Amerikaanse presidentsverkiezingen 2008

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken
In dit artikel wordt een actuele verkiezing beschreven.
De informatie op deze pagina kan daarom snel veranderen.
Aantal kiesmannen per staat
Aantal kiesmannen per staat

De Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2008 zullen worden gehouden op 4 november 2008. Deze presidentsverkiezingen zullen uitmaken wie George W. Bush zal opvolgen en de 44e President van de Verenigde Staten zal worden. Volgens Amendement XXII van de Grondwet van de Verenigde Staten mag Bush namelijk niet meer dan twee termijnen als president vervullen.

De verdeling van kiesmannen over de staten zal hetzelfde blijven als in de presidentsverkiezingen van 2004, namelijk gebaseerd op de census van 2000.

De winnaar zal worden ingehuldigd op 20 januari 2009.

Inhoud

[bewerk] Kandidaten

Democratisch presidentskandidaat Barack Obama
Democratisch presidentskandidaat Barack Obama
Democratisch presidentskandidaat Hillary Clinton
Democratisch presidentskandidaat Hillary Clinton
Republikeins presidentskandidaat John McCain
Republikeins presidentskandidaat John McCain

Sinds de parlementsverkiezingen op 7 november 2006 volgden de kandidaatstellingen elkaar – vooral in de eerste maanden van 2007 – snel op, tot in september 2007 de laatste kandidaten zich meldden. De presidentskandidaaten dienden zich officieel te registreren bij de Federale Verkiezingscommissie (Federal Election Committee: FEC).[1] Sommige verkiezingskandidaten zijn intussen gestopt, wegens gebrek aan succes.

[bewerk] Democraten en Republikeinen

Democraten Republikeinen
Officieel kandidaat
Uit de race gestapt

Zie hier de uitslagen van de Democratische voorverkiezingen en hier de uitslagen van de Republikeinen

[bewerk] Niet-kandidaten

Normaliter is de zittend vicepresident bijna automatisch kandidaat wanneer de president zich niet herkiesbaar kan stellen omdat hij al twee termijnen heeft geregeerd, maar Dick Cheney sprak zeer stellig uit dat hij geen kandidaat zou zijn. De verkiezingen van 2008 zijn daarom de eerste keer sinds de verkiezingen van 1928 dat zowel de zittende president en vicepresident niet deelnemen aan de verkiezingen.

Ook Jeb Bush, de broer van en gouverneur van Florida, deed niet mee, evenmin als minister van buitenlandse zaken Condoleezza Rice.

Aan Democratische kant deden oud-vice-president Al Gore en vorig kandidaat John Kerry niet mee.

[bewerk] Onafhankelijke kandidaten

Een kandidaat kan ook met behulp van een andere partij of onafhankelijk (independent) mee doen aan de presidentsverkiezing. Ross Perot wist als outsider in 1992 18,9% van de kiezers achter zich te scharen, maar won uiteindelijk geen enkele staat. De grootste hindernis voor kandidaten die via deze weg mee doen, is om ballot access te krijgen in elk van de 50 Staten van de Verenigde Staten en Washington D.C..

Ralph Nader was, als kandidaat voor de Green Party in 2000, bijvoorbeeld maar op 44 ballots verkiesbaar. Desondanks wordt Nader door Democraten beschuldigd van het stelen van beslissende stemmen tijdens de Amerikaanse presidentsverkiezingen 2000 waardoor George W. Bush de verkiezingen kon winnen van Democratische kandidaat Al Gore.

Onafhankelijk presidentskandidaat Ralph Nader
Onafhankelijk presidentskandidaat Ralph Nader

Op 24 februari 2008 maakte Nader bekend dat hij voor de derde maal deelneemt als onafhankelijk presidentskandidaat.[2]

Michael Bloomberg, miljardair en burgemeester van New York City, werd genoemd als mogelijke onafhankelijke kandidaat voor de verkiezingen van 2008.[3] Bloomberg liet in januari 2008 een onderzoek naar zijn kansen uitvoeren in alle 50 staten.[4]

[bewerk] Verloop

Het jaar 2007 stond in het teken van kandidaatstellingen, het inzamelen van geld en het opstarten van de verkiezingscampagnes.

