Annemarie Schwarzenbach

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Annemarie Schwarzenbach
Afbeelding gewenst
Algemene informatie
Volledige naam Annemarie Minna Renée Schwarzenbach
Geboren 23 mei 1908
Overleden 15 november 1942
Land Zwitserland
Werk
Genre Reportage, roman, reisverhaal, fotografie
Bekende werken Lorenz Saladin. Ein Leben für die Berge
Eine Frau zu sehen
Das glückliche Tal
Uitgeverij Lenos Verlag
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

Annemarie Minna Renée Schwarzenbach-Clarac, bekend als Annemarie Schwarzenbach (Zürich, 23 mei 1908 - Sils im Engadin, 15 november 1942) was een Zwitserse (Duitstalige) schrijfster, journaliste en fotografe.

Levensloop[bewerken]

Vroege jaren[bewerken]

Zij was een telg uit een rijke, aristocratische familie van industriëlen in Zürich. Haar vader was de textielmagnaat Alfred Schwarzenbach. Haar moeder, de fotografe Renée Schwarzenbach-Wille,[1] was een dochter van generaal Ulrich Wille en gravin Clara Von Bismarck uit een vooraanstaand Duits adellijk geslacht.[2] Annemarie groeide op als miljonairsdochter in Horgen, op het familielandgoed Bocken. Al vroeg begon ze zich te kleden en te gedragen als een jongen, een gewoonte die ze haar hele leven heeft behouden. Haar eerste journalistieke en literaire publicaties ontstonden terwijl ze nog studeerde, eerst aan de Universität Zürich, later in Parijs, waar ze een jaar doorbracht aan de Sorbonne. Ze begon met gedichten die sterk geïnspireerd waren op het werk van Stefan George en Rainer Maria Rilke, hoewel ze haar eindscriptie in de germanistiek wijdde aan de poëzie van Georg Trakl. Op 23-jarige leeftijd promoveerde ze op een dissertatie over de geschiedenis van Oberengadin.[3] Kort daarna verscheen haar eerste roman Freunde um Bernhard.

Berlijn[bewerken]

Eerste nummer uit 1933 van Die Sammlung, Querido's tijdschrift voor emigrantenliteratuur, geredigeerd door Klaus Mann en grotendeels gefinancierd door Annemarie Schwarzenbach.

Aan het eind van de jaren twintig werd ze zich bewust van haar homosexualiteit. Omstreeks 1931 verbleef zij in Berlijn en raakte daar nauw bevriend met de auteurs Klaus Mann en Erika Mann, zoon en dochter van Thomas Mann. Met Erika had ze een kortstondige verhouding, maar haar jarenlange fascinatie voor deze actrice en schrijfster was niet volledig wederzijds. Annemarie woonde in Charlottenburg, leidde een bohemien leven, reed in snelle auto's, hield van dansen, stortte zich in het Berlijnse nachtleven en was het middelpunt van een "Mädchenkreis" van aanhangers van de 'Garçonne'-stijl. Veel mannen en vrouwen werden gefascineerd en aangetrokken door haar androgyne verschijning. Samen met Klaus Mann begon ze te experimenteren met morfine, wat leidde tot een levenslange verslaving. Ze werd ook politiek bewust en keerde zich sterk tegen het fascisme dat in die tijd in Duitsland in opkomst was.

Daardoor kreeg ze een steeds slechtere verstandhouding met haar familie, die toch al een afkeer had van haar 'mannelijke' manier van kleden, al had haar moeder die aanvankelijk getolereerd en zelfs aangemoedigd. Haar grootvader Ulrich Wille had zich als opperbevelhebber van het neutrale Zwitserse leger tijdens de Eerste Wereldoorlog zeer Duitsgezind getoond. Diverse familieleden, onder wie haar moeder Renée, sympathiseerden met het Schweizer Front, dat streefde naar aansluiting van Zwitserland bij nazi-Duitsland.[4] Annemarie Scharzenbach zelf telde onder haar vrienden vele Joden en Duitse ballingen en bleef haar leven lang fel antifascistich.

