Annette von Droste-Hülshoff

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Annette von Droste-Hülshoff, in 1838 door Herrmann Sprich geportretteerd
Het slot Hülshoff in Havixbeck: geboortehuis van Annette von Droste-Hülshoff
Buste van Annette von Droste-Hülshoff in de tuin van het slot Hülshoff, werk van Anton Rüller uit 1896

Annette von Droste-Hülshoff (Münster, 10 januari 1797Meersburg, 24 mei 1848) was een Duitse dichteres, en componiste vooral herinnerd om haar enige novelle, Die Judenbuche.

Leven[bewerken]

Annette von Droste-Hülshoff werd op het slot Hülshoff tussen Havixbeck en de stad Munster in Westfalen geboren als tweede van vier kinderen uit een adellijke, conservatief-katholieke familie. Ze kreeg een degelijke opvoeding, doordat ze samen met haar broer privélessen volgde. Professor Anton Matthias Sprickmann liet haar vanaf 1812 met de poëzie kennismaken. Als burgerlijk meisje leidde ze een noodgedwongen teruggetrokken bestaan, alhoewel ze zich nooit heftig tegen de toen heersende moraal verzette: politiek gezien stond ze zeker aan de zijde van het conservatisme. Vanaf 1815 kampte ze met zware gezondheidsproblemen en depressies, die misschien met haar schildklier te maken hadden. In 1825 maakte ze tijdens een reis langs de Rijn kennis met Schlegel. Toen haar vader in 1826 stierf, verhuisde ze met haar moeder naar Rüschhaus nabij Münster, waar ze gedichten begon te schrijven, waaronder het eerste deel van de cyclus Das geistliche Jahr, dat in 1838 verscheen. Haar zwager had het slot Meersburg aan het Bodenmeer gekocht, en daar verbleef Droste-Hülshoff vanaf 1841; ze maakte er kennis met Levin Schücking, de zoon van schrijfster Katharine Busch, die ze al sinds 1813 kende. Ze vatte een onbeantwoorde liefde voor de 17 jaar jongere schrijver op en schreef in 1842 haar Judenbuche. Ze schreef eveneens epische vertellingen in versvorm. Nadat Schücking in 1843 met Luise von Gall trouwde, trok ze zich helemaal in haar verdriet terug. Droste-Hülshoff overleed in 1848 aan een hartinfarct.

Het werk van Droste-Hülshoff staat hoog aangeschreven, en zij geldt voor vele literatuurcritici als de grootste Duitse dichteres uit de Romantiek. Door haar welgestelde afkomst was ze aan een heleboel maatschappelijke beperkingen onderworpen, temeer daar ze ongetrouwd is gebleven en verondersteld werd een afgezonderd bestaan te leiden. Qua stijl behoort ze het sterkst tot de Biedermeier: ze schrijft burgerlijk en helder, en vervalt nooit in romantische opwellingen. Droste-Hülshoffs poëzie blijft steeds beheerst, ook wanneer ze haar positie als vrouw bejammert in het gedicht Am Turme. Ze beschrijft dikwijls landschappen en huiselijke situaties, en doet dit steeds met precisie: uit haar werk blijkt een strak geordende visie op de wereld. Desalniettemin sluipt doorgaans een soort huivering in haar verzen, een geheimzinnige, spookachtige sfeer die haar vertellingen kenmerkt. Als streng religieuze vrouw spreekt uit haar werk een sterke bezinningsdrang.

Haar beroemdste werk, Die Judenbuche („De joodse beuk“), is een mysterieus misdaadverhaal waarin een beukenboom een centrale rol speelt: de natuur is als het ware behekst, en een moord door het destijds gevluchte hoofdpersonage Friedrich Mergel op een jood zal door middel van de beuk, 28 jaar na dato, gewroken worden, wanneer Friedrich terug opduikt onder de naam Johannes Niemand.

Droste-Hülshoff ligt op het kerkhof van Meersburg begraven.

Werken[bewerken]

  • 1813 Berta (fragmentarisch toneelstuk)
  • 1819 Ledwina (fragmentarische novelle)
  • 1834 Das Hospiz auf dem großen Sankt Bernhard (epos)
  • 1834 Des Artztes Vermächtnis (versvertelling)
  • 1835 Der Graf von Thal, Der Weiher, Des alten Pfarrers Woche, Die Elemente, Der Säntis (gedichten)
  • 1838 Die Schlacht im Loener Bruch (epos over de [1] Slag bij Stadtlohn)
  • 1840 Das geistliche Jahr (gedichtencyclus)
  • 1840 Der Geierpfiff, Der Mutter Wiederkehr (ballades)
  • 1840 Perdu! (komedie)
  • 1842 Die Judenbuche (novelle)
  • 1842 Der Spiritus familiaris des Roßtäuschers (ballade)
  • 1844 verschillende gedichten
  • 1845 Bilder aus Westfalen (gedichtencyclus)
  • 1860 Letzte Gaben (postuum verzamelwerk)
  • 1878-79 Sämtliche Werke (postuum)
Bronnen, noten en/of referenties
  • Barbara Baumann & Brigitta Oberle (1985) (red.), Deutsche Literatur in Epochen. München: Max Hueber Verlag.
  • Bruno Boesch (1946) (red.), Deutsche Literaturgeschichte in Grundzügen. Die Epochen deutscher Dichtung. Bern: Francke Verlag.
  • Annette von Droste-Hülshoff (1841), Die Judenbuche, in: Joseph Kiermeier-Debre (1997) (red.), Annette von Droste-Hülshoff. Die Judenbuche. Ein Sittengemälde aus dem gebirgigten Westphalen. Stuttgart und Tübingen 1842. München: Deutscher Taschenbuch Verlag. [Bibliothek der Erstausgaben]
  • Meinolf Schumacher (2005/06): Ein Wüstenherold für die Noth. Zu Pragmatik und Aktualität von Annette von Droste-Hülshoffs 'Geistlichem Jahr', in: Droste-Jahrbuch 6, Hannover: Wehrhahn, p. 105-122. ISBN 978-3-86525-066-7
  • Bengt Algot Sørensen (1997) (red.), Geschichte der deutschen Literatur. Band II. Vom 19. Jahrhundert bis zur Gegenwart. München: C. H. Beck. [Beck'sche Reihe 1217]
  • Wolf Wucherpfennig (1986) (red.), Geschichte der deutschen Literatur. Von den Anfängen bis zur Gegenwart. Stuttgart: Ernst Klett.