Anton Alois van Hohenzollern-Sigmaringen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Anton Aloysius
1762-1831
Adel im Wandel401.jpg
Anton Alois van Hohenzollern-Sigmaringen wapen.svg Vorst van Hohenzollern-Sigmaringen
Periode 1785-1831
Voorganger Karel Frederik
Opvolger Karel
Graaf van den Bergh
Periode 1787-1831
Voorganger Johanna Josepha Antonia van den Bergh
Opvolger Karel
Heer van Boxmeer
Periode 1787-1797
Voorganger Johanna Josepha Antonia van den Bergh
Opvolger verbeurdverklaard in 1797
Vader Karel Frederik van Hohenzollern-Sigmaringen
Moeder Johanna Josepha Antonia van den Bergh
Dynastie Hohenzollern

Anton Alois van Hohenzollern-Sigmaringen (Sigmaringen, 20 juni 1762 – aldaar, 17 oktober 1831) was een zoon van Karel Frederik van Hohenzollern-Sigmaringen en Johanna Josepha Antonia van den Bergh. Hij volgde zijn vader in 1785 op als vorst van Hohenzollern-Sigmaringen. In 1787 volgde hij zijn moeder op als Graaf van den Bergh en Heer van Boxmeer. Hij was gehuwd met Amalie Zephyrine van Salm-Kyrburg (1760–1841), dochter van vorst Filips Jozef van Salm-Kyrburg, en was de vader van Karel (1785–1853), vorst van Hohenzollern-Sigmaringen.

Anton Alois verloor in 1801 bij de Vrede van Lunéville definitief zijn Nederlandse en Belgische bezittingen die reeds in 1795 feitelijk verloren waren gegaan. In paragraaf 10 van de Reichsdeputationshauptschluss van 25 februari 1803 werd de vorst van Hohenszollern-Sigmaringen voor zijn feodale rechten in de heerlijkheden Boxmeer, Diksmuide, Berg, Gendringen, Etten, Wisch, Pannerden en Mühlingen en voor zijn domeinen in België schadeloos gesteld door de heerlijkheid Glatt en de kloosters Inzikhofen, Klosterbeuren en Holzheim. (De heerlijkheid Glatt was sinds 1706 in het bezit geweest van het sticht Muri in Zwitserland). In paragraaf 32 kreeg de vorst een eigen zetel in de Rijksdag.

De conventie van Wenen van 31 december 1805 bevrijdde het vorstendom van alle leenbanden.

Artikel 23 van de Rijnbondakte van 12 juli 1806 kende hem de heerlijkheden Achberg en Hohenfels, die onder de commanderij Altshausen van de Duitse Orde vielen, toe alsook de conventen Klosterwald en Habsthal. Verder werden de heerlijkheden Gamertingen en Hettingen onder de soevereiniteit van de vorst gesteld. Artikel 24 stelde verder de heerlijkheden Trochtelfingen, Jungnau, Straßberg, het ambt Ostrach en het deel van de heerlijkheid Meßkirch op de linker oever van de Donau onder soevereiniteit van de vorst. Hiermee werden bezittingen van het vorstendom Fürstenberg en van Thurn und Taxis gemediatiseerd.

Op 22/27 juni 1812 werd in een verdrag met het groothertogdom Baden Rast tegen Ablach geruild en in 1814 werd Hirschlatt door het Koninkrijk Württemberg afgestaan.

In 1815 werd het land lid van de Duitse Bond.