In de jaren na de nazi-machtsovername in 1933 kon zij haar levensstijl in Berlijn niet voortzetten. Ze raakte depressief en in 1934 deed ze haar eerste zelfmoordpoging. Vanaf juli van dat jaar tot aan haar dood in 1942 huurde ze in Sils-Baselgia in Engadin het buitenhuis Jäger, om zich in alle rust te kunnen terugtrekken. Tot de regelmatige gasten behoorden, naast Klaus en Erika Mann, ook hun vader Thomas Mann en hun broer Golo Mann. Ze maakte vaak fietstochten in de omgeving, maar toch vond zij niet de innerlijke rust die ze zocht.

Onrust[bewerken]

Waarschijnlijk mede om aan de druk van haar Hitler-gezinde familie te ontsnappen ging ze rusteloos op reis, vaak samen met Klaus Mann of de Duits-Joodse fotografe Marianne Breslauer, die door haar gefascineerd was en later over haar schreef: "Ze was geen man en geen vrouw, maar een engel, een aartsengel".[5] Zo bezocht zij Italië, Scandinavië, Spanje, Iran en Rusland, waar ze met Klaus Mann deelnam aan het eerste schrijverscongres van de Sovjet-Unie in Moskou. De Duitse schrijver Oskar Maria Graf observeerde haar daar als "een schrijvende miljonairsdochter uit Zwitserland, die voor de lol en, waarschijnlijk om zich interessant te maken, drukke omgang had met belangrijke mensen en grote reizen maakte."[6]

In de jaren 1933-35 was ze ook de initiatiefneemster en de voornaamste financier van het literair tijdschrift voor emigrantenliteratuur Die Sammlung, dat onder redactie van Klaus Mann verscheen bij Querido Verlag, de Duitstalige imprint van Em. Querido's Uitgeverij in Amsterdam.[7] Ze leverde zelf nauwelijks bijdragen,[8] maar betaalde de auteurs uit eigen middelen. Het blad moest na twee jaar door politieke meningsverschillen en het afhaken van de meeste abonnees worden opgeheven.[9]

In 1935 reisde ze opnieuw naar Iran en trad daar in het huwelijk met de Franse diplomaat Claude Clarac, waardoor ze de Franse nationaliteit verkreeg. Dit was te beschouwen als een gelegenheidshuwelijk. Eerder had zij de biseksuele Klaus Mann gevraagd met haar te trouwen, maar daarop was hij niet ingegaan. Clarac was een montere man, die van haar problemen niets begreep en die ze "een schooljongen" noemde. Dit huwelijk noemde ze later een poging om een normaal leven te leiden, in een 'kring' met eigen vertrouwde gewoonten. Dat lukte niet, maar wel kreeg ze een verhouding met Claracs vroegere verloofde, de Amerikaanse Barbara Hamilton-Wright, die een zekere mate van stabiliteit bracht. Hoewel ze in de loop der jaren wel eens overwoog te scheiden omdat dit huwelijk niets voorstelde, kwamen Clarac en zij tot de conclusie dat ze elkaar daarvoor te graag mochten.[10]

In 1937 was zij opnieuw in Moskou om onderzoek te doen naar de dood van de Zwitserse bergbeklimmer Lorenz Saladin (1896-1936), die een jaar eerder in Kirgizië was verongelukt. Ze had Saladins verslagen in de kranten gevolgd en was onder de indruk van zijn foto's. Zijn positieve levenshouding fascineerde haar, evenals het zelfvertrouwen waarmee hij problemen tegemoet trad. Daarmee leek zijn karakter sterk van het hare te verschillen, maar wel herkende ze haar eigen antifascistische overtuiging in zijn krachtige politieke stellingname, die in niets leek op de geïsoleerde neutraliteit die hun vaderland Zwitserland nastreefde. Voor haar werd het een persoonlijke en ideologische erezaak om Saladins erfenis voor het nageslacht te bewaren. In Moskou onderzocht ze zijn werk en schreef ze een aantal artikelen. De neerslag hiervan verscheen in de vorm van een uitgebreide biografie onder de titel Lorenz Saladin: Ein Leben für die Berge. Met een voorwoord van de gerenommeerde Zweedse ontdekkingsreiziger Sven Hedin werd het haar meest succesvolle boek, dat al snel was uitverkocht.[11] Op het gebied van reisverhalen en fotografie had ze inmiddels een hoog professioneel niveau bereikt. In 1937 en 1938 maakte ze fotoreportages over de opkomst van het fascisme in Europa, vooral in Oostenrijk en Tsjecho-Slowakije. Ook kwam ze voor het eerst in de Verenigde Staten, zowel aan de oostkust als in het diepe zuiden, waar ze het leven van het arme bevolkingsdeel vastlegde.

