Ali ibn Aboe Talib

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Ali ibn Abu Talib)
Ga naar: navigatie, zoeken
Portret van Imam Ali door Ahmad Reza Haraji.
Asadullah of Esedullah (Leeuw van God), een bijnaam gegeven door Mohammed aan zijn bloedverwant Ali. Het Alevitisme, Bektashisme en Soefisme zien Ali als de deur naar de mystieke kennis en esoterische interpretatie van de Islam, zoals aan hem is overgedragen door Mohammed

Ali ibn Aboe Talib, ook imam Ali of kalief Ali (Arabisch: علي ابن أبي طالب) (Mekka, c. 598Koefa, 661) was een neef en schoonzoon van de islamitische profeet Mohammed. Hij was voor de soennieten de vierde kalief (656 - 661) of opvolger van Mohammed en voor sjiieten en alevieten tevens de eerste imam van de Twaalf Imams (net zoals de voorgaande profeten Jezus en Mozes hun twaalf apostelen/discipelen gehad zouden hebben). Sjiieten en alevieten zijn van mening dat Ali de eerste kalief had moeten zijn volgens de wil van Mohammed en van God. Ook binnen het Soefisme wordt Ali als belangrijkste van alle metgezellen van Mohammed gezien, omdat hij speciaal werd onderwezen door de Profeet.[1] Hij wordt in veel kringen ook wel de vader van het soefisme genoemd.[2][3] De Hadith (uitspraak) waarin Mohammed zegt: "Ik ben de stad der Kennis, Ali is de Poort ervan!" wordt belangrijk geacht in het Soefisme. Hij staat in de islam bekend om zijn moed, heldhaftigheid, kracht, geduld, wijsheid en kennis. Hij was de eerste jongere om de islam te betreden en verbleef vervolgens, voor de emigratie dicht bij Mohammed. Hij wordt beschouwd als de beste student van Mohammed.

Volgens Islamitische (zowel soennitische als sjiitische) bronnen was Ali de enige persoon ooit die binnenin de Kaaba was geboren in Mekka, de heiligste plaats in de Islam.

Zijn benoeming als kalief kwam echter heel ongelukkig ten tijde van een instabiele situatie binnen de oemma na de moord op zijn voorganger Oethman. Als kalief kreeg Ali hevige weerstand en werd aan hem de oorlog verklaard door onder andere Aïsja en Moe'awija.

Ali was de laatste kalief die behoorde tot de zogenoemde 'Vier Rechtgeleide Kaliefen' volgens het soennisme en behoort tot de schrijvers die de openbaringen hebben opgetekend voor de Koran.

Volgens de islamitische traditie is Ali een van de tien mensen (volgens het soennisme) van wie werd getuigd dat zij voor het Paradijs bestemd waren.

Volgens sjiieten en alevieten was Ali een van de '14 Onfeilbaren', die zouden bestaan uit Mohammed, zijn dochter Fatima en de twaalf imams, die allen zondeloos zouden zijn.

Levensloop[bewerken]

Binnen de islam zijn er opvattingen dat hij de enige mens ooit is die in de Ka'aba in Mekka is geboren. Zijn vader, Aboe Talib, was een oom van Mohammed. Zijn moeder noemde hem eerst "Haydar" (leeuw) waarna zijn vader Aboe Talib zijn naam veranderde tot "Ali". Hij had de bijnaam "Gods leeuw" (Asadullah) en "Aboe Turab" oftewel "De vader van de aarde".

Ali werd geadopteerd door Mohammed en door hem opgevoed. Hij trouwde met Mohammeds dochter Fatima. Hij behoorde tot de eerste volgelingen van de islam na het begin van de openbaringen aan Mohammed. Na de dood van Mohammed werd Aboe Bakr als geestelijk leider van de islam gekozen. Volgens de sjiieten legde Aboe Bakr deze verklaring echter af toen de naasten van Mohammed bezig waren met diens begrafenis; Mohammed had volgens hen tijdens zijn profeetschap meerdere malen verklaard dat zijn schoonzoon hem zou moeten opvolgen als geestelijk leider.

Aboe Bakr werd na zijn dood opgevolgd door respectievelijk Omar en Oethman. Oethman werd in 656 vermoord. Oethman werd opgevolgd door Ali die wel een directe bloedband had met Mohammed. De benoeming van Ali werd echter tegengewerkt door generaal Mu'awiyah, de gouverneur van Damascus die tot de Omajjaden-clan behoorde en een neef was van Oethman. Hij beschuldigde Ali van samenwerking met de opstandelingen die Oethman hadden vermoord. Hierop brak een onderlinge oorlog uit.

