Amin al-Hoesseini

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Hadj Mohammad Amin al-Hoesseini

Mohammad Amin al-Hoesseini (ook gespeld als al-Husayni, el-Husseini of anders, Arabisch: محمد امین الحسینی; Jeruzalem, ca. 1893 - Beiroet, 4 juli 1974) was een Palestijns-Arabische nationalist en een islamitisch leider.

Al-Hoesseini was lid van Jeruzalems meest prominente familie, al-Hoesseini, grootgrondbezitters die zeer goede betrekkingen onderhielden met het toenmalige Osmaanse bewind. Zijn belangrijkste posities waren die van moefti van Jeruzalem en president van de Hoogste Moslimraad.

Vroege periode en opkomst[bewerken]

Al-Hoesseini groeide op in Jeruzalem, waar zijn vader al ten strijde trok tegen de Joodse emigranten, en studeerde aan de Al-Azhar universiteit te Caïro, waar hij zijn islamitische studies echter niet heeft afgemaakt. Tijdens de Eerste Wereldoorlog diende hij in het Osmaanse leger nadat hij in Turkije een officiersopleiding had gevolgd. Hij diende in de 47e brigade, gestationeerd in İzmir en werd nooit aan het front ingezet.

Na de Eerste Wereldoorlog keerde Amin al-Hoesseini naar Jeruzalem terug om er onderwijs te geven. In 1920 werd hij door het Britse militaire hof tot 10 jaar gevangenisstraf veroordeeld, omdat hij verantwoordelijk werd gehouden voor het Nebi Musa-pogrom dat in de Joodse wijk van Jeruzalem was uitgebroken. Nog voordat in Duitsland Adolf Hitler (met wie hij later poogde samen te werken) aan de macht was had Amin al-Hoesseini zich al als virulente Jodenhater ontwikkeld, mede omdat hij de Balfour-verklaring van 1917, die de Joden in Palestina een Nationaal Tehuis beloofde, zag als het gevolg van een Joods-Britse samenzwering. De Britse Hoge commissaris van het mandaatgebied verleende hem echter een jaar later amnestie en benoemde hem tot moefti van Jeruzalem om zijn halfbroer, Kamal, op te volgen. Binnen korte tijd werd hij ook benoemd als president van de Moslem Supreme Council en van het Islamitische Hof. Hierna ontwikkelde hij zich in korte tijd tot een belangrijk politiek leider met aanzienlijke Waqf-fondsen onder zijn beheer en voerde een krachtige oppositie tegen de voortgaande Joodse vestiging in Palestina. Zijn positie wendde hij aan om in moskeeën predikers aan te stellen en aan het hof rechters te benoemen die hem steunden in zijn anti-joods beleid. Diegenen onder de Arabieren die weerstand boden aan zijn beleid, zoals de machtige stam en grootgrondbezitters van de Nashashibis, die een meer gematigde lijn voorstonden, werden op vrijdagmorgen in de moskeeën met naam en toenaam als verraders van de islam genoemd en kregen te horen dat ze uit de moslimgemeenschap gestoten werden, zodat ze niet meer volgens islamitische riten konden trouwen en begraven worden. De grote fondsen in zijn beheer wendde hij aan om krachtig nationalistische propaganda te voeren, wapens uit Syrië en Transjordanië te smokkelen en zijn medestanders te bewapenen en op te leiden. Vervolgens werden pogroms in Jeruzalem, Safed, Tiberias en Hebron uitgevoerd na oproepen van al-Hoesseini, niet gericht tegen Joodse immigranten maar tegen eeuwenoude Joodse gemeenschappen. Vooral in Hebron werd verschrikkelijk huisgehouden. In 1931 werden 26 moordenaars van al-Hoesseini's milities door het Britse Militaire hof ter dood veroordeeld, waarvan uiteindelijk drie ervan werden terechtgesteld.