[bewerk] Straw polls

Straw polls zijn informele stemmingen, om de mening van een groep mogelijke kiezers te peilen. In 2007, voordat de echte voorverkiezingen begonnen, waren er diverse van deze straw polls, waar niet altijd alle kandidaten aan deelnamen.

  • 11 augustus 2007 - De Ames Straw Poll in Ames (Iowa) heeft een reputatie hoog te houden. In 1999 won George W. Bush deze peiling onder Republikeinen, waarna één van zijn tegenstanders, Lamar Alexander, de strijd opgaf. Ook Dan Quayle en Elizabeth Dole stapten uit de 2000-race na slechte resultaten in straw polls.
    In 2007 werd de Ames Straw Poll gewonnen door Mitt Romney, met als tweede Mike Huckabee.
    Tommy Thompson besloot de dag erna, vanwege zijn slechte resultaat in de poll, uit de race te stappen.

[bewerk] Voorverkiezingen

Zie Uitslagen van de Democratische presidentiële voorverkiezingen 2008 voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Zie Uitslagen van de Republikeinse presidentiële voorverkiezingen 2008 voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In de eerste maanden van een verkiezingsjaar houden de Democratische Partij en de Republikeinse Partij voorverkiezingen in alle Amerikaanse staten. Uit deze verkiezingen worden afgevaardigden verkozen, die dan op de nationale partijconventies voor een presidentiële kandidaat stemmen.

Gedurende het jaar 2007 vond een wedstrijd plaats tussen de diverse staten, welke zijn voorverkiezingen het vroegst kon houden. Hoe eerder, hoe meer invloed zou een staat hebben. Deze grootschalige shuffle leidde ertoe dat Super Tuesday een volle maand eerder dan gebruikelijk viel, en met veel meer staten dan ooit tevoren (24), zodat het die dag bijna een "nationale voorverkiezing" was. Velen gingen er van uit dat na deze 5e februari in beide partijen de nominatie bekend zou zijn.
Sommige staten werden door hun partij bestraft voor het te vroeg houden van hun primaries: de afgevaardigden van Michigan en Florida zullen niet tot de Democratische conventie worden toegelaten, de Republikeinse Partij heeft het aantal afgevaardigden van sommige staten gehalveerd.

[bewerk] - 3 januari: Iowa caucuses

Begin januari 2008 begon het seizoen traditioneel met een caucus in Iowa op 3 januari, waar 's avonds de Republikeinen en Democraten ieder partijbijeenkomsten hielden in elk van de 99 county's van de staat. De opkomst was erg groot.

Aan de Democratische kant werd Barack Obama met 38% tot winnaar uitgeroepen. John Edwards (30%) eindigde net voor Hillary Clinton (29,6%). Vierde was Bill Richardson (2%), de rest scoorde minder dan 1%. Joe Biden en Christopher Dodd stapten uit de race wegens hun teleurstellende resultaat.

Aan de Republikeinse kant was Mike Huckabee de overwinnaar met 34% van de stemmen; Mitt Romney had 25%, Fred Thompson en John McCain beide 13%, Ron Paul 10%, Rudy Giuliani 4%, Duncan Hunter 1%.

[bewerk] - 5 januari: Wyoming (R) caucus

De Republikeinen hielden op 5 januari een caucus in de staat Wyoming. Het aantal afgevaardigden dat de staat mag afzenden naar de Republikeinse conventie is verminderd, omdat de caucus tegen nationale regels in was vervroegd. Er werd dan ook weinig campagne gevoerd in de staat. Mitt Romney werd overwinnaar met acht verkozen afgevaardigden (67%), Fred Thompson won er drie (25%), en Duncan Hunter een (8%).

[bewerk] - 8 januari: New Hampshire primaries

Nadat alle peilingen een achterstand van minstens 10% voor haar hadden voorspeld, won Hillary Clinton (39%) bij de verkiezingen voor de Democraten zeer verrassend van de grote favoriet Barack Obama (36%); John Edwards kreeg 17%, Bill Richardson 5% en Dennis Kucinich 1%.

