Anneke Brassinga

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Anneke Brassinga
Afbeelding gewenst
Algemene informatie
Geboren 20 augustus 1948, Schaarsbergen
Land Vlag van Nederland Nederland
Beroep dichteres, prozaïst en vertaalster
Werk
Invloeden J.H. Leopold
Thema's taal, natuur, dood
Uitgeverij De Bezige Bij
Onderscheiding(en) P.C. Hooft-prijs 2015
Dbnl-profiel
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

Anneke Brassinga (Schaarsbergen, 20 augustus 1948) is een Nederlandse dichteres, prozaïst, essayist en vertaler. De vooral door J.H. Leopold beïnvloede auteur koestert bezwaren tegen de vrijblijvendheid van het postmodernisme en ziet zichzelf eerder als surrealist. De belangrijkste prijzen die deze veel bekroonde auteur ten deel vielen zijn de Constantijn Huygens-prijs voor hele oeuvres, toegekend in 2008, en de P.C. Hooft-prijs 2015 voor haar poëzie-oeuvre van vijfhonderd bladzijden.[1] De kern van Brassinga's werk bestaat volgens criticus Piet Gerbrandy uit '[v]echtlust, geestige dwarsheid en grondeloze melancholie'.[2] Zij raakt in haar poëzie, aldus de typering van criticus Paul Demets, 'allerlei onheil aan dat met de vergankelijkheid gemoeid is, maar bij haar krijgt dat een soort dragelijke lichtheid.'[3]

Levensloop[bewerken]

Brassinga volgde van 1967 tot 1972 de opleiding Literair vertalen aan de Universiteit van Amsterdam. Al in 1974 publiceerde ze proza en poëzie in het literaire tijdschrift De Revisor onder het pseudoniem A. Tuinman.

In 1975 verscheen haar eerste vertaling, De jaren in Birma van George Orwell.[4] Ze maakte daarna naam als vertaalster van onder anderen Oscar Wilde, Vladimir Nabokov, Samuel Beckett, Patricia Highsmith, W.H. Auden, Hermann Broch, Jean Jacques Rousseau, Marcel Proust, en Jules Verne.[5][6] In 1978 werd haar voor de vertaling van Vladimir Nabokovs The Gift de Martinus Nijhoff-prijs toegekend. Ze weigerde die in ontvangst te nemen.[7] Ze vond dat, door de boycot van een groot aantal vertalers, de jury slechts kon kiezen uit een kleine groep kandidaten.

In 1987 verscheen eindelijk Brassinga's eerste reguliere, niet-bibliofiele poëziebundel, Aurora. De bundel Ariel van Sylvia Plath, die ze in 1980 vertaalde, trof haar sterk door het authentieke en heftige karakter: 'Toen ben ik zelf ook gedichten gaan schrijven.'[8] In 1993 verscheen haar eerste prozabunel, Hartsvanger. In november 2008 ontving zij de Constantijn Huygensprijs voor haar hele oeuvre, volgens de jury "een uniek universum van taal, waarin ze voortdurend zoekt naar een balans tussen de wereld van woorden en de echte, die van gras, vlees, botten, liefde. Razend knap, geestig, ontroerend, soms ergerniswekkend, nooit gemakkelijk."

Op de vraag van welke dichters invloed op haar is uitgegaan, antwoordde de auteur: 'Ik heb altijd het gevoel dat ik door Leopold beïnvloed ben. Daar heb ik zo ontzettend veel in gelezen, daar moet ik echt helemaal doordrenkt van zijn.'[9]

In 1988 trouwde Brassinga met de grafisch kunstenaar en bibliofiel drukker Peter Yvon de Vries. Van haar werk verschijnen dan ook 'prachtige bibliofiele uitgaven.'[10] Over haar levenswijze als kluizenaar heeft de auteur in een interview gezegd: 'Afzondering is goed voor mijn concentratie en ik houd er een soort onschuldigheid bij. Ik kom beter tot mijn eigen dingen.'[11]

Anneke Brassinga woont soms in Amsterdam, maar ook in Parijs of Berlijn.[12]

Vertaler[bewerken]