Amin al-Hoesseini genoot in de periode tot de Tweede Wereldoorlog in alle Arabische en islamitische landen een bijzonder groot gezag en was zeer populair omdat hij als vooraanstaand politicus ook een charismatisch leider was. In 1931 organiseerde hij een pan-Islamitisch congres te Jeruzalem, reisde het hele Midden-Oosten rond en verwierf politieke en financiële steun om oppositie te voeren tegen het Joods Nationaal Tehuis in Palestina en wist, gebruikmakend van deze kwestie, “de Arabische wereld ter verenigen in gemeenschappelijke haat tegen de Joden en Britten“[1].

Palestina voor de oorlog[bewerken]

Het Arabische Hoge Comité (1936)

Hoewel Al-Hoesseini bekendstond als de 'Grote Moefti', bezat hij die titel niet officieel. Hij speelde een belangrijke rol in het Arabische verzet tegen de zionistische politieke ambities in het Britse mandaatgebied Palestina.

In 1935 richtte hij een Arabisch-Palestijnse politieke partij (PAP) op met zijn neef, Jamal al-Hoesseini, als voorzitter. De daaraan verbonden jeugdvereniging, Al-Futtawah, was daarvan de krachtigste factor die in Palestina talrijke pamfletten met nationaalsocialistische leuzen en hakenkruisen verspreidde. Uit de leden van deze en andere paramilitaire verenigingen van jonge moslims in Palestina werden leden gerekruteerd voor geheime terroristische groeperingen, zoals de Jihad voor het Heilig Land die in Judea door Abdel Kader al-Hoesseini (Abd al-Qadir al-Husayni) werd opgericht en de in Galilea en Haifa optredende terreurgroep van sjeik Izz al-Din al-Kassam.

Op 19 april 1936 begon in Palestina een Arabische opstand die duurde tot 1939. Deze opstand werd geleid door het Arabische Hoge Comité, dat werd voorgezeten door Al-Hoesseini, en gaf leiding aan de paramilitaire terreurgroepen. Het Hoge Comité riep een algemene staking uit en riep op tot het niet-betalen van belastingen. Het comité eiste voorts de onafhankelijkheid, een einde van de Joodse immigratie en het verbod op het verkopen van land aan Joden. Joden en Joodse nederzettingen werden het doelwit van aanslagen. De moefti gebruikte deze opstand om zich te ontdoen van al die Palestijnen die het niet met zijn harde lijn eens waren en wilden onderhandelen met de Joden en de Britten zoals de machtige en invloedrijke stamhoofden van de Nashashibis en de Palestijnse christenen. Zijn paramilitaire terreurgroepen traden tegen deze ‘dissidente’ Palestijnen harder op dan tegen de Joden. Zo doodden ze in 1938: 279 Joden en meer dan tweeduizend Palestijnen waarbij de laatsten met buitengewone wreedheid waren ‘behandeld’. Waar zijn paramilitaire groepen de overhand kregen werd de Sharia opgelegd; wie zich niet hield aan de orthodox islamitische kledingvoorschriften of andere overtredingen tegen de Sharia beging werd onmiddellijk en meedogenloos gedood[2].

De opstand werd gesteund door de nazi-regering van het Duitse Rijk met financiering en wapenleveranties via Irak en Saoedi-Arabië. In juli 1937 vaardigde het Britse bestuur een arrestatiebevel uit, waarop Al-Hoesseini zich eerst terugtrok in het heiligdom Haram Ash-Sharif en vervolgens in oktober 1937 vluchtte naar Libanon. Hier zette hij het Hoge Comité, dat door de Britten was verboden, opnieuw op. In oktober 1939 vluchtte Al-Hoesseini verder naar Irak, omdat zijn relaties met Syrië en Frankrijk vertroebeld waren geraakt.

In 1939 wist het Britse bestuur samen met het Arabische verzet (onder leiding van Fachri Nashashibi, de aartsvijand van Al-Hoesseini) tegen de paramilitaire terreur van de moefti en Joodse milities de Palestijnse opstand te bedwingen, maar moest daarbij concessies doen. Groot-Brittannië zou afzien van het vestigen van een Joodse staat in Palestina en zou de immigratie van Joden beperken tot 75.000 in totaal voor de volgende vijf jaren. Deze concessies werden door Al-Hoesseini als ontoereikend van de hand gewezen.