Ondertussen had zich haar drugsgebruik tot een ernstige verslaving ontwikkeld. In 1939 bracht zij geruime tijd door in een ontwenningskliniek. Ze schreef toen het boek Tod in Persien dat pas in 1998 is uitgegeven, maar waarvan in 1940 een aangepaste versie verscheen onder de titel Das glückliche Tal. Het wordt beschouwd als haar persoonlijkste en meest indringende literaire werk. Met de Zwitserse schrijfster en ethnologe Ella Maillart reed ze in juni 1939 in een kleine auto via Turkije en Iran naar Afghanistan. Toen in september de Tweede Wereldoorlog uitbrak, waren ze in Kabul. Zij werd daar ziek en Ella Maillart liet haar noodgedwongen in de steek, omdat ze niet opgewassen was tegen Schwarzenbachs neiging tot zelfdestructie. Maillart heeft dit in 1947 geboekstaafd onder de titel The cruel way.[12] Dit boek werd in 2001 verfilmd onder de titel Die Reise nach Kafiristan / The Journey to Kafiristan.[13]

Laatste jaren[bewerken]

Waterval bij Sils im Engadin, het gebied waar Annemarie Schwarzenbach op de fiets verongelukte.

Na haar herstel trok Schwarzenbach opnieuw naar de VS met de barones Margot von Opel-Löwenstein, echtgenote van de in de auto-industrie rijk geworden Fritz von Opel. Ze vestigde zich, net als Klaus en Erika Mann, in New York. Daar leerde ze de tien jaar jongere Carson McCullers kennen, wier debuutroman The Heart is a Lonely Hunter zij in diverse recensies gunstig besprak en die in 1941 Reflections in a Golden Eye aan haar opdroeg. McCullers hevige verliefdheid kon ze niet beantwoorden, maar de beide schrijfsters bleven wel bevriend en onderhielden een vaste briefwisseling.[14] Schwarzenbach moest zich ook in de VS meermalen psychiatrisch laten behandelen wegens haar morfineverslaving en zware depressies. Dat in deze periode haar vader stierf maakte haar toestand er niet beter op. In haar conflictueuze liefdesaffaire met Margot von Opel had ze zelfs fysiek geweld gebruikt. Ze deed opnieuw enkele zelfmoordpogingen en werd opgenomen in een psychiatrische kliniek met dwangverpleging. Begin 1941 werd ze daaruit ontslagen op voorwaarde dat ze de VS onmiddellijk zou verlaten. Ze werd op een boot richting Portugal gezet.[10].

Het rusteloos reizen ging door. Ze reisde van Lissabon door naar Belgisch-Kongo, waar ze succesvolle fotoreportages maakte en de gedichtencyclus Kongo-Ufer schreef. De reis werd bemoeilijkt door beperkingen die haar werden opgelegd. Er ging een gerucht dat ze een Duitse spionne zou zijn, maar de autoriteiten hadden geen serieuze belangstelling voor haar. De neerslag van deze ervaringen, gecombineerd met de dramatische gebeurtenissen in Amerika, bevindt zich in de roman Das Wunder des Baums. Uit haar aansluitende bezoek aan haar echtgenoot Claude Clarac, die diplomaat was in Marokko, kwam de gedichtencyclus Aus Tétouan voort. In mei 1942 was Schwarzenbach terug in Lissabon, waar ze een kortstondige vriendschap had met de Duitse journaliste Margret Boveri. Een maand later keerde ze terug naar Zwitserland. De bekende Duits-Joodse actrice Therese Giehse, die voor de nazi's was uitgeweken, verbleef die zomer bij haar. Voor een Zwitserse krant accepteerde Schwarzenbach een correspondentschap in Lissabon, maar het liep anders.