Brassinga ontving veel lof voor haar vertalingen. Onder de naam Battus vergeleek Nabokov-kenner Hugo Brandt Corstius haar vertaling van Nabokovs De verdediging, een oorspronkelijk in het Russisch geschreven roman, met Nabokovs eigen Engelse vertaling uit 1964 en de eerdere Nederlandse vertaling van M. en L. Coutinho uit 1967. Brassinga's werkstuk noemt hij 'een nieuwe, betere, vertaling', want 'eigenlijk is er maar één punt dat ik Coutinho tegen Brassinga zie scoren.'[13]

Volgens Barber van de Pol in De Gids was het vertalen van Herman Melvilles laatste roman The Confidence-Man (1857), volgens haar gekenmerkt door 'verneukeratief' taalgebruik, Brassinga op het lijf geschreven: 'Dit boek hoort, denk je, bij deze vertaalster, die er immers als dichteres blijk van geeft het woordspel, het bijzondere idioom en een soort euforische barok te koesteren.'[14]

Brassinga ervaart dat vertalingen naarmate de jaren verstrijken niet vlotter maar juist langzamer tot stand komen: 'Je wordt gewetensvoller, nauwkeuriger.' Ook wanneer een vertaling eenmaal is verschenen houddt de verantwoordelijkheid van de vertaler niet op: 'Als de boeken die ik vertaal heb, herdrukt worden, ga ik er liefst opnieuw helemaal doorheen.'[15]

Poëzie[bewerken]

Het vertaalwerk bracht Brassinga het besef bij dat de mogelijkheden om een anderstalig werk zo precies mogelijk te benaderen, een grote verantwoordelijkheid voor het taalgebruik impliceert. In haar poëzie, die zich ook kenmerkt door een belangstelling voor de natuur, is de taal zelf een thema. Verwijzingen naar andere bronnen, van poëzie tot kinderliedjes, is al aanwijsbaar vanaf haar debuut Aurora, dat intertekstuele connecties met onder meer Herman Gorter, J.J. Slauerhoff, Hans Lodeizen vertoont. Ook zijn sporen van Leopold, Marsman, Jacques Perk en Van Geel aanwijsbaar.[16] Natuurbeelden in het debuut betreffen de zee en de maan, de Hautes Fagnes en de Veluwe, winter en zomer, en dieren als de pinguïn en pauw.[17]

Poëziecriticus Guus Middag sprak al meteen bij dit debuut het vermoeden uit dat de vele intertekstuele verwijzingen geen poëticale implicaties hebben, maar zich voordoen als een toevalligheid.[18] Literatuurhistoricus Hugo Brems ziet die verwijzingen als onderdeel van 'een wilde keten van associaties' waaraan ook de vorm, klank, en betekenis van een woord, verbanden met andere talen en persoonlijke herinneringen bijdragen. De lezer kan hierin een 'vrijblijvend taalspel' zien, maar ook een demonstratie van hoe betekenissen 'uitwaaieren, wanneer verbeelding, spel en de materialiteit van de taal het creatieve proces gaan leiden.'[19]

In de twee volgende bundels, Landgoed (1989) en Thule (1991), krijgt de taal een grotere rol als motief. Het gaat minder om wat er gezegd wordt en meer om de manier waarop. Zo behelst de tweede afdeling van Landgoed zes gedichten die aanvankelijk als prozacolumns in NRC Handelsblad verschenen onder de titel Words, woords, woorden.[20] Brassinga's vierde bundel, Zeemeeuw in boomvork (1994), acht Heynders in meerdere opzichten een stap vooruit. Zo is het construeren van woorden overtuigender gedaan (het uitproberen en in een vervreemdende context plaatsen van 'nieuwe' woorden) en het woordmateriaal wint, gescheiden van poëtische conventies, aan belang. Als gevolg leveren de gedichten eerder een - fragmentarische - voorstelling op dan een herkenbare mededeling.