Relaties met Duitsland[bewerken]

Al-Hoesseini en Hitler (1941)
Al-Hoesseini en Himmler (1943)

In zijn verzet tegen het Britse koloniale bestuur en de Joodse immigratie zocht Al-Hoesseini onder andere steun bij Duitsland. Direct na de machtsovername door Hitler en de nazi's in 1933 zocht hij toenadering tot de nieuwe Duitse machthebbers. Bij de ontmoeting met de nieuwe Duitse consul, Wolff, in Jeruzalem bood Al-Hoesseini direct zijn diensten aan en deelde hij mee: `De Moslims in en buiten Palestina begroeten het nieuwe regime in Duitsland van harte en hopen dat ook andere landen het fascistisch-antidemocratisch staatsbestel zullen overnemen.[3]` Duitsland wilde hier in dat jaar geen gebruik van maken om de Duits-Britse betrekkingen niet te beschadigen. In 1937 waren er meer contacten tussen Duitsland en Al-Hoesseini. In april 1941 pleegde Rasjid Ali, die onder invloed stond van Al-Hoesseini, in Irak een pro-Duitse staatsgreep. Toen de Britse troepen de opstand neersloegen vluchtte Al-Hoesseini naar nazi-Duitsland.

Op 28 november 1941 bracht hij in Berlijn een eerste bezoek aan Adolf Hitler, en verzocht hem een verklaring af te leggen van steun aan "de Arabische strijd voor onafhankelijkheid en bevrijding", aan welk verzoek Hitler echter niet wilde voldoen. De oplossing van het "jodenprobleem" werd echter wel in detail besproken.[4]

Nazi-Duitsland verzorgde via de kortegolfzender van Zeesen vanaf 1939 uitzendingen, gericht op het buitenland. De Arabische afdeling was de grootste afdeling en stond vanaf 1941 onder leiding van Al-Hoesseini. Al-Hoesseini riep via deze zender moslims op de Balkan op om dienst te doen in speciale moslim-eenheden van de Waffen-SS (de Handschar en Kama divisies). De zender kon ook in het Midden-Oosten goed ontvangen worden. Al-Hoesseini riep in zijn uitzendingen de Arabieren op om in opstand te komen tegen de Britse kolonisator en tot het vermoorden van iedere Jood die men tegenkwam.[5][6]

Herhaaldelijk zijn beweringen in omloop gebracht dat hij contacten zou hebben onderhouden met Adolf Eichmann. Echter, de vermaarde Joodse publiciste Hannah Arendt, die het in 1961 in Israël gevoerde proces tegen Eichmann volledig bijgewoond heeft en daarover het boek 'Eichmann in Jeruzalem' schreef, concludeerde: "Het proces onthulde alleen maar dat alle geruchten over Eichmanns connecties met Haj Amin Al-Hoesseini, de vroegere mufti van Jeruzalem, ongegrond waren." [7].

Al-Hoesseini onderhield echter wel contacten met Heinrich Himmler. Himmler zond hem op 2 november 1943 een ondersteuningstelegram naar aanleiding van de 26e verjaardag van de Balfour-verklaring[8]. Himmler bood Al-Hoesseini de mogelijkheid een instituut voor de opleiding van imams in Dresden op te richten. Hiervoor stuurde Al-Hoesseini een danktelegram aan Himmler op 27 november 1944 [9]. Ook intervenieerde hij op 6 mei 1942 bij de Bulgaarse minister van Buitenlandse Zaken toen hij vernam dat 4000 Joodse kinderen en hun begeleiders naar Palestina zouden mogen vertrekken. Hij pleitte ervoor ze naar een land te sturen waar ze onder strikte controle staan, bijvoorbeeld Polen. De kinderen werden daarna inderdaad gedeporteerd[10]. Al-Hoesseini verbleef tot 1945 in Duitsland.