Deze oorlog in de moslimgemeenschap leidde uiteindelijk tot de moord op Ali in 661 in de stad Koefa, terwijl hij volgens overleveringen aan het bidden was. Volgens andere overleveringen was Ali voor zijn huis aangevallen door drie man. Sommige Sjieeten beweren dat de moordenaar was omgekocht door Mu'awiyah I. Hij sloeg Ali op zijn hoofd met een vergiftigd zwaard. Hierna leefde Ali nog drie dagen, maar zijn verwonding werd hem fataal. Uiteindelijk stierf hij in zijn eigen huis. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Hassan die echter na korte tijd alweer aftrad.

Het is overgeleverd door Sahl ibn Sad, die de Profeet op de dag van Khaybar hoorde zeggen:

“Ik zal de vaandel zeker aan een man geven door wiens handen Allah de overwinning zal schenken.” Zij stonden vervolgens op om te kijken wie het zou worden gegeven, hopende dat hij het zou krijgen. Toen vroeg hij: “Waar is Ali?” Er werd hem verteld dat hij leed aan een oogaandoening. Hij beval dat Ali bij hem zou worden gebracht. Hij spuugde vervolgens in zijn ogen en hij genas onmiddellijk, alsof er niets met hem aan de hand was.” (overlevering volgens al-Boechari en Moeslim)

De meeste sjiieten geloven dat Ali begraven ligt in de Iraakse stad Najaf, in de Imam Alimoskee waar Ali een met goud bekleed graf heeft. Anderen geloven dat hij begraven ligt in de Blauwe moskee van Mazar-e Sharif in Afghanistan.

De soennitische en de sjiitische islam hebben elk een eigen interpretatie van de levensgeschiedenis van Ali.

Soennieten beweren dat de Sjieeten/Alevieten Ali te 'groot' zien en op bepaalde vlakken overdrijven. Sjiieten beweren echter dat zij al hun beweringen over Ali zelfs vanuit Soennitische bronnen kunnen aantonen. Een van de bekendste Sunni-Shia debatten wordt beschreven in het boek 'Peshawar Nights', waar alleen bronnen worden gebruikt die door zowel Sunni als Shia worden geaccepteerd.

Sjiitische/Alevitische kijk op Ali ibn Aboe Talib[bewerken]

De Sjiieten en Alevieten beschouwen Ali als een fenomeen: een groot man die intellectueel, fysiek en geestelijk gezien onevenaarbaar was. Zij geloven dat van alle metgezellen, enkel Ali de ware esoterische leer van Mohammed heeft doorgekregen. Ook wordt Ali net als de Profeet Mohammed gezien als een perfect voorbeeld van een mens. Tevens was hij de vaandeldrager en de leider van het leger van Mohammed. Hij heeft veel van de oorlogen meegemaakt en ook zelf meegevochten. Ali wordt ook wel 'Kuran-i natik' genoemd, hetgeen 'Pratende Koran' betekent. Dit omdat de Profeet Mohammed bij Ghadeer Khum gezegd zou hebben "O' mensen, Ali is met de Koran, de Koran is met Ali. Ali is met de Waarheid, de Waarheid is met Ali".

Ali wordt gezien als een van de vijf leden van de 'Ahl al-Bayt', wat vertaald kan worden als 'Mensen van het Huis'. Hiermee wordt verwezen naar de familie van Mohammed. De vijf leden zijn: Mohammed, Fatima, Ali, Hassan en Hussein. Koran verzen 33:33 en 42:23 zouden over de Ahl al-Bayt gaan.