In de bundel Zeemeeuw in boomvork (1994), weet het 'dichterlijk handelen' meer te overtuigen en deze stijgende lijn zet zich voort in de bundels Huisraad (1998) en Verschiet (2001). Hier treft men nog steeds dezelfde motieven aan, namelijk allusies op andere literatuur, natuurbeelden, de interesse in woordconstructies en ironie om de eigen persoon op afstand te houden. Maar door de grotere afwisseling in toon en ritme, een krachtiger stem, en een grootsere thematiek is deze poëzie 'krachtiger en indrukwekkender dan die in de eerste vier bundels.'[21]

De bundel Ontij uit 2010 opent met een afdeling 'Fysica' die is geïnspireerd op de Fysica van Aristoteles, De mechanisering van het wereldbeeld van wetenschapshistoricus E.J. Dijksterhuis en de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS). Het gedicht 'Rakelings' hieruit is een 'kleine groet' aan K.L. Poll, die ooit een bundel met die titel publiceerde.[22] Met deze afdeling stond de auteur voor ogen 'een reeks te schrijven waarbij ik veel dingen van buiten incorporeerde; met objets trouvés.'[23] Het noemen van namen duidt niet steevast op bewondering. Van het trio Job, Vincent en Ida vindt Brassinga Job 'zo verschrikkelijk mooi in de Statenvertaling' en het proza van Van Gogh 'godswonderlijk prachtig', maar bij Ida ging het haar alleen om de 'vertederende naam', want op de poëzie van Gerhardt is ze niet erg gesteld: 'daar zit vaak een martiale verbittering in waarmee ik weinig voeling heb.'[24]

Naar aanleiding van de verschijning van Het wederkerige in 2014 reageerde Brassinga instemmend op de indruk van interviewer Koen van Baelen dat haar poëzie 'beschouwelijker' is geworden: 'Vroeger leefde ik meer in een roes van allerlei emoties, terwijl ik nu een dubbele blik heb.'[25] De titel heeft betrekking op het verlangen bij gestorven geliefden te zijn. 'Niet echt natuurlijk, want anders zat ik hier niet, maar in de poëzie kun je dat heel goed sublimeren.' Zo wordt de reeks 'Orfisch', die draait om het verlangen om met een geliefde overledene te communiceren, afgesloten met een gedicht waarin dat verlangen werkelijkheid wordt.[26] Het eerste gedicht, 'Romantisch', gaat over de tijd dat dichters als Shelley geloofden dat poëzie iets teweeg kon brengen. Nu deze hoop vervlogen is, 'schrijven de meeste dichters (...) gedempt cynisch of ironisch.' Zelf werkt Brassinga vanuit een geloof in de taal als 'voertuig voor bijgeloof, bijvoorbeeld in het kinderlijke in de mens, of in onschuld.'[27]

Naast humor en pastiche benut Brassinga zowel associatieve verbanden als nuances in betekenis. De poëzie, concludeert de letterkundige G.J. van Bork, krijgt aldus de gedaante van 'een proeftuin', dat wil zeggen 'een woordspel dat nu eens associatief, dan weer bespiegelend en soms zelfs melancholiek of kolderiek is.'[28] Criticus Arjan Peters spreekt van 'nu eens exuberante, dan weer ingetogen, maar altijd eigenzinnige poëzie.' Thematisch ontwart ook hij veel 'natuurbeelden' en 'woordliefde', maar ook 'veel vergeefse liefdes' en 'in memoriams voor dierbaren'.[29]

Het juryrapport van de P.C. Hooft-prijs prijst met name het rijke taalgebruik en noemt het oeuvre 'een geestverruimend heelal van taal' waarin per gedicht 'onvermoede vergezichten van zeggingskracht' voor de lezer opdoemen. Daarnaast prijst de jury het plezier waarmee de dichter zich ontfermt over 'bijna vergeten of in onbruik geraakte woorden'. Ook is er waardering voor de variatie aan bronnen waaruit Brassinga put, afkomstig uit 'talloze literaturen, tradities en milieus, van academie tot markt, straat en kroeg.'[30] De hoge status van de poëzie boezemt de auteur enig wantrouwen in, omdat die lang niet altijd wordt waargemaakt. Zij keert zich tegen 'de traditie van eerbied en verhevenheid rond het genre. Tegelijkertijd bestaat er veel plichtmatige productie.'[31]

