Annemarie Schwarzenbach
Annemarie Schwarzenbach (Zürich, 23 mei 1908 - Sils im Engadin, 15 november 1942) was een Zwitserse schrijfster, journaliste en fotografe.
Inhoud |
Biografie [bewerken]
Vroege jaren [bewerken]
Zij was een telg uit een rijke, aristocratische familie van industriëlen in Zürich. Haar vader was de textielmagnaat Alfred Schwarzenbach. Haar moeder, de fotografe Renée Schwarzenbach-Wille,[1] was een dochter van generaal Ulrich Wille en gravin Clara Von Bismarck uit een vooraanstaand Duits adellijk geslacht.[2] Annemarie groeide op in Horgen, op het familielandgoed Bocken. Al vroeg begon zij zich te kleden en te gedragen als een jongen, een gewoonte die zij haar hele leven heeft behouden. Haar eerste journalistieke en literaire publicaties ontstonden terwijl zij nog studeerde, eerst in Zürich, later in Parijs. Op 23-jarige leeftijd promoveerde zij op een dissertatie gewijd aan de geschiedenis van Oberengadin.[3] Kort daarna verscheen haar eerste roman Freunde um Bernhard.
Jaren dertig [bewerken]
Omstreeks 1931 verbleef zij in Berlijn en raakte daar nauw bevriend met de auteurs Klaus Mann en Erika Mann, zoon en dochter van Thomas Mann. Met Erika had ze een kortstondige verhouding. Zij woonde in Charlottenburg, leidde een bohemien leven, reed in snelle auto's, hield van dansen, stortte zich in het Berlijnse nachtleven en was het middelpunt van een "Mädchenkreis". Veel mannen en vrouwen werden gefascineerd en aangetrokken door haar androgyne verschijning. Samen met Klaus Mann begon zij te experimenteren met morfine, wat leidde tot een levenslange verslaving. Zij werd ook politiek bewust en keerde zich sterk tegen het fascisme dat in die tijd in Duitsland in opkomst was.
Daardoor kreeg zij een steeds slechtere verstandhouding met haar familie, die toch al een afkeer had van haar lesbianisme en haar 'mannelijke' gedragingen. Haar grootvader Ulrich Wille had zich als opperbevelhebber van het neutrale Zwitserse leger tijdens de Eerste Wereldoorlog zeer Duitsgezind getoond. Diverse familieleden, onder wie haar moeder Renée, sympathiseerden met het Schweizer Front, dat streefde naar aansluiting van Zwitserland bij nazi-Duitsland.[4] Annemarie Scharzenbach zelf telde onder haar vrienden vele Joden en Duitse ballingen en bleef haar leven lang fel antifascistich.
In de jaren na de nazi-machtsovername in 1933 kon zij haar levensstijl in Berlijn niet voortzetten. Zij raakte depressief en in 1934 deed zij haar eerste zelfmoordpoging. Vanaf juli van dat jaar tot aan haar dood in 1942 huurde zij in Sils in Engadin het buitenhuis Jäger, om zich in alle rust te kunnen terugtrekken. Ook maakte zij vaak fietstochten in de omgeving. Toch vond zij niet de innerlijke rust die zij zocht. Waarschijnlijk mede om aan de druk van haar Hitler-gezinde familie te ontsnappen ging zij rusteloos op reis, vaak samen met Klaus Mann of de Duits-Joodse fotografe Marianne Breslauer, die door haar gefascineerd was en later over haar schreef: "Ze was geen man en geen vrouw, maar een engel, een aartsengel".[5] Zo bezocht zij Italië, Scandinavië, Spanje, Iran en Rusland, waar zij met Klaus Mann deelnam aan het eerste schrijverscongres van de Sovjet-Unie in Moskou. In 1935 reisde ze opnieuw naar Iran en trad daar in het huwelijk met de Franse diplomaat Claude Clarac. Omdat zij beiden homoseksueel waren, was dit te beschouwen als een gelegenheidshuwelijk. Eerder had zij de biseksuele Klaus Mann gevraagd met haar te trouwen, maar daarop was hij niet ingegaan.
In de jaren 1933-35 was zij ook de voornaamste financier van het literair tijdschrift voor emigrantenliteratuur Die Sammlung, dat onder redactie van Klaus Mann verscheen bij Querido Verlag, de Duitstalige imprint van Em. Querido's Uitgeverij in Amsterdam.[6] Het blad moest na twee jaar door politieke meningsverschillen en het afhaken van de meeste abonnees worden opgeheven.