Op 7 september 1942 fietste ze in Engadin met losse handen, viel en kwam met haar hoofd op een scherpe steen terecht. Haar schedelfractuur werd door een verkeerde diagnose niet goed behandeld: men zag haar hersenletsel aan voor schizofrenie, zodat ze terecht kwam in een psychiatrische kliniek. Daar kreeg ze elektroshocks en insuline-injecties toegediend, naast dagelijkse doses morfine, het verdovende middel waarvan ze na veel inspanning juist een jaar 'clean' was geweest. Hierdoor verzwakte haar toestand zo, dat ze niet meer te redden was.[10] Tijdens haar ziekbed in het huis Jäger liet haar moeder Renée niemand toe, ook niet haar echtgenoot Clarac, die onmiddellijk was toegesneld.

Na haar dood op 15 november 1942 verbrandde haar moeder haar dagboeken en correspondentie. Haar manuscripten en foto's werden gered en berusten in het Schweizerisches Literaturarchiv in Bern. Toch heeft Renée Schwarzenbach-Wille de levensweg van haar opstandige dochter nauwgezet gedocumenteerd in de fotografische kroniek van het familieleven die ze tientallen jaren heeft bijgehouden.[4] Zelf heeft Annemarie haar psychische problemen altijd toegeschreven aan de druk die haar conservatieve, met de nazi's heulende familie op haar uitoefende, terwijl zij zelf de nazi's haatte. Renée, een talentvolle fotografe, is vrijwel alleen nog bekend als de tyrannieke moeder van Annemarie. De dochter schreef in 1935 over haar: "Ze is helemaal goed en helemaal slecht, en ze redeneert zoals het in de Bijbel staat ja ja en nee nee. Ze is 'primitief', omdat ze haar mening als absoluut beschouwt, maar ze is gecompliceerd omdat ze immers lijdt. Ze lijdt bijvoorbeeld aan mij. En dan is ze hulpeloos".[15]

Evaluatie[bewerken]

Het duurde na haar dood ruim 40 jaar voordat er weer belangstelling kwam voor Annemarie Schwarzenbach. Inmiddels is er "in de Zwitserse literatuur van de laatste 100 jaar nauwelijks een schrijver - en al helemaal geen schrijfster - over wie meer onderzocht, geschreven en gepubliceerd is dan over Annemarie Schwarzenbach", zo werd in 2008 opgemerkt bij de herdenking van haar 100ste geboortedag.[16] De fascinatie richtte zich allereerst op de vele foto's die Marianne Breslauer en Renée Schwarzenbach gemaakt hadden van haar androgyne uiterlijk en op haar positie van zich emanciperende vrijgevochten vrouw. Hierdoor werd ze met terugwerkende kracht een stijlicoon en rolmodel. De bemoeienissen van literatuurwetenschappers met Annemarie Schwarzenbach hebben zich lange tijd vooral geconcentreerd op de biografische aspecten: haar turbulente leven, haar vele grote reizen, haar liefdesaffaires met talloze vrouwen en enkele mannen, haar verslaving, haar psychoses, de problemen met haar familie (vooral haar moeder) en zelfs haar voorliefde voor snelle auto's. Dat ze postuum een cultfiguur werd, is mogelijk mede beïnvloed door de getuigenissen van haar magnetische persoonlijkheid en de bijna kritiekloze verering door vele tijdgenoten in haar omgeving. Niettemin was ze diep ongelukkig en labiel.