Al vanaf haar eerste publicaties zijn volgens Gerbrandy ogenblikken van geluk en helderheid aan te wijzen, doorgaans verbonden met intense ervaringen uit de natuur of de muziek. Hij ziet in haar werk 'een dwarse geest die haar aanwezigheid in dit tranendal als een komische vergissing lijkt te zien.' Ook speelt Brassinga het klaar om muiek te herscheppen tot een geslaagd gedicht, een exercitie die bij mindere dichters slechts tot 'pretentieus geneuzel' leidt. Aanzienlijk minder waardering heeft Gerbrandy voor de neiging tot woordspel, niet alleen omdat de auteur soms met 'tamelijk flauwe teksten' volstaat, maar haar exuberantie ook geregeld 'niet in de hand lijkt te hebben' en dan de taal geweld aandoet.[32]

Proza[bewerken]

Brassinga's prozadebuut Hapschaar (1993) is het resultaat van een poging om een roman te schrijven, maar het werd, in de woorden van de auteur zelf, 'een soort encyclopedie, met losse lemma's.'[33] Het boek bevat onder meer autobiografisch materiaal. Zo komt de zelfmoord door verdriking van haar 82-jarige moeder ter sprake en haar eigen ervaringen met anorexia, waarbij 'het vasten tot hartstocht' wordt.[34]

Tegenover het poëzietijdschrift Awater verklaarde Brassinga liever essays dan poëzie te schrijven, want 'een essay kun je veel makkelijker zoekenderwijs schrijven, omdat iedere lezer snapt dat je iets zoekt.'[35]

'Ik hou ontzettend veel,' aldus Brassinga over haar eigen smaak in proza, 'van lange, ingewikkelde stapelzinnen en van proustiaans meanderende zinnen waarin je de gedachtengang van de schrijver kunt volgen alsof hij hem al schrijvend aan het bedenken en uitwerken is. Natuurlijk kan dat ook in korte zinnetjes, maar ik krijg een wellustig gevoel bij een lange, goed in elkaar zittende, elastische zin, als een ding op zichzelf. Ook door de muzikaliteit, het symfonische. Bij Hermans heb ik wel mooie korte zinnen gelezen. Maar in het hedendaags proza wordt de korte zin ernstig misbruikt.'[36]

In haar proza springt Brassinga vaak naadloos over van natuurbeschrijving naar persoonlijke ontboezemingen en beschouwingen over haar geliefde schrijvers. Van dit laatste noemt Gerbrandy het essay over Proust uit Bloeiend puin 'een schitterend opstel'.[37]

Thematiek[bewerken]

Literatuuronderzoeker Odile Heynders noemt 'de kwetsbaarheidd van het schone de grondslag waarop alles rust' bij Brassinga.[38] Na haar derde bundel begint Brassinga zichzelf meer te relativeren. 'Misschien,' zo suggereert zij in Het zere been (2002), is het juist de beweging tegen het persoonlijke in waardoor de stem van de kunstenaar zijns ondanks onverwisselbaar wordt, en uniek.' Deze paradox acht Heynders karakteristiek voor het werk van Brassinga zelf.[39] De veelal compacte gedichten zijn vaak 'prettig ontnuchterend' en vrij van een diepere betekenis: Brassinga heeft 'geen existentiële waarheid' te verkondigen.[40]

Hoewel de auteur het brute in de natuur altijd heeft onderkend, is haar natuuropvatting in de loop der jaren grimmiger geworden, want zij is er inmiddels 'helemaal van doordrongen (...) geraakt dat de natuur helemaal geen compassie met ons heeft.' Voor deze fundamentele 'koude grandeur van de natuur' heeft Brassinga meer ontzag gekregen.[41] Volgens criticus Rob Schouten tracht Brassinga 'via haar eigenaardige taal buiten zichzelf te treden' en vloeien in haar werk 'taalspel en wijsgerigheid in elkaar over'.[42]

