Zaak-Anja Joos

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Anja Joos)
Ga naar: navigatie, zoeken

De zaak Anja Joos was een Nederlandse rechtszaak naar aanleiding van een gebeurtenis op maandag 6 oktober 2003 in Amsterdam, waarbij een drugsverslaafde vrouw overleed door openlijke geweldpleging van een groep winkelbedienden.

Gebeurtenis [bewerken]

Het slachtoffer, Anja Joos (1960), een Nederlandse van Duitse afkomst, verliet op de avond van 6 oktober 2003 supermarkt Dirk van den Broek aan het Marie Heinekenplein in De Pijp aan de zijde van de Eerste van der Helststraat. Hier werd ze door personeel van de winkel staande gehouden op verdenking van diefstal van blikjes bier en hondenvoer. Er bleek niets aan de hand. Daarop zou Joos de medewerkers voor kutmarokkanen hebben uitgemaakt.[1] Op het Gerard Douplein volgde een vechtpartij, waarbij ook niet-medewerkers waren betrokken. Joos werd hierbij in elkaar getrapt. Haar belagers lieten haar op straat achter, waar de gealarmeerde hulpdiensten haar even later vonden. In het ziekenhuis overleed Anja Joos korte tijd later.[2]

Nagedachtenis [bewerken]

In een stille tocht voor Joos, op 15 oktober, liepen duizend mensen mee. Haar ouders werden in Duitsland opgespoord, maar weigerden de begrafenis bij te wonen.[3] Joos werd op 17 oktober na een herdenkingsdienst in de Oranjekerk begraven op de Amsterdamse begraafplaats Sint Barbara,[4] op kosten van de gemeente. Joos ligt in een verzamelgraf dat in de zomer van 2003 is aangekocht door het Amsterdamse drugspastoraat.

In februari 2004 is in het plaveisel van het Gerard Douplein een gedenksteen aangebracht, op de plaats waar Joos stierf.

Rechtszaak [bewerken]

Acht verdachten zijn vervolgd in verband met de dood van Joos. Op 16 november 2004 zijn, in hoger beroep, twee van hen vrijgesproken. De hoofdverdachte werd veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf, waarvan 1 jaar voorwaardelijk. De overige vijf verdachten werden allen veroordeeld tot zes maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 240 uur. Het hof in Amsterdam was van mening dat de daders niet hadden kunnen voorzien dat hun handelwijze zou resulteren in de dood van het slachtoffer en ook dat zij niet uit waren geweest op wat uiteindelijk is gebeurd. Het hof vond daarnaast wel dat de daders welbewust een confrontatie met het slachtoffer hadden gezocht, waardoor er geweld op straat was ontstaan.

Bronnen, noten en/of referenties