De laatste jaren is het accent verlegd naar haar literaire teksten, om zo te komen tot een scherpere beschouwing van haar gevarieerde oeuvre. Sinds 1987 zijn vele van haar werken herdrukt of voor het eerst uitgegeven. Daarbij behoort ook een in 1929 geschreven novelle die in 2008 onder de titel Eine Frau zu sehen verscheen en die te beschouwen is als Schwarzenbachs uit de kast komen. Daarmee kwam ze op tegen de sociale en morele beperkingen die gemeengoed waren in de tijd waarin ze leefde en in het milieu waaruit ze voortkwam.[17] Ter gelegenheid van haar honderdste geboortedag werd in oktober 2008 in Sils een vierdaags congres georganiseerd. Tot de thema's behoorden - naast een positiebepaling in de literatuur van haar tijd - ook Schwarzenbachs nagelaten ongepubliceerde werk uit haar laatste levensjaren, alsook haar fotografisch oeuvre.[18]

Ondanks haar voortdurende psychische problemen, ernstige alcohol- en morfineverslaving en steeds terugkerend doodsverlangen was Annemarie Schwarzenbach bijzonder productief. Hoewel ze slechts 34 jaar oud werd, heeft ze - naast haar boeken - tussen 1933 en 1942 ongeveer 170 artikelen en 50 fotoreportages gepubliceerd, vooral in Zwitserse kranten en tijdschriften zoals de Neue Zürcher Zeitung. In haar reportages en reisverhalen bereikte ze door haar indringende observaties een hoog niveau. Ook als fotografe toonde ze een scherpe blik. In haar werk komt mededogen tot uiting met de verdrukte medemens, ook door de politieke omstandigheden van de jaren dertig, waarin ze ondubbelzinnig stelling nam tegen het fascisme.

Voor haar literaire werk kreeg ze minder erkenning. Veel van haar boeken werden tijdens haar leven niet uitgegeven en verschenen pas een halve eeuw na haar dood. Haar stijl kenmerkt zich door lange, gecompliceerde zinnen met veel gedachtestreepjes en tussenzinnen. Haar meest persoonlijke uiting Das Glückliche Tal geeft tegen een exotisch orïentaals decor de worsteling weer met eenzaamheid, onstilbaar verlangen naar liefde, knellende haat-liefdeverhoudingen met familie, opstand tegen de afkomst en de burgerlijke moraal, angst voor het leven en voor de dood, heimwee en vrijheidsdrang. Van deze thema's lijkt de angst voor eenzaamheid en voor het alleen zijn het meest overheersend.

Trivia[bewerken]

SBB-treinstel Annemarie Schwarzenbach

Werkenlijst[bewerken]

Indien niet anders vermeld, zijn de meest recente (her)drukken verschenen bij Lenos Verlag, Basel.