De superioriteit van Ali[bewerken]

Zowel alevieten als sjiieten (en de meeste soefi's) claimen dat van alle metgezellen van Mohammed, Ali de enige was die door God via Mohammed werd aangewezen als eerste kalief en de nummer één student van de Islamitische profeet was. Qua kennis zou Ali alles weten wat Mohammed ook wist, wat Ali (ondanks het feit dat hij geen profeet maar een door God aangewezen imam/kalief was) een hogere rang zou geven dan de profeten vóór Mohammed. Uit het boek Peshawar Nights, een oud sunni-shia debat waarin alleen soennitische bronnen gebruikt mochten worden, wordt het als volgt besproken:

Aangezien onze heilige profeet superieur was aan de voorgaande profeten was Ali ook superieur aan hen: In 'Ihya'u'l-Ulum' door Imam Ghazali, 'Sharhe Nahju'l-Balagha' door Ibn Abi'l-Hadid Mu'tazali, de Tafsir door Imam Fakhru'd-Din Razi, en de Tafsirs door Jarullah Zamakhshari, Baidhawi, Nishapuri, enzovoort, komt u de volgende hadith tegen van de Heilige Profeet Muhammad: "De geleerden van mijn gemeenschap zijn als de profeten van Bani Isra'il (Kinderen van Israel)." In een andere hadith zegt hij: "De geleerden van de gemeenschap van de Profeet zijn gelijk aan of beter dan de profeten van Bani Isra'il simpelweg omdat hun bron van kennis de bron van alle kennis/wetenschap was, de Profeet Muhammad. Om die reden was ook Ali bin Abu Talib zeker superieur aan de profeten, omdat de Profeet zei: "Ik ben de stad van kennis, en Ali is de poort ervan." Hij zei ook: “Ik ben de huis van wijsheid en Ali is de deur ervan." Toen aan Ali zelf vragen werden gesteld over dit onderwerp, legde hij bepaalde aspecten van zijn superioriteit aan de profeten van de Kinderen van Israel uit. Op de 20ste dag van Ramadan, toen Ali op zijn sterfbed lag na de aanval van Abdu'r-Rahman Ibn Muljim Muradi, vroeg hij aan Imam Hasan om al zijn Shia/Alevi ('volgers' of 'aanhangers') naar binnen te roepen die zich hadden verzameld bij zijn huisdeur. Toen ze binnenkwamen, stonden ze bij zijn bed en konden ze hun tranen niet in bedwang houden. Ali zei: "Jullie mogen alles vragen wat jullie willen voordat ik jullie verlaat, maar jullie vragen dienen kort te zijn." Een van de aanwezigen was Sa'sa'a Bin Suwhan. Ook veel Sunni ulema/geleerden, zoals Ibn Abdu'l-Birr and Ibn Sa'ad, hebben geschreven over zijn leven en karakter, en hebben hem betrouwbaar bevonden, bevestigend dat hij een groot geleerde was.

Sa'sa'a vroeg aan Ali: "Laat mij weten wie superieur is, u of Adam." De Heilige Imam zei: "Het is niet gepast voor een man om zichzelf te prijzen, maar volgens de spreuk: 'Maak de zegeningen die Allah aan u heeft gegeven bekend', dien ik u te vertellen dat ik superieur ben aan Adam." Toen er werd gevraagd waarom dit zo is, legde Ali uit dat Adam alle genade, comfort en zegeningen had in het paradijs. Er werd hem alleen gevraagd afstand te doen van het verboden fruit. Maar hij kon zich niet inhouden, en at van de boom. Als gevolg daarvan werd hij weggestuurd van het paradijs. Allah had Ali niet verboden om tarwe te eten (wat volgens de moslims de verboden 'boom' zou zijn). Maar aangezien Ali geen neiging had voor deze tijdelijke wereld, nam hij vrijwillig afstand van het eten van tarwe. (Wat Ali duidelijk probeerde te maken hiermee was dat de uitstekendheid van een man voor Allah aan zijn vroomheid en toewijding ligt, en dat de hoogte van vroomheid zelfs ligt in het afstand nemen van iets dat toelaatbaar is.)

Sa'sa'a vroeg: "Wie is superieur, u of Noach?" Ali antwoordde: "Ik ben superieur. Noach riep zijn mensen op om Allah te aanbidden, maar zij gehoorzaamden niet. Hun schandelijke mishandeling was een marteling voor hem. Hij vervloekte ze en riep Allah aan: 'O mijn Heer! Laat op deze aarde geen onrechtvaardige persoon meer over zijn.' Na de dood van de Profeet, ondanks het feit dat de mensen mij extreme moeilijkheden hebben gegeven, heb ik ze nooit vervloekt. Ik hield hun marteling geduldig vol."

