Amphicoelias

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Amphicoelias
Status: Uitgestorven, als fossiel bekend
Copes oorspronkelijke schets
Copes oorspronkelijke schets
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Chordata (Chordadieren)
Klasse: Reptilia (Reptielen)
Superorde: Dinosauria (Dinosauriërs)
Orde: Saurischia
Onderorde: Sauropodomorpha
Familie: Diplodocidae
Geslacht
Amphicoelias
Cope, 1878
Typesoort
Amphicoelias altus
Soorten
  • A. altus
  • A. fragillimus
Afbeeldingen Amphicoelias op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Herpetologie

Amphicoelias is een geslacht van plantenetende sauropode dinosauriërs, die tijdens het Late Jura (Tithonien-Kimmeridgien, ongeveer 150 miljoen jaar geleden) heeft geleefd. De soort A. fragillimus is mogelijk de grootste dinosauriër (en daarmee landdier) die ooit bestaan heeft.

Vondst[bewerken]

een tekening van de gevonden botten van Amphicoelias uit 1884

Het holotype van A. altus (AMDH 5764) werd in december 1877 door Edward Drinker Cope voor de eerste keer beschreven (de beschrijving werd echter pas in 1878 gepubliceerd). Het bestaat uit twee wervels, een os pubis (schaambeen) en een femur (dijbeen). Cope beschreef ook een tweede soort (A. latus) in hetzelfde rapport, maar deze soort werd door alle latere onderzoekers gezien als een synoniem voor A. altus. In 1878 beschreef Cope de wervel (en misschien een dijbeenfragment), holotype AMNH 5777, van een nieuwe soort, die hij A. fragillimus noemde. Het fossiel was door een verzamelaar, Oramel W. Lucas, gevonden in Colorado. De wervel was erg groot, maar ook in een erg slechte toestand. Cope verpakte de wervel en stuurde hem naar New York. De wervel kwam daar echter nooit aan. Het enige dat bekend is van A. fragillimus is een schets van Cope en zijn beschrijving ervan. Het is mogelijk dat de wervel is verpulverd tijdens de reis naar New York, maar omdat er geen direct bewijs is voor het bestaan van A. fragillimus en Cope toentertijd een privéoorlog voerde — de zogenaamde Bone Wars — met collega Othniel Charles Marsh over de vraag wie de meest spectaculaire fossielen kon beschrijven, wordt tegenwoordig de echtheid ervan door sommige onderzoekers betwijfeld. Terwijl Cope nog leefde werd er echter door niemand twijfel geuit, zelfs door de uiterst kritische Marsh niet.

Mocht de vondst echter authentiek zijn, dan was Amphicoelias waarlijk gigantisch. Kenneth Carpenter schatte in 2006 de heuphoogte op 9,25 meter, zo hoog als een huis, en de lengte op 58 meter. Daarmee zou Amphicoelias fragillimus de grootste dinosauriër zijn die tot nu toe gevonden is en daarmee het grootste landdier.

Grootte[bewerken]

De grootte van Amphicoelias fragillimus volgens Carpenter
Een vergelijking met andere reusachtige sauropoden

A. altus was ongeveer vier meter hoog, twintig meter lang en twintig ton zwaar. A. fragillimus zou ongeveer veertig tot zestig meter lang geweest zijn en ongeveer 120 ton gewogen hebben. Deze getallen werden bereikt door extrapolatie vanuit het anderhalve meter hoge wervelfragment, (waarschijnlijk ongeveer 2,7 meter toen het dier nog leefde) en door een vergelijking met andere gelijkaardige sauropoden. In zijn oorspronkelijk rapport schatte Cope de hoogte van A. fragillimus door de hoogte van zijn (hypothetische) femur (bovenbeenbot) te schatten. Hij had gemerkt dat dit bot bij andere diplodocidae, meerbepaald A. altus en Camarasaurus supremus, altijd dubbel zo hoog was als de hoogste dorsale wervel, Daarmee zou het femur van A. fragillimus ongeveer 3,7 meter hoog zijn.