Tijdens haar leven verschenen
  • Beiträge zur Geschichte des Oberengadins im Mittelalter und zu Beginn der Neuzeit (Dissertatie). Schweizer Studien zur Geschichtswissenschaft. Bd. 16, H.3. Leemann, Zürich / Leipzig, 1931.
  • Das Buch von der Schweiz. Ost und Süd (met Hans Rudolf Schmid). Was nicht im Baedeker steht, Bd. XV. Piper, München, 1932.
  • Das Buch von der Schweiz. Nord und West (met Hans Rudolf Schmid). Was nicht im Baedeker steht, Bd. XVI. Piper, München, 1933.
  • Freunde um Bernhard. Amalthea, Wien, 1933.
  • Lyrische Novelle. Rowohlt, Berlin, 1933.
  • Winter in Vorderasien (reisdagboek). Rascher, Zürich, 1934.
  • Lorenz Saladin. Ein Leben für die Berge. Voorwoord door Sven Hedin. Hallwag, Bern / Stuttgart, 1938.
  • Das glückliche Tal. Morgarten, Zürich, 1940.
Postuum verschenen
  • Bei diesem Regen
  • Jenseits von New York
  • Tod in Persien
  • Auf der Schattenseite
  • Flucht nach oben
  • Alle Wege sind offen
  • Kongo-Ufer / Aus Tetouan (gedichten)
  • Pariser Novelle, in: Jahrbuch zur Kultur und Literatur der Weimarer Republik 8, 2003, p. 11-35.
  • Unsterbliches Blau (met Ella K. Maillart en Nicolas Bouvier)
  • Wir werden es schon zuwege bringen, das Leben (brieven aan Klaus en Erika Mann, 1930-1942). Bezorgd door Uta Fleischmann. Centaurus-Verlag, Freiburg, 1992.[19]
  • Eine Frau zu sehen. Met een naschrift door Alexis Schwarzenbach. Kein & Aber, Zürich, 2008.[17]
  • Vor Weihnachten [1933]. In: Dazwischen. Reisen – Metropolen – Avantgarden
  • Orientreisen. Reportagen aus der Fremde
  • Das Wunder des Baums. Roman. Met een naschrift door Sofie Decock, Walter Fähnders en Uta Schaffers. Chronos, Zürich 2011.
  • Afrikanische Schriften. Reportagen – Lyrik – Autobiographisches. Met de eerste druk van Marc. Bezorgd door Sofie Decock, Walter Fähnders en Uta Schaffers. Chronos, Zürich 2012
  • Insel Europa. Ausgewählte Reportagen und Feuilletons 1930-1942. Bezorgd door Roger Perret, 2005.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Alexis Schwarzenbach: Bilder mit Legenden von Renée Schwarzenbach-Wille, Scheidegger & Spiess, Zürich, 2001.
  2. Annemaries grootmoeder Clara Von Bismarck was de dochter van de Pruisische luitenant-generaal Friedrich Wilhelm von Bismarck, in de verte verwant aan de Duitse rijkskanselier Otto von Bismarck.
  3. Annemarie Schwarzenbach: Beiträge zur Geschichte des Oberengadins im Mittelalter und zu Beginn der Neuzeit. Dissertatie Universiteit van Zürich, 1931. Herdruk Manz, Zürich, 2007.
  4. a b Alexis Schwarzenbach: Die Geborene. Renée Schwarzenbach-Wille und ihre Familie. Scheidegger & Spiess, Zürich, 2004.
  5. Marianne Feilchenfeldt Breslauer: Bilder meines Lebens: Erinnerungen. Nimbus, Wädenswil, 2001 / 2009.
  6. Oskar Maria Graf: Reise in die Sowjet-Union 1934. Luchterhand, Berlin, 1974.
  7. Die Sammlung, Literarische Monatschrift unter dem Patronat von André Gide, Aldous Huxley, Heinrich Mann, herausgegeben von Klaus Mann. Querido Verlag, Amsterdam, 24 nummers verschenen van september 1933 tot augustus 1935.
  8. Alleen in de eerste twee nummers van Die Sammlung werd een recensie van Annemarie Schwarzenbach geplaatst.
  9. In 1940 behoorde Annemarie Schwarzenbach ook tot de anonieme geldschieters van de opvolger van Die Sammlung in New York, het Engelstalige Decision dat onder redactie van Klaus Mann een jaar bestaan heeft.
  10. a b c Charles Linsmayer: Annemarie Schwarzenbach. Ein Kapitel tragische Schweizer Literaturgeschichte. Huber, Frauenfeld, 2008.
  11. Ter gelegenheid van haar honderdste geboortedag in 2008 werd het boek herdrukt. Tijdens hun onderzoek voor de heruitgave ontdekten Robert Steiner en Emil Zopfi in Rusland ook Saladins fotoarchief, waarover Annemarie Schwarzenbach niet had kunnen beschikken.
  12. Ella Maillart: The cruel way. Heinemann, London, 1947. In het Duits vertaald als Auf abenteuerlicher Fahrt durch Iran und Afghanistan. Lenos, Basel, 1948, herdruk 2001. Ook verschenen als Flüchtige Idylle, 1988 / 1995 en als Der bittere Weg - Mit Annemarie Schwarzenbach unterwegs nach Afghanistan, 2001.
  13. Die Reise nach Kafiristan, 2001. Regie, scenario en productie: Donatello en Fosco Dubini, met Jeanette Hain in de rol van Annemarie Schwarzenbach en Nina Petri als Ella Maillart.
  14. Alexandra Lavizzari: Fast eine Liebe. Annemarie Schwarzenbach und Carson McCullers. Ebersbach, Berlin, 2008.
  15. Geschreven op verzoek van haar psychiater Oscar Forel.
  16. Klara Obermüller: Am Ende aller Wege. Festvortrag zum 100. Geburtstag von Annemarie Schwarzenbach, 2008.
  17. a b Een vrouw zien (Nederlandse vertaling Jantsje Post), Ad. Donker, Rotterdam, 2013.
  18. Mirella Carbone (red.): Annemarie Schwarzenbach. Werk, Wirkung, Kontext. Akten der Tagung in Sils / Engadin vom 16. bis 19. Oktober 2008. (met een Schwarzenbach-bibliografie 2005-2009) Institut für Kulturforschung Graubünden ikg. Aisthesis Verlag, Bielefeld, 2010.
  19. Ook verschenen op drie cd's gesproken door Hannelore Elsner