In 1937 was zij opnieuw in Moskou om onderzoek te doen naar de dood van de Zwitserse bergbeklimmer Lorenz Saladin, die een jaar eerder in Kirgizië was verongelukt. De neerslag hiervan verscheen onder de titel Lorenz Saladin: Ein Leben für die Berge. Het werd haar meest succesvolle boek.
In 1937 en 1938 maakte zij fotoreportages over de opkomst van het fascisme in Europa, vooral in Oostenrijk en Tsjecho-Slowakije. Ook kwam ze voor het eerst in de Verenigde Staten, zowel aan de oostkust als in het diepe zuiden, waar ze het leven van het arme bevolkingsdeel vastlegde. Ondertussen had zich haar drugsgebruik tot een ernstige verslaving ontwikkeld. In 1939 bracht zij geruime tijd door in een ontwenningskliniek. Zij schreef toen het boek Tod in Persien dat pas in 1998 is uitgegeven, maar waarvan in 1940 een aangepaste versie verscheen onder de titel Das glückliche Tal.
Met de Zwitsere schrijfster en ethnologe Ella Maillart reed ze in juni 1939 in een kleine auto via Turkije en Iran naar Afghanistan. Toen in september de Tweede Wereldoorlog uitbrak, waren ze in Kabul. Zij werd daar ziek en Ella Maillart liet haar noodgedwongen in de steek, omdat ze niet opgewassen was tegen Schwarzenbachs neiging tot zelfdestructie. Maillart heeft dit in 1947 geboekstaafd onder de titel The cruel way.[7] Dit boek werd in 2001 verfilmd onder de titel Die Reise nach Kafiristan / The Journey to Kafiristan.[8]
Laatste jaren [bewerken]
Na haar herstel trok Schwarzenbach opnieuw naar de VS met de barones Margot von Opel-Löwenstein, echtgenote van de in de auto-industrie rijk geworden Fritz von Opel. Zij vestigde zich, net als Klaus en Erika Mann, in New York. Daar leerde ze Carson McCullers kennen, wier debuutroman The Heart is a Lonely Hunter zij in diverse recensies gunstig besprak en die in 1941 Reflections in a Golden Eye aan haar opdroeg. McCullers hevige verliefdheid kon zij niet beantwoorden, maar de beide schrijfsters bleven wel bevriend en onderhielden een vaste briefwisseling.[9] Schwarzenbach moest zich ook in de VS meermalen psychiatrisch laten behandelen wegens haar morfineverslaving en zware depressies. In haar conflictueuze liefdesaffaire met Margot von Opel had zij zelfs fysiek geweld gebruikt en zij deed opnieuw enkele zelfmoordpogingen.
Het rusteloos reizen ging door. Zij verliet de VS in 1942 en maakte een reis naar Belgisch-Kongo. In mei 1942 was Schwarzenbach in Lissabon, waar zij een kortstondige vriendschap had met de Duitse journaliste Margret Boveri. Een maand later keerde zij terug naar Zwitserland, naar later bleek voorgoed. Op 7 september 1942 maakte zij tijdens een van haar fietstochten in Engadin een ernstige val. Haar schedelfractuur werd door een verkeerde diagnose niet goed behandeld: men zag haar hersenletsel aan voor schizofrenie, zodat zij terecht kwam in een psychiatrische kliniek, waar haar electroshocks en insuline-injecties werden toegediend. Hierdoor verzwakte haar toestand zo, dat zij niet meer te redden was. Tijdens haar ziekbed in het huis Jäger liet haar moeder niemand toe, ook niet haar echtgenoot Claude Clarac, die onmiddellijk was toegesneld. Na haar dood op 15 november 1942 verbrandde haar moeder Renée haar dagboeken en correspondentie. Haar manuscripten en foto's werden gered en berusten in het Schweizerisches Literaturarchiv in Bern.
Zelf heeft zij haar psychische problemen altijd toegeschreven aan de druk die haar conservatieve, met de nazi's heulende familie op haar uitoefende, terwijl zij zelf de nazi's haatte. Ondanks die problemen was zij bijzonder productief. Hoewel zij slechts 34 jaar oud werd, heeft zij - naast haar boeken - tussen 1933 en 1942 ongeveer 170 artikelen en 50 fotoreportages gepubliceerd.
