Alija Izetbegović

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken
Izetbegović, 1997
Izetbegović, 1997

Alija Izetbegović (Bosanski Šamac, 8 augustus 1925Sarajevo, 19 oktober 2003) was een Bosnische Moslim-activist en politicus alsmede president van Bosnië en Herzegovina.

Alija werd geboren in het stadje Bosanski Šamac, Bosnië en Herzegovina. Hij bezocht de universiteit van Sarajevo waar hij in 1956 afstudeerde in rechten.

Een groot deel van zijn leven bracht hij door als advocaat. Twee keer werd hij door het communistische bewind van Joegoslavië gevangengezet op beschuldiging van 'pan-islamitische activiteiten' waaronder het schrijven van zijn hoogst controversiële boek The Islamic Declaration.

Tijdens een rechtszaak die begon op 10 april 1983 werden Izetbegović en twaalf anderen (waaronder Melika Salihbegović en Hasan Čengić) beschuldigd van:

  1. het beschrijven van het communisme als bedreiging voor de islam;
  2. het leveren van kritiek op de politiek van Joegoslavische nationaliteiten (waardoor een onafhankelijke moslim-nationaliteit werd geformeerd) met als doel het ver-Servisen van moslims;
  3. samenzweren tot het elimineren van Servische en Kroatische bevolkingsgroepen in Bosnië en Herzegovina;
  4. het manipuleren van religieuze gevoelens van anderen in een poging steun te mobiliseren voor een militante islam-beweging.

Ook werden ze er van beschuldigd contacten te onderhouden met reactionairen in het buitenland en het verspreiden van vijandige propaganda binnen Joegoslavië. Enkele beschuldigden hadden de islamitsiche republiek Iran bezocht en de afwijzing van Hasan Čengićs van de post van minister van defensie in 1996 was een belangrijke Amerikaanse eis geweest voor het bekostigen en uitrusten van het leger van de Bosnische (Moslim-Kroatische) Federatie.

Samen met Fikret Abdić stichtte Izetbegović in 1989 de Partij voor Democratische Actie (Stranka Demokratske Akcije, SDA). Hoewel Abdić bij de verkiezingen in 1990 werd gekozen nam Izetbegović het roer al snel van hem over.

Na de verkiezingen van 1990 vormde de SDA een regerings-coalitie met de Kroatische Partij (HDZ). Izetbegović bezette daarin de post van president (die hij volgens de wettelijke overeenkomst een jaar mocht bezetten) en speelde een leidende rol in de Bosnische regering gedurende de drie jaar durende oorlog in deze voormalige Joegoslavische republiek.

Fikret Abdić verscheen weer op het toneel als rivaal van zijn voormalige partner door het vestigen van een machtsbolwerk in zijn geboortestreek Cazinska Krajina waar hij de Autonome provincie West-Bosnië (niet te verwarren met het huidige kanton West-Bosnië) stichtte die volledig omringd was door Servische troepen en die strijd leverde met de Moslimregering in Sarajevo. De splintergroep van Abdić werd later opgeslokt door het leger van Izetbegović.

Nadat Slovenië en Kroatië zich onafhankelijk hebben verklaard van Joegoslavië en erkend zijn door de internationale gemeenschap ontstond de vraag of Bosnië en Herzegovina door moest gaan in een rompstaat Joegoslavië die door Servië werd gedomineerd of een onafhankelijk land moest worden. Aangezien twee van de drie constitutionele bevolkingsgroepen van Bosnië en Herzegovina geen federatie met Servië of Kroatië wilden werd er op 29 februari en 1 maart 1992 referendum over de onafhankelijkheid van Bosnië en Herzegovina uitgeschreven.

Na het referendum (opkomst 64-67%), dat werd gesteund door Bosnische moslims en katholieken (Bosnische Kroaten) en geboycot door Bosnische Serviërs, riep de president van Bosnië en Herzegovina (Izetbegović) op 3 maart 1992 de onafhankelijkheid uit. Als reactie op het referendum riepen de Bosnische Serviërs op 27 maart 1992, onder leiding van Radovan Karadzic, een eigen Republika Srpska van Bosnië-Herzegovina uit en verklaarden de oorlog aan de nieuwe Republiek Bosnië-Herzegovina waarbij ze de toegang naar de verschillende Bosnische steden hebben versperd. Dit wordt gezien als de oorzaak van de Bosnische oorlog tussen de Bosnische moslims ( die door de westerse media Bosniërs werden genoemd), de Bosnische Kroaten en de Bosnische Serviërs. Bosnische Serviërs wilden zich niet afscheiden van het restant deel van Joegoslavië, waarvan Slovenië en Kroatië al geen deel meer van uitmaakten, omdat ze zich verbonden voeleden met Servië. Op 6 april 1992 werd de onafhankelijkheid van de Republiek Bosnië-Herzegovina formeel erkend door de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten. Op 22 mei 1992 werd de Republiek Bosnië-Herzegovina lid van de Verenigde Naties. Een drie jaar durende oorlog met Bosnische Serviërs, die gesteund werden door Servië, volgde.

Uiteindelijk werd de Servische opmars tot staan gebracht doordat Izetbegović, Tuđjman en Milosevic begin 1995 een vredesovereenkomst tekenden in Dayton waarmee de vijandelijkheden tussen Moslims, Serviërs en Kroaten formeel beëindigd werden.

Izetbegović ondertekende in december 1995 het Dayton-akkoord in naam van de Bosnische Moslim-regering.

In september 1996 werd hij herkozen tot Moslim-president en bleef aan de macht tot juni 2000 toen hij, op 74-jarige leeftijd, bekend maakte dat hij afstand deed van het presidentschap van Bosnië.

Als een van de redenen voor zijn terugtreden noemde hij dat hij vond dat, hoewel de internationale gemeenschap hielp de omstandigheden in Bosnië te verbeteren, dit echter werd bereikt ten koste van de Moslimbevolking en dat dit niet iets was waar hij mee kon leven.

Bosnische Serven en Kroaten hebben geprobeerd Izetbegović voor het oorlogstribunaal in Den Haag te krijgen op beschuldiging van genocide en andere misdaden gedurende de oorlog, maar het hof verklaarde zich niet ontvankelijk.

Alija Izetbegović was gehuwd met Halida Repovac en samen hadden ze drie kinderen. Van de hand van Izetbegović verschenen diverse boeken. Zijn publicatie Islam Between East And West is sinds 1984 een internationale bestseller. Andere werken omvatten The Islamic Declaration, Problems of Islamic Renaissance, My Escape to Freedom, Notes from Prison, 1983-1988 en heel recent zijn memoires in Inescapable Questions: Autobiographical Notes.

Izetbegović stierf op 19 oktober 2003 in Sarajevo aan verwondingen die hij opliep tijdens een val.

 
Persoonlijke instellingen