Brassinga houdt er geen vastomlijnd wereldbeeld op na: 'Mischien heb ik wel een bewonderend wereldbeld. Of misschien is mijn wereldbeeld dat alles nooit af is.' Deze opvatting blijkt ook uit de gewoonte van de auteur om gedichten na publicatie te blijven verbeteren, want '[w]aarom zou iets ooit af zijn? Je bent zelf toch ook niet af?' In plaats van aan een levensbeschouwing ontleent Brassinga haar houvast aan 'mijn eigen hersens en aan de ontzettende drift waarmee de mensheid vanaf het begin der tijden de wereld heeft gereproduceerd in tekst, muziek, afbeeldingen.'[43]

Haar poëzie is vrij van maatschappelijk engagement, want de auteur heeft 'geen bevolkingsgroep om achter te gaan staan. Ik heb het al moeilijk genoeg om mijn eigen bestaansrecht te voelen.' Hooguit kan haar poëzie gezien worden als een protest 'tegen de lamentabele positie van de mensen in het heelal, die geboren worden in een wereld waar ze niet op voorbereid zijn, waar allerlei verhoudingen al vast liggen.'[44]

Poëticale opvattingen[bewerken]

Aan Brassinga's dichterschap ligt volgens Heynders een paradox ten grondslag. Dichten is bij haar niet enkel een bewust maakproces, maar kent ook een spontaan element van 'laten gebeuren en waarnemen.' Het is niet nodig dat de dichter haar stem verheft; het volstaat om stem te zijn en te horen, aldus het 'poëticale pleidooi' van het gedicht 'Het obscure.'[45] Heynders meent dat er 'een poëticale betekenis op te maken is' uit het gedicht 'Schrenslompen'. Hierin staat: 'een niet bestaand woord is het beste woord'.[46] Toch is van geheimtaal of een hermetische lyriek geen sprake, het is 'zo helder als wat.'[47] Helder zijn ook enkele regels die Marjoleine de Vos uit haar mond optekende: 'Een gedicht moet een kernzin hebben' en 'Ik heb een soort regel dat een regel op eigen benen moet staan, los moet kunnen worden gelezen'.[48]

De poëzie die vanaf 1998 verschijnt, onderstreept het credo uit Bloeiend puin: 'Ik ben niet zo'n liefhebber van poëzie als literaire vorm en nog veel minder van poëzie als een vorm van allerindividueelste expressie van de overbekendste emotie.'[49] De constante in haar literatuuropvatting is dat literatuur moet raken aan het schone en dit behelst zowel de samenhang als het onvermijdelijk uit elkaar vallen van alles.[50]

Literair-historische positie[bewerken]

Literatuurhistoricus Hugo Brems schaart de poëzie van Brassinga onder een groep verwante dichters die zich weliswaar in de buurt van het postmodernisme bevinden maar niet postmodernistisch zonder meer zijn, omdat hun werk ook te lezen is 'als manifestaties van een veeleer modernistisch te noemen ervaring van een verbrokkelde werkelijkheid'. Deze groep bestaat uit onder meer Tonnus Oosterhoff, Erik Spinoy, K. Michel en Arjen Duinker.[51] Oosterhoff is een constante vergelijkingsfactor, want ook volgens Rob Schouten is er 'een poëticale lijn te trekken van Lucebert via Ter Balkt naar dichters als Anneke Brassinga en Tonnus Oosterhoff'.[52]

Wat betreft het proza ziet Brems verwantschap met de essaybundels van Charlotte Mutsaers en ook wel Atte Jongstra, waarin het onderscheid tussen prozagenres er niet toe doet omdat juist het op elkaar inwerken van genres essentieel is.[53] Van dit samenspel geeft literatuurwetenschapper Odile Heynders een voorbeeld uit Hartsvanger, waarin het verslag van een reis door India 'past op' een uiteenzetting over de Britse auteur E.M. Forster (van wie Brassinga A Passsage to India vertaalde) 'en daarin staan weer 'treffende poëticale uitspraken.'[54] In het motief van schrijven over en in de natuur ziet Heynders 'een cultuurbeeld dat wortels heeft in de romantische traditie.'[55]