Sa'sa'a vroeg: "Wie is superieur, u of Abraham?" Ali antwoordde: "Ik ben superieur, omdat Abraham zei: "Mijn Heer, toon mij hoe U de doden weer levend maakt." Hij zei: "Geloof jij dan niet?" Hij zei: "Jawel, maar het is opdat mijn hart gerustgesteld wordt." (Koran 2:260) Mijn eigen geloof is zo dat ik zei: "Ook al zou het 'dekmantel' over het ongeziene worden opgeheven, mijn geloof zou er niet door toenemen."

Sa'as'a vroeg: "Wie is superieur, u of Mozes?" De Heilige Imam antwoordde: "Ik ben superieur, omdat toen Allah de Almachtige aan Mozes het bevel gaf om naar Egypte te gaan en Farao uit te nodigen naar de waarheid, Mozes zei: "Mijn Heer, ik heb iemand van hen gedood en ben dus bang dat zij mij doden. En mijn broer Aaron is welsprekender dan ik; zend hem als hulp met mij mee om wat ik zeg te bevestigen, want ik ben bang dat zij mij van leugens zullen betichten." (Koran 28:33-34) De Heilige Profeet beval mij, onder opdracht van Allah, om naar Mekka te gaan en de verzen van hoofdstuk 'Al-Bara'a' te reciteren vanaf de top van de Kaaba aan de ongelovigen van Quraish. Ik was niet bang, ondanks het feit dat er weinig mensen waren die niet een naaste familielid kwijt hadden geraakt door mijn zwaard. Ik was gehoorzaam aan zijn bevel, en voerde mijn taak alleen uit. Ik reciteerde de verzen van 'Al-Bara'a' en keerde terug."

Sa'sa'a vroeg: "Wie is superieur, u of Jezus?" Ali zei: "Ik ben superieur, omdat toen Maria zwanger werd door de Gratie van Allah, en haar bevalling naderde, een openbaring tot haar kwam: 'Verlaat dit heilige Huis omdat dit een Huis voor gebeden is, niet een plaats om kinderen te baren'. Vervolgens verliet ze het heilige Huis en ging ze de woestijn in waar ze Jezus baarde. Maar toen mijn moeder, Fatima Bint-e-Asad, barensweeën voelde binnen het terrein van de heilige Kaaba, klampte ze zich aan de muur en bad tot Allah in de naam van dat Huis en de bouwer van dat Huis, om haar pijn te verzachten. Daarop verscheen een barst in de muur, en mijn moeder hoorde een mysterieuze stem dat haar vertelde, 'O Fatima! Betreed het Huis van de Kaaba.' Ze ging naar binnen, en ik was geboren binnenin de heilige Kaaba."

Bron: Peshawar Nights, seventh session, part 1[4]

De 12 Imams[bewerken]

Alevieten geloven (net als de sjieeten) dat na de dood van Mohammed de leiderschap binnen de familie (Ahlalbayt) dient te blijven. Dit wordt dan ook gezien als het grootste verschil tussen het soennisme en alevitisme, omdat de soennieten na Mohammed in de '4 rechtgeleide kaliefen' geloven en de Alevieten in de Twaalf Imams (net als Mozes en Jezus ook hun 12 apostelen gehad zouden hebben). Volgens de soennieten zou men na de dood van de Profeet zelf hun kalief mogen kiezen en hebben dus gekozen voor Abu Bakr. Alevieten zijn van mening dat deze keuze niet aan de onwetende mensheid ligt, maar dat net als bij de voorgaande profeten alleen God bepaald wie de rechtvaardige kalief/opvolger van de Profeet wordt, en dat alleen Ali de enige geschikte en de door God gekozen kalief is.

Ali ibn Abu Talib is de eerste imam van de 12 imams. Elk volgende imam is de zoon van de vorige imam, met uitzondering van de 3e imam Hussein ibn Ali, die de jongere broer van de 2e imam Hasan ibn Ali is. De 12 imams worden gezien als de enige rechtvaardige opvolgers van de Profeet Mohammed en als de enige wijzen die de Koran correct kunnen interpreteren.

De twaalf imams worden gezien als "Al-Insān al-Kāmil" (insan-i kâmil), wat perfect mens zou betekenen. De Profeet Mohammed, zijn dochter Fatima en de twaalf imams samen worden ook wel de 14 Onfeilbaren (Ondört Mâsûm-u Pâk) genoemd. De term '14 Mâsûm-u Pâk' wordt echter ook gebruikt als verwijzing naar de vermoorde kinderen van de 12 imams binnen het Alevitisme. De 12 imams zijn allemaal van de Ahl al-Bayt bloedlijn.