In 1994 schatte Gregory S. Paul de lengte van het femur op 3,1 tot 4 meter, door de de botten van Amphicoelias te vergelijken met die van Diplodocus, een aan A. fragillimus verwante diplodocidae.

Omgeving[bewerken]

In zijn re-evaluatie van 2006 onderzocht Carpenter de paleobiologie van gigantische sauropoden, waaronder Amphicoelias, en keek ook naar de vraag waarom deze groep zo'n groottes bereikte. Hij wees op het feit dat de gigantische groottes al vroeg in hun evolutie bereikt werden, met erg grote soorten al gekend uit het late Trias en besloot dat de evolutionaire druk die grote groottes veroorzaakte al vroeg in hun evolutie aanwezig moest zijn. Carpenter citeerde meerdere studies van grote plantenetende zoogdieren, zoals olifanten en neushoorns, die aantoonden dat een grote grootte in planteneters leidt tot een grotere efficiëntie bij de voedselvertering. Omdat grote dieren langere spijsverteringsstelsel hebben, wordt het voedsel veel langer verteerd en kunnen grote dieren overleven op een lagere kwaliteit van voedsel. Dit is vooral waar bij dieren met een grote hoeveelheid 'fermentatiekamers' die microben toestaan om zich op te stapelen en plantenmateriaal te fermenteren, waardoor het verteringsproces geholpen wordt. Doorheen hun evolutionaire geschiedenis werden sauropoden voornamelijk gevonden in omgevingen met een droogte seizoen, met een overeenkomstige daling in de kwaliteit van het voedsel tijdens dat seizoen. De omgeving van Amphicoelias was in essentie een savanne, gelijkaardig aan de droge omgevingen waarin modere grote herbivoren leven, wat het idee ondersteunt dat de slechte kwaliteit van het voedsel in deze gebieden de evolutie van grote herbivoren bevoordeelt. Carpenter meent dat andere voordelen van een grote grootte, zoals een relatieve immuniteit van roofdieren, lager energieverbruik en een langere levensduur, waarschijnlijk secundaire voordelen zijn.

De omgeving van de Morrison Formatie, waarin Amphicoelias leefde, zou geleken hebben op een moderne savanne, maar omdat gras niet verscheen tot het late Krijt waren varens waarschijnlijk de dominante plant en hoofdzakelijke bron van voedsel. Hoewel Engelmann et al. (2004) varens als voedselbron voor grote sauropoden hadden uitgesloten omwille van hun lage calorie-inhoud, meent Carpenter dat het spijsverteringsstelsel van deze dieren, aangepast om voedsel van lage kwaliteit aan te kunnen, de consumptie van varens toelaat als een hoofdbron van voedsel voor sauropoden. Carpenter merkte ook op dat de af en toe voorkomende, grote versteende houtblokken wijzen op het voorkomen van 20-30 meter hoge bomen, wat de vergelijking met een savanne lijkt tegen te spreken. De bomen zijn echter zeldzaam en aangezien grote bomen meer water nodig hebben dan de savanne over het algemeen kan leveren, kwamen ze waarschijnlijk voor in smalle stroken of 'galerijbossen' langs rivieren en ravijnen waar water zich verzamelde. Carpenter speculeert dat grote herbivoren zoals Amphicoelias misschien de schaduw van deze kleine bossen gebruikten om overdag koel te blijven en het grootste deel van hun eten 's nachts op de open savanne deden.

Etymologie[bewerken]

De geslachtsnaam Amphicoelias komt van het Grieks amphi, "aan beide kanten", en koilos, "hol", en betekent dus ongeveer "aan beide kanten hol", de toestand van de uiteinden van het wervellichaam. De soortaanduiding altus is Latijn voor "hoog", latus voor "breed" en fragillimus voor "uiterst breekbaar".

Bronnen