André de Longjumeau

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

André de Longjumeau (gest. 1253) was een dominicaanse missionaris en ontdekkingsreiziger, die op verzoek van Lodewijk de Heilige naar Mongolië ging en betrokken was bij het verkrijgen van de reliek van doornenkroon van Christus voor Lodewijk.

Eerste handelingen[bewerken]

De eerste bronnen die over Longjumeau spreken, noemen een missie in opdracht van magister-generaal Jordanus van Saksen in 1228, samen met enkele andere monniken naar het oosten. Hier leerde Longjumeau enkele oosterse talen spreken.

Toen Boudewijn II van Namen, keizer van Constantinopel, de doornenkroon van Christus aan Lodewijk de Heilige gaf, werd André de Lungjumeau opgedragen deze te gaan halen. In zijn gezelschap bevond zich onder meer Jacob van Parijs, een belangrijke dominicaan uit die tijd. De kroon werd echter in de tussentijd verkocht aan de Venetianen, waarna de monniken deze daarheen moesten brengen. Longjumeau bleef bij de kroon, terwijl zijn reisgenoot naar de koning ging om deze van de netelige situatie op de hoogte te stellen. Lodewijk kocht de kroon van de Venetianen, die hard geld nodig hadden. In 1239 keerde de twee monniken met de kroon terug in Frankrijk.

In 1245 was Longjumeau pauselijk legaat voor Innocentius IV, die hem vroeg de orthodoxe Christenen te verenigen met de Katholieke Kerk. Dit lukte niet en waarschijnlijk was het André die hun gezamenlijke brief naar de paus bracht.

Pogingen de Mongolen te bekeren[bewerken]

Longjumeau werd in 1248 naar Mongolië gestuurd met het idee dat hij daar een khagan zou aantreffen die geïnteresseerd was in het aannemen van het Christelijk geloof. Hierbij zou het gaan om Güyük, die hoogstens kennis van het Christendom via Christelijke familieleden had. Güyük was echter al dood toen Longjumeau aankwam in Mongolië. Hij trof de regent, Oghul Ghaimish, de vrouw van Güyük. Longjumeau droeg vele geschenken bij zich, onder meer een draagbare scharlaken schrijn, met gouden afgezet, gestikt met afbeeldingen van het leven van Christus. In de schrijn bevond zich een fragment van het ware kruis.

Voordat het geschenk werd overhandigd, moest Longjumeau tussen twee vuren doorlopen met de geschenken, als reinigingsritueel. De Mongolen geloofden dat dit de eventuele kwade bedoelingen zou tegengaan. Oghul accepteerde de geschenken hierna vol genoegen, er van overtuigd dat, geheel volgens de traditie van het Mongoolse systeem van verovering, Lodewijk zich aan het Mongoolse Rijk had onderworpen. Ze gaf Longjumeau de opdracht naar Frankrijk terug te gaan met een brief voor Lodewijk. Hierin stond dat hij elk jaar een schatting moest betalen en zo mogelijk volgend jaar de schatting zelf moest komen brengen, zodat hij zich in eigen persoon kon onderwerpen. Ondanks deze tegenslag bleef de Lodewijk de Heilige proberen de Mongolen te bekeren.

Het verslag van André aan zijn koning, die hij in 1251 in Caesarea terug zag, was deels feit, deels fabel. Zijn verslag over de opkomst van het Mongoolse Rijk als grootmacht is onwaar, waarbij hij de eerste leider (waarschijnlijk Genghis Khan) met Priester Jan laat vechten om de macht. Zijn verslagen van de cultuur en manieren zijn echter een stuk waarheidsgetrouwer. Ook zijn verslag over Christenen in Mongolië is correct, hoewel het waarschijnlijk overdreven is te spreken van 800 verrijdbare kapellen voor de nomaden.

Over Longjumeau weten we vooral veel door zijn franciscaanse opvolger, Willem van Ruysbroeck, die de volgende missie naar Mongolië leidde.