De 12 imams in het kort:

Nummer Moderne (Kalligrafische) Afbeelding Naam
(Volledig/Kunya)
Titel
(Arabisch/Turks)[5]

Geboortedatum
Sterfdatum
(CE/AH)[6]
Belang Geboorteplaats Reden & sterfplek
begravenis[7]
1 Alī.png Ali ibn Abu Talib
علي بن أبي طالب
Abu al-Hasan
أبو الحسن
Amir al-Mu'minin
(Leider van de Gelovigen)[8]


al-Mūrtadhā

(De Geliefde)


Birinci Ali[9]
600–661[8]
23(voor de Hidjra)–40[10]
De eerste imam en de rechtvaardige opvolger van Mohammed van alle Sjieeten en Alevieten; Soennieten zien hem als de vierde rechtgeleide kalief. Hij heeft een hoge positie in bijna alle soefi ordes; de leden van deze ordes zien Ali als belangrijkste bron en deur naar de leer van Mohammed.[8] Mekka,
Saudi Arabia[8]
Vermoord door Abd-al-Rahman ibn Muljam, een Kharidjiet uit Kufa, die hem op het hoofd raakte met een vergiftigd zwaard.[8][11]
Volgens Sjieeten begraven bij de Imam Ali Moskee in Najaf,
Iraq.
2 Hassan ibn Ali.jpg| Hasan ibn Ali
حسن بن علي
Abu Muhammad
أبو محمد
al-Mūjtabā


(De Gekozene)


İkinci Ali[9]
624–670[12]
3–50[13]
Hij was de oudste overlevende kleinzoon van Mohammed, via de dochter van Mohammed Fatima Zahra.. Hasan volgde zijn vader Ali op als kalief in Kufa, en probeerde een wapenstilstand aan te gaan met Muaviya, zijn tijd als kalief zou slechts zeven maanden geduurd hebben.[14] Medina,
Saudi Arabia[12]
Vergiftigd door zijn vrouw in Medina, Saudi Arabia op bevel van Omajjaden kalief Muawiya.[15]
Begraven in Jannat al-Baqi, Medina,
Saudi Arabia.
3 Shite imam Husayn ibn Ali
حسین بن علي
Abu Abdillah
أبو عبدالله
Sayyid ash-Shuhada


(Meester van de martelaren)


Üçüncü Ali[9]
626–680[16]
4–61[17]
Hij was de kleinzoon van Mohammed en de jongere broer van Hasan ibn Ali. Huseyn kwam in opstand tegen de Omajjaden kalief Yazid, zoon van Muaviya. Als gevolg daarvan werd hij met zijn volgers en familieleden afgeslacht bij de Slag bij Karbala. Om dit incident wordt jaarlijks gerouwd door sjieeten en alevieten tijdens de muharram maand.[16][18] Medina,
Saudi Arabia[16]
Vermoord en onthoofd bij de Slag bij Karbala.[16]
Begraven bij de Imam Husayn Shrine in Karbala,
Iraq.
4 Shite imam Ali ibn Husayn
علي بن الحسین
Abu Muhammad
أبو محمد
al-Sajjad, Zayn al-'Abidin, Zeynel Abidin


(De constant aanbiddende) [19]


Dördüncü Ali[9]
658/9[19] – 712[20]
38[19]–95[20]
Auteur van gebeden in Sahifa al-Sajjadiyya, dat ook wel bekend staat als "De Psalmen van de Ahlalbayt."[20] Medina,
Saudi Arabia[19]
Volgens Sjieeten vergiftigd onder opdracht van kalief al-Walid I in Medina, Saudi Arabia.[20]
Begraven in Jannat al-Baqi, Medina,
Saudi Arabia.
5 Baqir ibn sajjad.jpg Muhammad ibn Ali
محمد بن علي
Abu Ja'far
أبو جعفر
Baqir al-Ulum, Muhammed Bakir


(De onthuller van kennis) [21]


Beşinci Ali[9]
677–732[21]
57–114[21]
Zowel Sunni als Shia bronnen beschrijven hem als een van de eerste en meest prominente 'faqih' geleerden, die veel studenten onderwees.[21][22] Medina,
Saudi Arabia[21]
Volgens Sjieeten vergiftigd door Ibrahim ibn Walid ibn 'Abdallah in Medina, Saudi Arabia op bevel van kalief Hisham ibn Abd al-Malik.[20]
Begraven in Jannat al-Baqi, Medina,
Saudi Arabia.
6 Jaffer-e-Sadiq.jpg Ja'far ibn Muhammad
جعفر بن محمد
Abu Abdillah
أبو عبدالله
as-Sadiq, Cafer-i Sadik[23]