Postuum [bewerken]
De bemoeienissen van literatuurwetenschappers met Annemarie Schwarzenbach hebben zich lange tijd vooral geconcentreerd op de biografische aspecten: haar turbulente leven, haar vele reizen, haar liefdesaffaires, de problemen met haar familie en haar magnetische persoonlijkheid. De laatste jaren is het accent verlegd naar haar literaire teksten, om zo te komen tot een scherpere beschouwing van haar gevarieerde oeuvre. Sinds omstreeks 1990 zijn vele van haar werken herdrukt of voor het eerst uitgegeven. Ter gelegenheid van haar honderdste geboortedag werd in oktober 2008 in Sils een vierdaags congres georganiseerd. Tot de thema's behoorden - naast een positiebepaling in de literatuur van haar tijd - ook Schwarzenbachs nagelaten ongepubliceerde werk uit haar laatste levensjaren, alsook haar fotografisch oeuvre.[10]
Trivia [bewerken]
- Annemarie Schwarzenbach heeft model gestaan voor twee personages in romans van Klaus Mann: "Johanna" in Flucht in den Norden (1934) en "Engel der Heimatlosen" in Vulkan (1939).
- De Zwitserse politicus James Schwarzenbach, van 1967 tot 1979 lid van de Nationale Raad voor de extreemrechtse Republikanische Bewegung, was haar neef.
- De Zwitserse federale spoorwegen (SBB) hebben een "Intercity-Neigezug" de naam Annemarie Schwarzenbach gegeven.
Werkenlijst [bewerken]
De ISBNs verwijzen naar de meest recente (her)drukken, die meestal zijn verschenen bij Lenos Verlag, Basel.
- Tijdens haar leven verschenen
- Beiträge zur Geschichte des Oberengadins im Mittelalter und zu Beginn der Neuzeit (Dissertatie). Schweizer Studien zur Geschichtswissenschaft. Bd. 16, H.3. Leemann, Zürich / Leipzig, 1931.
- Das Buch von der Schweiz. Ost und Süd (met Hans Rudolf Schmid). Was nicht im Baedeker steht, Bd. XV. Piper Verlag, München, 1932.
- Das Buch von der Schweiz. Nord und West (met Hans Rudolf Schmid). Was nicht im Baedeker steht, Bd. XVI. Piper Verlag, München, 1933.
- Freunde um Bernhard. Amalthea-Verlag, Wien, 1933. ISBN 3 85787 648 4
- Lyrische Novelle. Rowohlt Verlag, Berlin, 1933. ISBN 3 85787 614 X
- Winter in Vorderasien (reisdagboek). Rascher, Zürich, 1934. ISBN 3 85787 668 9
- Lorenz Saladin. Ein Leben für die Berge. Voorwoord door Sven Hedin. Hallwag, Bern / Stuttgart, 1938. ISBN 3 85787 385 X
- Das glückliche Tal. Morgarten, Zürich, 1940. ISBN 3 7193 0982 7
- Postuum verschenen
- Bei diesem Regen, ISBN 3 85787 182 2
- Jenseits von New York, ISBN 3 85787 216 0
- Tod in Persien, ISBN 3 85787 675 1
- Auf der Schattenseite, ISBN 3 85787 241 1
- Flucht nach oben, ISBN 3 85787 280 2
- Alle Wege sind offen, ISBN 3 85787 309 4
- Kongo-Ufer / Aus Tetouan (gedichten), ISBN 2 930223 64 2
- Pariser Novelle, in: Jahrbuch zur Kultur und Literatur der Weimarer Republik 8, 2003, p. 11-35.
- Unsterbliches Blau (met Ella K. Maillart en Nicolas Bouvier), ISBN 3 85881 148 3
- Wir werden es schon zuwege bringen, das Leben (brieven aan Klaus en Erika Mann, 1930-1942). Bezorgd door Uta Fleischmann. Centaurus-Verlag, Freiburg, 1992.
- in boekvorm: ISBN 3 89085 681 0
- op 3 cd's gesproken door Hannelore Elsner: ISBN 3 0369 1140 5
- Eine Frau zu sehen, ISBN 978 3 03 695523 0
- Vor Weihnachten [1933]. In: Dazwischen. Reisen – Metropolen – Avantgarden, ISBN 978 3 89528 731 2
- Orientreisen. Reportagen aus der Fremde, ISBN 978 3 86915 019 2
- Das Wunder des Baums. Roman. Aus dem Nachlass herausgegeben und mit einem Nachwort von Sofie Decock, Walter Fähnders und Uta Schaffers. Chronos, Zürich 2011, ISBN 978-3-0340-1063-4.
- Afrikanische Schriften. Reportagen – Lyrik – Autobiographisches. Mit dem Erstdruck von «Marc». Hrsg. von Sofie Decock, Walter Fähnders und Uta Schaffers. Chronos, Zürich 2012, ISBN 978-3-0340-1141-9.
Bronnen, noten en/of referenties
Overige secundaire literatuur
Dvd-documentaire
Externe links
|