Na de Tweede Wereldoorlog[bewerken]

Na de Tweede Wereldoorlog vluchtte hij eerst naar Zwitserland en vervolgens naar Frankrijk. Hier werd hij onder huisarrest geplaatst. Hij vluchtte vervolgens naar Egypte, waar hij in 1948 asiel kreeg onder bescherming van de Moslimbroederschap. Hij werd door de leider van de Moslimbroederschap, Hassan al-Banna, aangesteld tot vertegenwoordiger van deze (reeds machtige) organisatie in Palestina[11], waardoor hij het leiderschap kreeg over de meeste Arabieren daar en de Arabische opstand tegen de Engelsen en de Joden aldaar leidde. Onder andere Joegoslavië vroeg na de oorlog om zijn uitlevering maar dit verzoek werd niet ingewilligd. Van 1948 tot 1959 leidde hij een Palestijnse regering die door enkele Arabische landen werd erkend maar die buiten de Gazastrook geen grondgebied had (Egypte hield de Gazastrook bezet, Jordanië had de Westelijke Jordaanoever geannexeerd en erkende al-Hoesseini's regering niet). In 1959 werd de regering door Egypte opgeheven. In 1956 publiceerde hij in Caïro zijn boek De Waarheid van het Palestijnse Probleem in het Arabisch. Yasser Arafat, leider van de PLO, was een groot bewonderaar van Hoesseini en noemde hem zelfs als een van zijn helden en stelde hem ten voorbeeld aan zijn medestrijders[12].

Mohammad Amin Al-Hoesseini overleed in 1974 op ongeveer 79-jarige leeftijd in Libanon. Zijn bij leven geuite wens om in Jeruzalem begraven te worden werd door de Israëlische autoriteiten niet ingewilligd.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Brief van 20 januari 1941 van Amin al-Hoesseini, zie: Gerhard Höpp (ed.), “Mufti-Papiere. Briefe, Memoranden, Reden und Aufrufe Amin al-Husseinis aus dem Exil, 1940-1945“, Berlin 2001, pag. 18
  2. Kurth Fischer-Weth, “Amin el-Husseini. Großmufti von Palästina“, Berlin 1943, pag. 81-82; Schiller, pag.145-148.
  3. Dr. Hans Jansen, Van Jodenhaat tot zelfmoordterrorisme, par. 4.2.1 pag. 110, Uitg. Groen, Heerenveen (2006), ISBN 90-5829-622-9
  4. (de) Gespreksverslag van de ontmoeting van Al-Hoesseini met Hitler, 28-11-1941, NS-Archiv, documenten m.b.t. het nationaalsocialisme
  5. Schwipps, Werner (1971) Wortschlacht im Äther, Berlijn: Haude & Spenersche Verlagsbuchhandlung, pp. 58-62.
  6. Tillmann, Heinz (1965) Deutschlands Araberpolitik im Zweiten Weltkrieg, Oost-Berlijn, p. 83
  7. Hannah Arendt, Eichmann in Jeruzalem, 1994, p. 13.
  8. Telegram van Himmler aan Al-Hoesseini op 2 november 1943
  9. Höpp, Gerhard (2002) Mufti-Papiere Briefe, Memoranden, Reden und Aufrufe Amin al-Husainis aus dem Exil, 1940-1945, Berlijn: Klaus Schwarz Verlag, p. 229
  10. Gensicke, Klaus (2007) Der Mufti von Jerusalem und die Nationalsozialisten, Darmstadt: Wissenschaftliche Buchgesellschaft
  11. Matthias Küntzel: Islamic Antisemitism And Its Nazi Roots, April 2003
  12. www.politische-bildung-brandenburg.de artikel El-Husseini Citaat: Nach dessen Begräbnis nannte Arafat den Großmufti „unseren Helden“ nicht trotz, sondern wegen el-Husseinis Nazivergangenheit.