(De Eerlijke)


Altıncı Ali[9]
702–765[23]
83–148[23]
Stelde de Jafari jurisprudentie vast en was ook een theoloog. Hij instrueerde veel leerlingen op verschillende gebieden, waaronder ook Abu Hanifah en Malik ibn Anas in fiqh (islamitisch jurisprudentie), Wasil ibn Ata en Hisham ibn Hakam in Islamitisch theologie, en Geber in wetenschap en alchemie.[23][24] Medina,
Saudi Arabia[23]
Volgens Shia bronnen vergiftigd in Medina, Saudi Arabia op bevel van kalief Al-Mansur.[23]
Begraven in Jannat al-Baqi, Medina,
Saudi Arabia.
7 Al-Kazim.jpg Musa ibn Ja'far
موسی بن جعفر
Abu al-Hasan I
أبو الحسن الاول[25]
al-Kazim, Musa-i Kâzim[26]


(De Kalme")


Yedinci Ali[9]
744–799[26]
128–183[26]
Leider van de Shi'a gemeenschap tijdens de splitsing van de Ismaili and andere vertakkingen na de dood van de vorige imam, zijn vader Jafar al-Sadiq.[27] Heeft een hoog positie onder de Mahdavia; de volgers van deze orde volgen de leer van Mohammed via hem.[28] Medina,
Saudi Arabia[26]
Gevangen gehouden en vergiftigd Bagdad, Irak op bevel van kalief Harun al-Rashid.
Begraven in de Kazimayn shrine in Bagdad,
Iraq.[26]
8

Al redah.jpg

Ali ibn Musa
علي بن موسی
Abu al-Hasan II
أبو الحسن الثانی[25]
ar-Rida, Reza, Ali Riza[29]


(De Aangename)


Sekizinci Ali[9]
765–817[29]
148–203[29]
Tot kroonprins benoemd door kalief Al-Ma'mun, en bekend om zijn discussies met moslim en niet-moslim geleerden.[29] Medina,
Saudi Arabia[29]
Vergiftigd in Mashad, Iran op bevel van kalief Al-Ma'mun.
Begraven bij Imam Reza shrine in Mashad,
Iran.[29]
9 Shite imam Muhammad ibn Ali
محمد بن علي
Abu Ja'far
أبو جعفر
al-Taqi, al-Jawad, Muhammed Taki[30]


(De Godvrezende, De Gulle)


Dokuzuncu Ali[9]
810–835[30]
195–220[30]
Stond bekend om zijn gulheid en toewijding terwijl hij vervolgd werd door de Abbassiden. Medina,
Saudi Arabia[30]
Vergiftigd door zijn vrouw, de dochter van Al-Ma'mun, in Bagdad, Irak op bevel van kalief Al-Mu'tasim, volgens Shi'a bronnen.
Begraven in de Kazmain shrine in Bagdad,
Iraq.[30]
10 Shite imam Ali ibn Muhammad
علي بن محمد
Abu al-Hasan III
أبو الحسن الثالث[31]
al-Hadi, al-Naqi, Ali Naki[31]


(De Gids, De Pure)


Onuncu Ali[9]
827–868[31]
212–254[31]
Versterkte de netwerken in de Shi'a gemeenschap. Hij stuurde ze instructies, en kreeg in ruil financiele steun van de gelovigen en religieuze volgers.[31] Surayya, een dorp vlak bij Medina,
Saudi Arabia[31]
Volgens Sjieeten vergiftigd in Samarra, Irak op bevel van kalief Al-Mu'tazz.[32]
Begraven in de Al Askari Moskee in Samarra,
Iraq.
11 Alaskeri.jpg Hasan ibn Ali
الحسن بن علي
Abu Muhammad
أبو محمد
al-Askari, Hasan-ül Askeri[33]


(De bewoner van een garnizoen)