Bij de Republikeinen won John McCain (37%), met als tweede Mitt Romney (32%), daarna Mike Huckabee (11%), Rudy Giuliani (9%), Ron Paul (8%), Fred Thompson (1%) en Duncan Hunter (1%).

Op 10 januari maakte Bill Richardson bekend dat hij zich terugtrok.

[bewerk] - 15 januari: Michigan primaries

Alhoewel de Democraten een voorverkiezing hielden, bestond er geen mogelijkheid om afgevaardigden voor het partijcongres te kiezen, omdat de nationale Democratische Partij het recht had ontzegd aan afgevaardigden van Michigan om hun stem uit te brengen gedurende het partijcongres, als straf voor het tè vroeg houden van de voorverkiezingen.

Bij de Republikeinen won Mitt Romney (39%), met als tweede John McCain (30%), daarna Mike Huckabee (16%), Ron Paul (8%), Fred Thompson (4%) en Rudy Giuliani (3%).

[bewerk] - 19 januari: Nevada caucuses

Na een spannende verkiezingsstrijd waarin Barack Obama de steun kreeg van de belangrijke vakbond van hotelwerkers in Las Vegas, won Hillary Clinton de Democratische caucus (51%), met Barack Obama als tweede (45%), gevolgd door John Edwards (4%). Door de verdeling van de stemmen over de kiesdistricten in de staat kreeg Obama echter een afgevaardigde meer.

Bij de Republikeinen won Mitt Romney, die veel tijd en geld had besteed aan Nevada (51%), met als tweede Ron Paul (13%), gevolgd door John McCain (8%), Mike Huckabee (8%), Fred Thompson (2%), Rudy Giuliani (2%) en Duncan Hunter (1%). Duncan Hunter stopte wegens zijn teleurstellende resultaten.

[bewerk] - 19 januari: South Carolina (R) primary

De uitslag van de Republikeinse primary werd beïnvloed door de uit de buurstaat Tennessee komende Fred Thompson, die stemmen trok van dezelfde conservatieve bevolkingsgroepen die verwacht werden op Huckabee te stemmen.

Het resultaat was dat John McCain won (33%), met Mike Huckabee (30%) als tweede. Daarna Fred Thompson (16%), Mitt Romney (15%), Ron Paul (4%) en Rudi Giuliani (2%).

Fred Thompson trok zich op 22 januari terug.

[bewerk] - 26 januari: South Carolina (D) primary

Al een dag eerder stopte Dennis Kucinich ermee.

De South Carolina primary werd overtuigend gewonnen door Barack Obama met 55% van de stemmen. Hillary Clinton werd tweede (27%), John Edwards derde (18%).

Na de South Carolina primaries maakten Edward Kennedy en zijn nicht Caroline Kennedy, de dochter van John F. Kennedy, bekend dat ze Barack Obama steunen. Ethel Kennedy, weduwe van Robert F. Kennedy, voegde zich op 2 februari bij de leden van de Kennedy familie die Obama steunen. Ze zien in Obama de nieuwe inspirerende leider, die Amerika volgens hen nodig heeft.

[bewerk] - 29 januari: Florida primaries

Bij de Democraten stond er niets op het spel, omdat ook hier de afgevaardigden hun stem niet mogen uitbrengen in de conventie, als straf voor het tè vroeg houden van de voorverkiezingen.

De Democratische voorverkiezingen werden wel gehouden: Hillary Clinton won met 50% van de stemmen, gevolgd door Barack Obama (33%) en John Edwards (14%).

Bij de Republikeinen won John McCain met 36% van de stemmen, met Mitt Romney (32%) als tweede en Rudy Giuliani op een teleurstellende derde plaats (15%). Zij werden gevolgd door Mike Huckabee (14%) en Ron Paul (3%).

Op 30 januari maakte John Edwards bekend uit de presidentiële race te stappen.

