Algemene wil

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Rousseau's boek

De volkswil of de algemene wil is een begrip dat door de Zwitsers-Franse filosoof Jean-Jacques Rousseau als 'volonté générale' in zijn boek Du contrat social daterend van 1762 werd beschreven.

De algemene wil is niet hetzelfde als de wil van allen. De algemene wil moet gezien worden als het algemeen belang, terwijl de wil van allen niet meer is dan de optelling van particuliere belangen. Voor Rousseau gold echter dat vertegenwoordiging tegen de volkssoevereiniteit inging:

Soevereiniteit laat zich niet vertegenwoordigen, om dezelfde reden als waarom zij ook niet ontvreemd kan worden. Zij bestaat in haar diepste wezen in de algemene wil, en die wil kan niet vertegenwoordigd worden. Zij is het of zelf of het is iets anders. Een tussenweg bestaat niet. [...]
De afgevaardigden van het volk zijn geen vertegenwoordigers en kunnen dat ook niet zijn; het zijn slechts lasthebbers en zij kunnen geen definitieve beslissingen nemen.[1]

De mensen zouden hun keuzes ondergeschikt moeten maken aan de algemene wil; wie dat niet doet moet daartoe gedwongen worden.

De volkswil is wat het volk of de gemeenschap van burgers eenstemmig zou doen als zij algemene wetten konden kiezen of stemmen met volledige kennis van zaken, heldere redenering, een zuiver oordeelsvermogen, en een ingesteldheid die het gemene goed nastreeft.

Rousseau zocht in zijn werken naar een legitimiteit voor de macht van een regering. De gedachte dat een opperwezen de regering haar bestaansrecht gaf was in het achttiende-eeuwse Frankrijk in kringen van verlichte filosofen niet meer aanvaardbaar.

Omdat de volkswil door een machthebber geïnterpreteerd kan worden als het belang zoals hij dat ziet kon het ook als legitimatie voor de terreur tijdens de Franse Revolutie worden gebruikt. Deze terreur vond niet plaats met een beroep op een opperwezen, maar zij was de verdediging van de door de volkswil gewenste revolutie.

De volkswil is de basis van de regeringsmacht. Wanneer een regering het sociaal contract schendt en zich dus niet meer op de volkswil kan beroepen zijn opstand en burgerlijke ongehoorzaamheid gelegitimeerd.

In de periode voor het formuleren van de theorie van de volonté générale was moeilijk om het recht op verzet filosofisch te onderbouwen. Alle gezag kwam, zo meende men, "van God" en de overheid droeg volgens de bijbel "het zwaard niet voor niets". Willem van Oranje beschuldigde Filips II van Spanje er dan ook van dat deze door zijn wandaden de goddelijke orde had verstoord,[2] terwijl hij ook een vroege vorm van de volkswil formuleert.

Ook bij het afzetten van vorsten als Maria Stuart en Karel I van Engeland heeft men veel moeite gehad met de legitimatie van een optreden waarbij het volk, of tenminste de regerende elite, zich tegen de gezalfde vorst keerde.

Krant[bewerken]

De Volkswil is ook de naam van een Gents weekblad uit het einde van de 19e eeuw, later omgevormd tot het socialistische dagblad De Vooruit.

Noten[bewerken]

  1. Fennema, M. (2001): De moderne democratie. Geschiedenis van een politieke theorie, Het Spinhuis.
  2. Apologie van de Prins van Oranje (1581), Willem de Zwijger hinkt op twee gedachten en stelt enerzijds dat "De onderdanen niet door God geschapen zijn om de vorst in alles wat hij beveelt onderdanig te zijn" anderzijds komt Willem met soms ongefundeerde beschuldigingen als moord op de eigen zoon en incest.