Brasssinga ziet zichzelf niet als een postmodernistische auteur. In een vraaggesprek uitte zij als bezwaar tegen deze stroming het 'voortdurend maar in de tekst laten blijken dat het heel erg fictioneel is.' Met name de 'voorlopigheid' van het postmodernisme staat haar tegen. 'Zo van: dit is een mogelijke manier van formuleren. Ik geloof niet dat ik daar zo voor in ben.' Brassinga is die postmoderne vrijblijvendheid een doorn in het oog: 'Als ik een gedicht schrijf, dan wil ik eigenlijk toch niet dat het op die manier alleen maar een taalspel is.' Eerder beschouwt zij zichzelf 'als een surrealistisch anarchist. Ik denk dat de surrealisten ook dingen opschreven en zich dan pas afvroegen: wat zou dit allemaal kunnen betekenen? Dat vind ik leukere begrippen dan postmodernisme.'[56]

Bibliografie[bewerken]

Poëzie[bewerken]

  • Aurora (1987) - gedichten
  • Landgoed (1989) - gedichten
  • Thule (1991) - gedichten
  • Zeemeeuw in boomvork (1994) - gedichten
  • Huisraad (1998) - gedichten
  • Verschiet (2001) - gedichten
  • Tijdelijk verblijf (2003) - gedichten, onder andere van Anneke Brassinga
  • Timiditeiten (2003) - gedichten (met foto's van Freddy Rikken)
  • Wachtwoorden. Verzamelde herziene gedichten, 1987-2003. 350 p. Met cd. (2005)
  • IJsgang (2006) - gedichten
  • Ontij (2010) - gedichten
  • Het wederkerige (2014) - gedichten

Proza[bewerken]

  • Hartsvanger (1993) - proza
  • Hapschaar (1998) - verhalen
  • Het zere been (2002) - essays en diverse
  • Tussen vijf en twaalf (2005) - brieven (met Freddy Rikken)
  • Bloeiend puin (2008) - essays

Prijzen[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen[bewerken]

  • Baelen, Koen van (2014). 'Wijn drinken met de doden. Gesprek met Anneke Brassinga.' In: Poëziekrant 7-8 (december), p. 4-9.
  • Battus (1993). Letterkunst. Amsterdam: Em. Querido's Uitgeverij B.V. ISBN 9021451220
  • Bork, G.J. van (2002). 'Anneke Brassinga.' Schrijvers en dichters (dbnl biografieënproject I).
  • Brems, Hugo (2006). Altijd weer vogels die nesten beginnen. Geschiedenis van e Nederlandse literatuur 1945-2005. Amsterdam: Uitgeverij Bert Bakker.
  • Cerutti, Sofie (2009). 'Geen idee dat ik een oeuvre had.' In: Trouw, 15 januari 2009.
  • Gerbrandy, Piet (2014). 'Naakte strijdlust tegen het ontbrekende. Het vuur van Anneke Brassinga.' In: Piet Gerbrandy, De jacht op het sublieme. Amsterdam: De Bezige Bij.
  • Ham, Laurens en Ivo Nieuwenhuis (2007). 'Stilte in beroering. In gesprek met Anneke Brassinga.' In: Vooys, mei 2007, p. 24-33.
  • Heynders, Odile (2009). '"Alsof de schoonheid iets heeft vastgelegd." Over het oeuvre van Anneke Brassinga.' In: Yra van Dijk en Koen Hilberdink (redactie), Jan Campert-prijzen 2008. Nijmegen: Uitgeverij Vantilt, p. 7-28. ISBN 9789460040160
  • Peters, Arjan (2014). 'Absoluut en devoot geloof in de tekst. P.C. Hooftprijs Anneke Brassinga.' In: de Volkskrant, 17 december 2014.
  • Pol, Barber van de (1997). 'Argumentatieleer met gewin. Melville in de feestelijke vertaling van Anneke Brassinga.' In: De Gids 160, p. 942-947.
  • Rijghard, Ron (2002). 'Anneke Brassinga - Ik richt soms rampspoed aan.' Fragment uit Ron Rijghard, Ik deug alleen voor de poëzie. Dichters over dichten. Nieuw Amsterdam, 2010.
  • Schouten, Rob (2004). 'Een schrijftafel kleiner dan een hand. Het poëziefonds van De Bezige Bij.' In: Daan Cartens, Suzanne Holtzer e.a. (red.), Hoger honing. 60 jaar De Bezige Bij. Amsterdam en Den Haag: De Bezige Bij en Letterkundig Museum, p. 190-203. ISBN 9023415663
  • Veelen, Arjen van (2011). 'Gebruik de taal met optimale wellust.' [Interview over Ontij.] In: Poëzietijdschrift Awater, winter 2011, p. 4-8.
  • Vos, Marjoleine de (2005). 'Anneke Brassinga: "Aan een huilerig gedicht heeft niemand iets."' In: Marjoleine de Vos, Dichtersgesprekken. Over het maken en lezen van poëzie. Amsterdam: Prometheus, p. 33-38. ISBN 9044604449