Later die dag deed Rudy Giuliani dat ook, daarbij zijn steun voor John McCain uitsprekend.

[bewerk] - 2 februari: Maine (R) caucus

De Republikein Mitt Romney won de caucus in de staat Maine. Hij kreeg 52 procent van de stemmen. Zijn partijgenoot en rivaal John McCain kreeg 21 procent van de stemmen. Ron Paul en Mike Huckabee eindigden als derde en vierde met respectievelijk 19 en 6 procent.

[bewerk] - 5 februari: Super Tuesday

Op Super Tuesday werden voorverkiezingen gehouden in 24 staten. Meer dan de helft van de Amerikaanse bevolking kon op deze dag een stem uitbrengen.

Bij de Democraten wonnen Hillary Clinton en Barack Obama er ieder ongeveer hetzelfde aantal afgevaardigden bij, zodat geen van beiden een duidelijke voorsprong kreeg. Clinton won de grootste staten, namelijk Californië en New York, terwijl Obama de meeste staten won.

Bij de Republikeinen vergrootte John McCain zijn voorsprong op Mitt Romney, die teleurstellend presteerde met zeven staten. Opvallend waren de overwinningen van Mike Huckabee in vijf zuidelijke staten. McCain won zowel de grootste als de meeste (9) staten.

De Super Tuesday-winnaars waren:

Democraten Republikeinen
Alabama Obama (56%) Huckabee (41%)
Alaska Obama (75%) Romney (44%)
Arizona Clinton (51%) McCain (48%)
Arkansas Clinton (70%) Huckabee (60%)
Californië Clinton (52%) McCain (42%)
Colorado Obama (67%) Romney (60%)
Connecticut Obama (51%) McCain (52%)
Delaware Obama (53%) McCain (45%)
Georgia Obama (67%) Huckabee (34%)
Idaho Obama (79%) Caucuses op 27 mei
Illinois Obama (65%) McCain (47%)
Kansas Obama (74%) Primary op 9 februari
Massachusetts Clinton (56%) Romney (51%)
Minnesota Obama (67%) Romney (41%)
Missouri Obama (49%) McCain (33%)
Montana Primary op 3 juni Romney (38%)
New Jersey Clinton (54%) McCain (55%)
New Mexico Clinton (49%) Primary op 3 juni
New York Clinton (57%) McCain (51%)
North Dakota Obama (61%) Romney (36%)
Oklahoma Clinton (55%) McCain (37%)
Tennessee Clinton (54%) Huckabee (34%)
Utah Obama (57%) Romney (90%)
West Virginia Clinton (67%) Huckabee (52%)

Op 7 februari maakte Mitt Romney bekend zijn campagne te staken.[5]

[bewerk] - 9 februari: "Super Saturday"

In vier staten, te weten Louisiana, Kansas, Nebraska en Washington, werd gestemd op deze zaterdag, door sommigen Super Saturday genoemd.

Barack Obama won alle drie de staten waar Democratische verkiezingen werden gehouden.

Mike Huckabee won verrassend in Kansas en Louisiana, terwijl John McCains voorsprong op hem in de staat Washington miniem was. De uitslagen maakten duidelijk dat John McCain problemen had om stemmen te verwerven van het conservatieve deel van de Republikeinse partij.

- Kansas (R)

Mike Huckabee won overtuigend de Republikeinse caucus in Kansas met 60% van de stemmen, voor John McCain (24%) en Ron Paul (11%).

- Louisiana

Barack Obama won de Democratische primary in Louisiana met 57%, met Hillary Clinton als tweede (36%).

Mike Huckabee was de winnaar van de Republikeinse primary (44%), gevolgd door John McCain (42%) en Ron Paul (5%). Omdat geen van de kandidaten meer dan 50% van de stemmen kreeg, werden volgens de regels van de Republikeinse partij in Louisiana de afgevaardigden niet door de uitslag van deze primary bepaald, maar verkozen door de staatsconventie van de Republikeinse Partij in Louisiana, die op 16 februari werd gehouden.

- Nebraska (D)

Barack Obama won de Democratische caucuses in Nebraska met 68%, gevolgd door Hillary Clinton (32%).