Onbirinci Ali[9]
846–874[33]
232–260[33]
Voor een groot deel van zijn leven, legde de Abbasiden kalief Al-Mu'tamid hem verboden op na de dood van zijn vader. Onderdrukking van de Shi'a bevolking was hoog in die tijd vanwege de grote omvang en groeiende macht.[34] Medina,
Saudi Arabia[33]
Volgens Sjieeten vergiftigd op bevel van kalief Al-Mu'tamid in Samarra, Irak.
Begraven bij de Al Askari Moskee in Samarra,
Irak.[35]
12 Al mehdi.jpg Muhammad ibn al-Hasan
محمد بن الحسن
Abu al-Qasim
أبو القاسم
al-Mahdi, de Verborgen Imam, al-Hujjah, Mehdi[36]


(De Begeleide, Het Bewijs)


Onikinci Ali[9]
868–unknown[37]
255–unknown[37]
Volgens Sjieeten en Alevieten is hij een historisch persoon dat echt heeft bestaan en de imam van deze tijd en de beloofde Mahdi, een 'messias' figuur die samen met Jezus Christus zal terugkeren. Hij zal eenheid brengen binnen de Islam en zal weer vrede en gerechtigheid brengen naar de wereld.[38] Samarra,
Irak[37]
Volgens Sjiieten en Alevieten leeft hij in 'verborgenheid' sinds 872, en zal zo blijven zolang God het wil.[37]

Orde van Ali[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Orde van Ali voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In de late 18e en 19e eeuw droegen de sjahs uit de dynastie der Kadjaren een in diamanten gevatte Orde van Ali met een geïdealiseerd portret van Ali.

Film[bewerken]

Een bekende film over het leven van imam Ali is de film 'Al-Nebras'. Deze is ook online op bijvoorbeeld YouTube te bekijken. De film beschrijft het leven van Ali tijdens het in leven zijn van Mohammed en na Mohammed's dood.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. http://www.rifai.org/sufism/nederlands/wat-is-soefisme/een-korte-geschiedenis-van-soefisme
  2. http://www.spiritualfoundation.net/fatherofsufism.htm
  3. http://khawajamoinuddin.wordpress.com/hazrat-ali-the-father-of-sufism/
  4. http://fatimiyya.net/v313/wp-content/uploads/2012/07/Peshawar-Nights.pdf
  5. The Imam's Arabic titles are used by the majority of Twelver Shi'a who use Arabic as a liturgical language, including the Usooli, Akhbari, Shaykhi, and to a lesser extent Alawi. Turkish titles are generally used by Alevi, a fringe Twelver group, who make up around 10% of the world Shi'a population. The titles for each Imam literally translate as "First Ali", "Second Ali", and so forth. . (2004).
  6. The abbreviation CE refers to the Common Era solar calendar, while AH refers to the Islamic Hijri lunar calendar.
  7. Except Twelfth Imam
  8. a b c d e "Ali"..
  9. a b c d e f g h i j k l . (2004).
  10. Tabatabae (1979), pp.190–192
  11. Tabatabae (1979), p.192
  12. a b "Hasan"..
  13. Tabatabae (1979), pp.194–195
  14. "ḤASAN B. ʿALI B. ABI ṬĀLEB"..
  15. Tabatabae (1979), p.195
  16. a b c d "al-Husayn"..
  17. Tabatabae (1979), pp.196–199
  18. "ḤOSAYN B. ʿALI"..
  19. a b c d "'ALÈ B. AL-HUOSAYN"..
  20. a b c d e Tabatabae (1979), p.202
  21. a b c d e "AL-BAQER, ABU JAFAR MOHAMMAD"..
  22. Tabatabae (1979), p.203
  23. a b c d e f Tabatabae (1979), p.203–204
  24. "Wasil ibn Ata"..
  25. a b "'ALÈ AL-HAÚDÈ"..
  26. a b c d e Tabatabae (1979), p.205
  27. Tabatabae (1979) p. 78
  28. Sachedina (1988), pp.53–54
  29. a b c d e f Tabatabae (1979), pp.205–207
  30. a b c d e Tabatabae (1979), p. 207
  31. a b c d e f "'ALÈ AL-HAÚDÈ"..
  32. Tabatabae (1979), pp.208–209
  33. a b c d "'ASKARÈ"..
  34. Tabatabae (1979) pp. 209–210
  35. Tabatabae (1979), pp.209–210
  36. "Muhammad al-Mahdi al-Hujjah"..
  37. a b c d Tabatabae (1979), pp.210–211
  38. Tabatabae (1979), pp. 211–214