Overige secundaire literatuur

  • Bettina Augustin: Der unbekannte Zwilling. Annemarie Schwarzenbach im Spiegel der Fotografie. Brinkmann und Bose, Berlin, 2008.
  • Sofie Decock, Uta Schaffers (red.): Inside out. Textorientierte Erkundungen des Werks von Annemarie Schwarzenbach. Aisthesis, Bielefeld, 2008.
  • Walter Fähnders, Sabine Rohlf: Annemarie Schwarzenbach. Analysen und Erstdrucke. Met een Schwarzenbach-bibliografie. Aisthesis, Bielefeld, 2005.
  • Areti Georgiadou: Annemarie Schwarzenbach. Das Leben zerfetzt sich mir in tausend Stücke. Campus, Frankfurt, 1995.
  • Dominique Grente & Nicole Müller: L'Ange inconsolable. Une biographie d'Annemarie Schwarzenbach. Lieu Commun, Paris, 1989.
    • In het Duits vertaald als: Der untröstliche Engel. Knesebeck, München, 1995.
  • Anke Hertling: Eroberung der Männerdomäne Automobil. Die Selbstfahrerinnen Ruth Landshoff-Yorck, Erika Mann und Annemarie Schwarzenbach. Aisthesis, Bielefeld, 2013.
  • Niklaus Meienberg: Die Welt als Wille & Wahn. Elemente zur Naturgeschichte eines Clans. Limmat, Zürich 1987.
  • Dominique Laure Miermont: Annemarie Schwarzenbach ou le mal d'Europe. Payout, Paris, 2004.
    • In het Duits vertaald als: Annemarie Schwarzenbach. Eine beflügelte Ungeduld. Ammann, Zürich 2008.
  • Elio Pellin: Mit dampfendem Leib. Sportliche Körper bei Ludwig Hohl, Annemarie Schwarzenbach, Walther Kauer und Lorenz Lotmar. Chronos, Zürich, 2008.
  • Alexis Schwarzenbach: Auf der Schwelle des Fremden. Das Leben der Annemarie Schwarzenbach. Collection Rolf Heyne, München, 2008.
  • Barbara Stempel: Asien-Sichten. Reisefotografien von Annemarie Schwarzenbach und Walter Bosshard. VDG, Weimar, 2010.
  • Andreas Tobler: Annemarie Schwarzenbach 1908-1942. Eine Biographie. NZZ Libro, Zürich, 2009.
  • Kurt Wanner: Wo ich mich leichter fühle als anderswo. Annemarie Schwarzenbach und ihre Zeit in Graubünden. Bündner Monatsblatt, Chur, 1998.
  • Simone Wichor: Zwischen Literatur und Journalismus. Die Reportagen und Feuilletons von Annemarie Schwarzenbach. Aisthesis, Bielefeld, 2013.
  • Elvira Willems: Annemarie Schwarzenbach. Autorin, Reisende, Fotografin. Centaurus, 1999.

Dvd-documentaire

  • Carole Bonstein: Annemarie Schwarzenbach: Une Suisse rebelle. TSR / Arte, 2000.