De Republikeinse primary in Nebraska wordt op 13 mei gehouden.

- Washington

Barack Obama won de Democratische caucuses in de staat Washington met 68% van de stemmen, met Hillary Clinton als tweede (31%)

De Republikeinse caucuses werden gewonnen door John McCain (26%), op de voet gevolgd door Mike Huckabee (26%). Opvallend waren de hoge stempercentages van de daarna volgende Ron Paul (21%) en de al uit de race getreden Mitt Romney (13%).

[bewerk] - 10 februari: Maine (D) caucus

Barack Obama won de caucuses in Maine met 59% van de stemmen en won daarmee alle vier Democratische voorverkiezingen in het weekeind. Hillary Clinton kreeg 40% van de stemmen en ontsloeg in reactie haar campagnemanager Patti Solis Doyle.

[bewerk] - 12 februari "Potomac primaries"

De Potomac is de grensrivier tussen Maryland en Virginia. Halverwege daaraan ligt het District of Columbia. Beide partijen hielden een primary in ieder van de drie gebieden.

Barack Obama won alle drie Democratische primaries, John McCain alle drie Republikeinse primaries.

De media besteedden er veel aandacht aan dat Obama Clinton voorbij streefde in het totaal aantal afgevaardigden.

- District of Columbia

Barack Obama won de Democratische primary met 76% van de stemmen, Hillary Clinton kreeg 24%.

John McCain won de Republikeinse primary met 67% van de stemmen. Mike Huckabee werd tweede met 17%, gevolgd door Ron Paul met 8%.

- Maryland

Barack Obama won de Democratische primary met 62% van de stemmen, Hillary Clinton kreeg 35%.

John McCain won de Republikeinse primary met 55% van de stemmen. Mike Huckabee werd tweede met 30%, gevolgd door Ron Paul met 6%.

- Virginia

Barack Obama won de Democratische primary met 64% van de stemmen, Hillary Clinton kreeg 36%.

John McCain won de Republikeinse primary met 50% van de stemmen. Mike Huckabee werd tweede met 41%, gevolgd door Ron Paul met 5%.

[bewerk] - 19 februari: Wisconsin, Hawaï (D), Washington (R)

Barack Obama won beide staten bij de Democraten. John McCain bij de Republikeinen.

Obama won de primary in Wisconsin met 58%, tegen Clinton 41%.

Obama won de Hawaïaanse caucus met 74%, tegen Clinton 25%. Ondanks dat ze beiden niet persoonlijk campagne hadden gevoerd in deze staat, was de opkomst de hoogste op Hawaï ooit. Het feit dat Obama in Honolulu is geboren speelde wellicht mee.

McCain won vrij gemakkelijk alle 37 afgevaardigden van Wisconsin en de resterende 19 van Washington.

Mike Huckabee kon na deze primaries ook theoretisch de benodigde 1191 afgevaardigden niet meer behalen, daarom claimde McCain de nominatie voor de Republikeinen. Met de toegezegde steun van de 286 afgevaardigden van Mitt Romney, en de super-afgevaardigden, kwam McCain door deze overwinningen boven de 1200 afgevaardigden uit.

[bewerk] - 4 maart: Vermont, Rhode Island, Ohio, Texas

Hillary Clinton won bij de Democraten in Rhode Island, Ohio en Texas, Barack Obama alleen in Vermont. Obama won wel de caucus in Texas die dezelfde avond onmiddellijk na de primary werd gehouden. Het verschil in aantal afgevaardigden bleef klein. Beide kandidaten kunnen echter alleen nog theoretisch de absolute meerderheid van verkozen afgevaardigden op het partijcongres halen. Het is waarschijnlijk dat de superafgevaardigden (super delegates) de doorslag gaan geven.

John McCain won alle vier de staten bij de Republikeinen overtuigend. Hierdoor kwam hij over de benodigde 1191 afgevaardigden. Mike Huckabee erkende de nederlaag en trok zich in de loop van de avond terug.

