Anton Ulrich van Brunswijk-Wolfenbüttel (1633-1714)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Anton Ulrich van Brunswijk-Wolfenbüttel (1633-1714)
Anton Ulrich
Christoph Bernhard Francke - Herzog Anton Ulrich von Braunschweig (1633-1714).jpg
250px
Hertog van Brunswijk-Wolfenbüttel
Periode 1689-1714
Voorganger Rudolf August
Opvolger August Willem
Vader August van Brunswijk-Lüneburg
Moeder Sophia Dorothea van Anhalt-Zerbst
Dynastie Welfen

Anton Ulrich van Brunswijk-Wolfenbüttel (Hitzacker, 4 oktober 1633 - Salzdahlum, 27 maart 1714) was regerend hertog, schrijver, dichter, choreograaf, opera- en kunstliefhebber.

Leven[bewerken]

Anton Ulrich was de derde zoon van hertog August van Brunswijk-Lüneburg, vorst van Wolfenbüttel, en van Sophia Dorothea van Anhalt-Zerbst. In 1655 verbleef hij aan het hof in Parijs. In 1667 was hij benoemd door zijn oudere broer als stadhouder. In 1685 werd hij tot mederegent benoemd naast zijn oudere broer Rudolf August van Brunswijk-Wolfenbüttel. In de jaren tachtig reisde hij vier keer naar Venetië, niet alleen om karnaval te vieren. De Italiaanse opera werd een levenslange passie. In 1688 liet hij een opera bouwen naast het slot in Wolfenbüttel. In 1690 liet hij het oude raadhuis van Braunschweig tot opera ombouwen. De bouw is gefinancierd door de uitgifte van aandelen. De loges werden niet zoals in Venetië verkocht, maar verhuurd. Zangers, c.q. componisten als Johann Sigismund Kusser, Johann Rosenmüller en Reinhard Keiser maakten daar furore.

Toen de Hannoverse linie het keurvorstendom verworven had, voelden de broers Rudolf August en Anton Ulrich zich verongelijkt. Zij schaarden zich aan de zijde van Frankrijk in de Spaanse Successieoorlog, terwijl Hannover en Brunswijk-Lüneburg partij hadden gekozen voor keizer Leopold I. Hannover en Lüneburg vielen in 1702 Brunswijk-Wolfenbüttel binnen. Anton Ulrich werd afgezet door de Habsburgse keizer en vluchtte. Eerst in 1706 erkende hij het huis Hannover.

Anton Ulrich verkreeg grote sommen Franse subsidie om een leger te organiseren. Hij steunde evenwel met het verkregen geld kunst en wetenschappen. In de door zijn vader opgerichte Bibliotheca Augusta stelde hij de veelzijdige Leibniz als bibliotekaris aan. Anton Ulrich schreef twee romans en verscheidene gedichten. Hij legde een kunstverzameling aan, die later zou uitgroeien tot het Anton Ulrich Museum. In het museum bevinden zich tamelijk onbekende werken van Lucas van Leyden, Rembrandt, Jan Steen, Adriaen van der Werff, die hij ook opzocht in zijn atelier, Gerbrand van den Eeckhout, Jean-Étienne Liotard, Jan van Huysum, Ferdinand Bol, Melchior de Hondecoeter, Pieter Lastman, Jan Lievens, Philip Wouwerman en Vermeer.

Toen Rudolf August in 1704 kwam te overlijden, werd hij opnieuw en dit keer alleenheersend hertog. In 1709 ging Anton Ulrich in het geheim over tot de rooms-katholieke kerk in de kathedraal van Bamberg. In 1713 kreeg hij bezoek van tsaar Peter de Grote op zijn buiten in Salzdahlum. Tussen 1712 en 1714 werd in Braunschweig door de Noord-Duitse vorsten een vrede aangaande de Grote Noordse Oorlog voorbereid.

Nageslacht[bewerken]

Het slot Salzdahlum bestond tussen 1694-1813. Gravure Pieter Schenk (1715)

Anton Ulrich huwde in 1656 met Elisabeth Juliana, dochter van hertog Frederik van Sleeswijk-Holstein-Sønderborg-Nordborg, en werd vader van onder meer:

  • August Frederik (1657-1676)
  • Elisabeth Eleanora Sophia (1658-1729), gehuwd met hertog Johan George van Mecklenburg-Mirow, en met hertog Bernhard I van Saksen-Meiningen
  • Anna Sophia (1659-1742), gehuwd met markgraaf Karel Gustaaf van Baden-Durlach
  • August Willem (1662-1731)
  • Augusta Dorothea (1666-1751), gehuwd met prins Anton Gunther van Schwarzburg-Sondershausen
  • Henrietta Christine, abdis van Gandersheim (1669-1753)
  • Lodewijk Rudolf (1671-1735).

Zijn kleindochter Elisabeth Christine van Brunswijk-Wolfenbüttel trouwde, door zijn toedoen, met Karel VI van Oostenrijk. Tsarevitsj Alexei van Rusland, de zoon Peter de Grote trouwde in 1711 een andere kleindochter, Charlotte Christiane Sophie.

Bron[bewerken]

  • Grote, H. (2005) Schloss Wolfenbüttel. Residenz der Herzöge zu Braunschweig und Lüneburg.