Noten[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Oeuvre-omvang vermeld in Peters (2014).
  2. Gerbrandy (2014). Geraadpleegd op 16 januari 2015.
  3. Paul Demets in poëzietijdschrift Awater, winter 2011, p. 30.
  4. Bart FM Droog, 'Anneke Brassinga.' De Nederlandse Poëzie Encyclopedie. Geraadpleegd op 3 januari 2015.
  5. Van Bork (2002). Geraadpleegd op 3 januari 2015.
  6. Peters (2014)
  7. 'P.C.Hooft-prijs 2015 voor Anneke Brassinga' NRC Handelsblad, 16 december 2014. Geraadpleegd op 3 januari 2015
  8. Geciteerd in Peters (2014).
  9. Ham en Nieuwenhuis (2007), p. 31.
  10. Van Bork (2002), 'Anneke Brassinga.' Geraadpleegd op 3 januari 2015.
  11. Rijghard (2002). Geraadpleegd 3 januari 2015.
  12. Peters (2014).
  13. Battus (1993), p. 54.
  14. Van de Pol (1997), p. 943. Geraadpleegd op 23 januari 2015.
  15. Cerutti (2009). Geraadpleegd op 9 januari 2015.
  16. Heynders (2009), p. 10.
  17. Heynders (2009), p. 12.
  18. Heynders (2009), p. 11.
  19. Brems (2006), p. 535.
  20. Heyners (2009), p. 13.
  21. Heynders (2009), p. 20.
  22. Van Veelen (2011). p. 7.
  23. Van Veelen (2011), p. 5.
  24. Van Veelen (2011), p. 8.
  25. Van Baelen (2014), p. 9.
  26. Van Baelen (2014), p. 4.
  27. 'Van Baelen (2014), p. 6.
  28. Van Bork (2002). Geraadpleegd op 3 januari 2015.
  29. Peters (2014).
  30. Jury P.C. Hooftprijs: Laureaat 2015 Geraadpleegd op 3 januari 2015
  31. Van Veelen (2011), p. 8.
  32. Gerbrandy (2014). Geraadpleegd op 16 januari 2015.
  33. Cerutti (2009). Geraadpleegd op 9 januari 2015.
  34. Heynders (2009), p. 15.
  35. Van Veelen (2011), p. 8.
  36. Rijghard (2002). Geraadpleegd op 3 januari 2015.
  37. Gerbrandy (2014). Geraadpleegd op 16 januari 2015.
  38. Heynders (2009), p. 8.
  39. Heynders (2009), p. 17.
  40. Heynders (2009), p. 21.
  41. Van Baelen (2014), p. 9.
  42. Schouten (2004), p. 201.
  43. Van Veelen (2011), p. 6.
  44. Van Baelen (2014), p. 6.
  45. Heynders (2009), p. 16.
  46. Heynders (2009), p. 14.
  47. Heynders (2009), p. 20-21.
  48. De Vos (2005), p. 35 en 34.
  49. Heynders (2009), p. 19.
  50. Heynders (2009), p. 27.
  51. Brems (2006), 534-535.
  52. Schouten (2004), p. 201
  53. Brems (2006), p. 524 en 534.
  54. Heynders (2009), p. 25.
  55. Heynders (2009), 18.
  56. Ham en Nieuwenhuis (2007), p. 32.
  57. P.C. Hooft-prijs voor dichteres Anneke Brassinga. de Volkskrant (16 december 2014)