[bewerk] - 8 maart: Wyoming (D) caucuses

In deze dunbevolkte, Republikeins stemmende staat won Barack Obama de Democratische caucuses met 61%. Hillary Clinton kreeg 38%.

[bewerk] - 11 maart: Mississippi primaries

Ook hier won Barack Obama de Democratische voorverkiezing met circa tweederde van de stemmen.

John McCain won vanzelfsprekend alle afgevaardigden bij de Republikeinen.

[bewerk] - 22 april: Pennsylvania primaries

Ondanks dat Obama twee maal zoveel had uitgegeven aan reclamecampagnes wist Hillary Clinton deze grote staat te winnen met een verschil van 10% en kreeg daarmee 10 verkozen afgevaardigden meer dan Obama.

[bewerk] - 6 mei: Indiana en North Carolina primaries

In Indiana won Hillary Clinton nipt met 51 tegen 49 procent. In North Carolina won Barack Obama ruim met 56 tegen 42 procent. Ondanks dat het verschil in afgevaardigden weer iets groter werd, en haar campagnekas praktisch leeg is, wil Clinton nog niet opgeven.

Bij de Republikeinen kreeg John McCain 73, respectievelijk 77 procent van de stemmen.


[bewerk] - 13 mei: Nebraska en West Virginia primaries

In West Virginia won Hillary Clinton ruim met 67 tegen 26 procent.

[bewerk] - Volgende primaries en caucuses

Op 3 juni lopen de voorverkiezingen af, met South Dakota, Montana (D) en New Mexico (R) als laatste deelnemende staten.

[bewerk] Afgevaardigden

Er zijn twee soorten afgevaardigden naar de partijconventies, waar wordt bepaald wie de nominatie namens de partij krijgt:

  • verkozen (pledged) afgevaardigden, die verplicht zijn voor hun kandidaat te stemmen;
  • onverkozen (unpledged) afgevaardigden, ook wel super-afgevaardigden genoemd, die tot en met de conventie hun stem aan een andere kandidaat mogen geven. Deze super-afgevaardigden bestaan uit Congresleden, senatoren, gouverneurs en hoger partijkader.

In totaal zijn er bij de Democraten 4049 afgevaardigden (3253 pledged, 796 super), bij de Republikeinen 2380 (1917 pledged, 463 unpledged).

[bewerk] Gekozen afgevaardigden

Verkozen (pledged) afgevaardigden

(stand na de Indiana/North Carolina primaries)[6]

Democraten (Pledged/Superdelegates) Republikeinen (Pledged/Unpledged RNC)
Barack Obama 1600 284 John McCain 1333 85
Hillary Clinton 1445 273 Mike Huckabee * 264 3
John Edwards * 18 Mitt Romney * 255
Mike Gravel 0 Ron Paul 21
Fred Thompson * 0
Rudy Giuliani * 0
Duncan Hunter * 0

* = uitgestapt

[bewerk] Conventies

[bewerk] Debatten en verkiezing

[bewerk] Literatuur

[bewerk] Zie ook

[bewerk] Externe links

Wikinews
Wikinews heeft nieuwsartikelen over dit onderwerp:

Algemene informatie:

Nieuwsdiensten:

Kieskeuzes:


[bewerk] Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen, noten en/of referenties:


Presidentsverkiezingen in de Verenigde Staten

1789 | 1792 | 1796 | 1800 | 1804 | 1808 | 1812 | 1816 | 1820 | 1824 | 1828 | 1832 | 1836 | 1840 | 1844 | 1848 | 1852 | 1856 | 1860 | 1864 | 1868 | 1872 | 1876 | 1880 | 1884 | 1888 | 1892 | 1896 | 1900 | 1904 | 1908 | 1912 | 1916 | 1920 | 1924 | 1928 | 1932 | 1936 | 1940 | 1944 | 1948 | 1952 | 1956 | 1960 | 1964 | 1968 | 1972 | 1976 | 1980 | 1984 | 1988 | 1992 | 1996 | 2000 | 2004 | 2008 |

  Vlag van de Verenigde Staten
 
Persoonlijke instellingen