Als een boom in een bos omvalt

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Een kustmammoetboom in een bos.

Als een boom in een bos omvalt en er is niemand in de buurt om het te horen, maakt het dan geluid? is een bekend filosofisch raadsel, dat vragen oproept over de waarneming en de kennis van de werkelijkheid.

Geschiedenis[bewerken]

De filosoof George Berkeley komt in zijn werk A Treatise Concerning the Principles of Human Knowledge (Een uiteenzetting over de grondslagen van de menselijke kennis) met deze stelling: "Maar, zeg jij, natuurlijk is er voor mij niets eenvoudiger dan om mij bomen voor te stellen, bijvoorbeeld in een park [...] en er is niemand om ze te zien. [...] Voor de zintuigen bestaat iets alleen als het waargenomen wordt; dus bestaan de bomen in het park alleen maar [...] als er iemand is om ze waar te nemen." Berkeley spreekt hier echter niet over het omvallen van een boom.

In juni 1883 werd in het tijdschrift "The Chautauquan" de vraag als volgt gesteld: "Als een boom op een onbewoond eiland omvalt, zou er dan geluid zijn?" Het antwoord dat hierop werd gegeven was nogal technisch: "Geluid is een trilling, die naar onze zintuigen gestuurd wordt door ons oor, en die alleen maar herkend wordt als geluid in onze zenuwcentra. Het vallen van de boom (of een andere verstoring) zal trillingen veroorzaken. Als er geen oren zijn om ze te horen, is er geen geluid."

De huidige omschrijving komt uit het boek "Physics" door Charles Riborg Mann en George Ransom Twiss uit 1910. De vraag "Wanneer een boom in een verlaten bos omvalt, en er is geen dier om het te horen, maakt het dan een geluid? Waarom (niet)?". De vraag werd echter niet apart behandeld en alleen vanuit een natuurkundig standpunt bekeken.

Metafysica[bewerken]

De mogelijkheid van niet-waargenomen bestaan[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie ook: George Berkeley

"Kan iets bestaan zonder dat het waargenomen wordt?" Het voornaamste filosofische onderwerp in dit raadsel gaat over het bestaan van de boom (en het geluid dat hij maakt) dat buiten de menselijke waarneming valt. Als niemand de boom ziet, ruikt of hoort, hoe kan er dan gezegd worden dat hij bestaat? Hoe kunnen we zeggen dat de boom bestaat, wanneer zijn bestaan onbekend is?

Als we op exacte wetenschap terugvallen, zeggen we: de boom bestaat en mensen kunnen hem waarnemen. Berkeley ontwikkelde het subjectieve idealisme. Dit is een metafysische theorie om deze vragen te beantwoorden, door te stellen: Esse est percipi (Latijn), To be is to be perceived (Bestaan betekent waargenomen worden). Hedendaagse metafysici zijn hierover verdeeld: volgens de substantietheorie is een substantie anders dan zijn eigenschappen, terwijl de bundeltheorie van Berkeley zegt dat een voorwerp alleen maar zijn zintuiglijke indrukken is. De vallende boom maakt dus geen geluid.

Kennis van de niet-waargenomen wereld[bewerken]

"Kunnen we aannemen dat de niet-waargenomen wereld hetzelfde functioneert als de waargenomen wereld?" Dit roept de vraag op of een waarnemer, alleen al door te bestaan, de werkelijkheid die hij ziet kan veranderen. De meeste mensen nemen, net als natuuronderzoekers, aan dat een waarnemer niet verandert als de boom een geluid maakt of niet, maar dit is natuurlijk onmogelijk te bewijzen. Veel onderzoekers zouden het zo zeggen: "Een gebeurtenis die niet wordt waargenomen heeft geen effect op een andere gebeurtenis of voorwerp (bijvoorbeeld de mens). Daarom kan de gebeurtenis geen betekenis hebben in het heden. De situatie is precies dezelfde als deze gebeurtenis zich niet had voorgedaan.

Verschil zintuigelijke waarneming en werkelijkheid[bewerken]

"Wat is het verschil tussen het bestaan van iets en hoe het wordt waargenomen?" Dit is misschien wel de belangrijkste vraag. Als een boom buiten onze waarneming bestaat is er geen enkele manier om te weten te komen of de boom bestaat. Wat bedoelen we dan met "bestaan"?

Natuurkunde[bewerken]

In de natuurkunde wordt vastgesteld dat de daad van het waarnemen invloed uitoefent op het waargenomene. Het horen vereist dat lucht tegen een zintuig of meetinstrument trilt, iets zien betekent dat licht wordt geabsorbeerd dat anders doorgegaan was. Zeer kleine deeltjes kunnen alleen waargenomen worden door ze tegen te houden. Dit wordt de onzekerheidsrelatie van Heisenberg genoemd: het onvermogen om van een deeltje zowel de plaats als de snelheid accuraat te meten. Van een zeer klein boompje valt niet vast te stellen of het bezig is om te vallen, zelfs als er een waarnemer is die weet waar het staat.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties