of werkloos worden of met pensioen gaan. En met het recht om zich te verenigen en collectief op te komen voor sociale rechten. Zowel in het Zuiden als in het Noorden.

Band met de politiek[bewerken]

Het ACW heeft van bij haar ontstaan een innige band gehad met de christendemocratie. Die was zeer nadrukkelijk met de CVP van na de Tweede Wereldoorlog, ook al maakt de beweging sedertdien geen deel uit van de partij. Het ACW werkt met 'erkende ACW-mandatarissen', die het maatschappelijke programma van de beweging onderschrijven en waarvoor het ACW dan zijn volmondige steun uitspreekt.

De band met de CVP is echter niet altijd even hecht geweest. Het ACW was altijd een zeer belangrijke, maar lang niet de enige partner van de CVP, die naast een linkervleugel ook altijd een belangrijke rechtervleugel gehad heeft. Vooral op het einde van de jaren 90 kwam de band zwaar onder druk te staan. In 1999 verloor de CVP de federale parlementsverkiezingen en kwam in de oppositie terecht. Daarop ging het ACW nauwere contacten leggen met socialisten, maar vooral met groenen, die toen beiden met de liberalen in de regering zaten. De CVP reageerde daarop door zich op haar beurt autonomer op te stellen.

Toen de CVP in 2003 veranderde in CD&V, ging de partij een veel Vlaamsere koers varen, een evolutie die men bij het ACW met lede ogen aanzag. Toen de partij ook nog eens een kartel sloot met de N-VA verkilden de relaties nog meer. Vandaag zijn de contacten er nog steeds. Maar in het licht van de voortdurende politieke crisis kan het ACW zijn ongenoegen over de steeds radicalere standpunten van CD&V, vooral over de nakende staatshervorming, steeds moeilijker verbergen. Daarbij komt het al eens tot een min of meer openlijke aanvaring. Premier Yves Leterme was na de verkiezingen van juni 2007 de grote gangmaker van de Vlaamse eis voor een grote staatshervorming, ondanks het feit dat hij zelf als een ACW-politicus geldt.

In het algemeen blijft de structurele samenwerking tussen ACW en CD&V overeind. Belangrijke ACW-politici bij CD&V waren of zijn, in het recente verleden, naast Yves Leterme, onder meer Etienne Schouppe (staatssecretaris voor Mobiliteit), Jo Vandeurzen (Vlaams minister van Welzijn en Volksgezondheid), Steven Vanackere (federaal vicepremier), Hilde Crevits (Vlaams minister van Mobiliteit en Openbare Werken), Inge Vervotte (federaal minister van Ambtenarenzaken en Overheidsbedrijven)[1] en Veerle Heeren (Vlaams minister van Welzijn en Volksgezondheid).

Financiële problemen en mogelijke fraude[bewerken]

Eind 2012 raakte het ACW financieel in de problemen door het failliet van Dexia. Ook de 800.000 Arco-coöperanten dreigden hun geld kwijt te geraken. De problemen daaromtrent veroorzaakten eind 2012, begin 2013 een aantal politieke disputen. Daarnaast was er de zaak van de vennootschap Sociaal Engagement. De fiscale aanpak door het ACW van de dividenden uit de Belfius-winstbewijzen was volgens sommigen een fraudeleuze constructie met als doel ontwijking en ontduiking van belastingen. In december 2013 liet het ACW weten dat de Bijzondere Belastingsinspectie (BBI) tot het besluit kwam dat er geen sprake was van fraude. Het ACW moest wel 9,5 miljoen euro achterstallige belastingen betalen, waaronder een belastingverhoging (boete) van 30%. Op 1 februari onthulde de krant De Tijd dat de BBI wel degelijk uitging van fraude, maar dat ze deze claim in heeft moeten trekken omdat er procedurefouten werden gemaakt door haar inspecteurs.

Voorzitters[bewerken]

België[bewerken]

Nederlandstalig België (ACW)[bewerken]

Franstalig België (MOC)[bewerken]

Externe link[bewerken]

Bronnen[bewerken]

  • Visie, ledenweekblad
  • Emmanuel Gerard, De christelijke arbeidersbeweging in België (1891-1991), Deel 1 en 2, Universitaire Pers Leuven, 1991.
Bronnen, noten en/of referenties
  1. CV Inge Vervotte: zij werkte jarenlang voor de Christelijke vakbond