Antropoceen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Planeet Aarde die heden ten dage sinds de ontdekking van de klassieke gloeilamp door Thomas Edison 1879, door de mens uniek in haar soort aan de schaduwzijde licht uitzendt.

Het Antropoceen (Engels: Anthropocene) is de naam van het tijdperk waarin het Aardse klimaat en de atmosfeer de gevolgen ondervinden van menselijke activiteit. De term Antropoceen is geïntroduceerd door de geoloog Alexei Pavlov en heeft tachtig jaar later aan bekendheid gewonnen dankzij de ecoloog Eugene F. Stoermer en de atmosferisch chemicus Paul Crutzen. Het Holoceen zou als gevolg van de door menselijk handelen ontstane atmosferische veranderingen overgegaan zijn in het Antropoceen. Ecologen noemen in navolging van William Ruddiman dit tijdperk het Vroeg Antropoceen. De term wordt echter niet gebruikt in de officiële tijdschaal zoals gebruikt binnen de geologie.

Herkomst en gebruik[bewerken]

Systeem
Periode
Serie
Tijdvak
Subserie
Etage
Tijdsnede
Ouderdom (Ma)
Kwartair Holoceen 0,0117 - heden
Pleistoceen Boven Tarantien 0,126 - 0,0117
Midden Ionien 0,781 - 0,126
Onder Calabrien 1,80 - 0,781
Gelasien 2,58 - 1,80
Neogeen Plioceen Piacenzian ouder
Indeling van het Kwartair volgens de ICS.

De woorden antropogeen en Antropoceen zijn neologismen die gevormd worden met het Oudgriekse woord anthropos (mens). Het achtervoegsel -ceen is naar analogie van andere tijdvakken zoals het Pleistoceen, terwijl het alternatieve achtervoegsel -geen afgeleid is van genese, wat staat voor wording, ontwikkeling of ontstaan. In deze vorm kan de term ook bijvoeglijk gebruikt worden bijvoorbeeld als antropogene effecten.

De Italiaanse geoloog Antonio Stoppani erkende in het jaar 1873 de invloed van de mensheid op het bestuurlijk systeem Aarde en verwees naar een Anthropo-zoi(cum) tijdperk. Het woord Anthropo-gene werd in 1919 voor het eerst door de Russische geoloog Alexei Pavlov gebruikt als aanduiding voor het Kwartair als systeemperiode met betrekking tot het geslacht Homo. Pavlovs concept werd Anthropo-cene (1922) en werd door Russische geologen in de jaren zestig en tijdens de US-conferentie in het jaar 1965 voorgesteld aan de Amerikaanse stratigrafiecommissie. De commissie besloot het jaar 1967 dat de naam Holocene vervangbaar zou zijn. Geruime tijd later gebruikte de Amerikaanse natuurwetenschapper Andrew Kevlin voor de nieuwe post-Holocene periode de term Anthro(po)cene in het boek Global Warming (1992), terwijl zijn landgenoot de ecoloog Eugene Stoermen informeel al in de jaren tachtig de naam Antropocene bedacht had naar analogie met het geologische tijdvak Holocene. De atmosferisch chemicus en Nobelprijswinnaar Paul Crutzen en Eugene Stoermen publiceerden de term gemeenschappelijk (2000).

Procedure tot erkenning[bewerken]

De Geological Society of London in Burlington House, Picadilly.

Er is door Jan Zalasiewicz en zijn collega's van de internationale stratigrafiecommissie (ICS) van de Geological Society of London op 4 februari 2008 een voorstel gedaan in GSA-Today (Geological Society of America) om het Antropoceen geologisch te erkennen als het jongste tijdperk in plaats van het Holoceen. Sindsdien worden door verschillende werkgroepen stappen ondernomen om te bepalen of het Antropoceen als tijdperk formeel opgenomen kan worden in de geologische tijdschaal.

De International Commission on Stratigraphy (ICS) benoemt het nieuwe tijdvak in de geologie. De grens tussen de twee tijdvakken de Global Boundary Stratotype Section and Point (GSSP) wijzen zij in de praktijk vervolgens aan door een gesteenteplek ergens wereldwijd te kenmerken met een plaquette uit brons in vaktermen een Golden Spike.

Natuurlijke variabiliteit[bewerken]

In het artikel Mondiale atmosferische milieuproblemen uit 1990 schreven de onderzoekers Lucas Reijnders en Carolien Kroeze, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam en Open Universiteit, dat de opwarming van de aarde sedert het begin van de industriële revolutie in de orde van 0,8oC bedroeg. Om over het optreden van de opwarming meer empirische zekerheid te krijgen zou de temperatuurstijging de natuurlijke variabiliteit (ruis) in het mondiale klimaat van het Holoceen te boven moeten gaan. Berekeningen uit die jaren lieten zien dat dit punt tussen 1995 en 2010 met het passeren van het Middeleeuws Temperatuur Optimum 10de en 11de-eeuw bereikt zou zijn. Zo kende het Holoceen, dat gekenmerkt wordt door een relatief zeer stabiel klimaat, een drietal kleine temperatuur optima: een eerste het Neolithisch en Minoïsch Temperatuur Optimum in het vroeg en laat Atlanticum, een tweede het Romeins en een derde het inmiddels gepasseerde Middeleeuws Temperatuur Optimum, (IPCC-2014).

Filosofische discussie[bewerken]

Wat de chronologische term Antropoceen of filosofische term antropoceen uiteindelijk inhouden is onlosmakelijk verbonden met wanneer of in welk jaar men het Antropoceen laat beginnen. Globaal zijn er drie mogelijkheden: het begin van het Antropoceen kan gelegd worden bij de atmosferische veranderingen, die van het ecosysteem, of beide. Het laatste is wat William Ruddiman verdedigt met het Vroeg Antropoceen oftewel de pre-industriële revolutie. Critici vinden dat wanneer het begin van het industriële tijdperk in 1925 als ondergrens voor het Antropoceen genomen wordt of de industriële acceleratieperiode ervan van na 1945 met als aanvangskenmerk de fall-out van de eerste kernexplosie, het historisch tijdperk in de bijdrage van de anthropogenic forcing te kort is. Het begin van de industriële revolutie zoals door Paul Crutzen is voorgesteld is een andere mogelijkheid maar de uitvinding van de stoommachine door James Watt in het jaar 1781 is geen klimatologische gebeurtenis en daarom niet hanteerbaar. Het dichts bij dit jaartal ligt volgens Jan Zalasiewicz de eruptie van de vulkaan Tambora in Indonesië het jaar 1815, waarvan men deeltjes heeft teruggevonden in ijskernen. Een vierde mogelijkheid is een jaartal of gebeurtenis in de toekomst.
De grootste criticus van de atmosferische verandering is de geoloog Salomon Kroonenberg van de Faculteit Aardwetenschappen van de Universiteit Delft. Hij wijst in de geschiedenis van de geologie op de constante veranderingen in het klimaat.

Antropocien[bewerken]

Wordt de atmosferische verandering als uitgangspunt genomen dan weet men dat het Antropoceen minimaal zo’n 3.000 tot 5.000 jaar gaat duren voordat het natuurlijk evenwicht zich heeft hervonden. Voor de invoering van een nieuw geologisch tijdvak is dat een zeer korte periode. Als het Antropoceen ooit in de geologische tijdschaal wordt opgenomen zal dat daarom wellicht niet als nieuw tijdvak, maar als een tijdsnede zijn, een onderverdeling van het Holoceen. Valt de keuze op tijdsnede dan wordt het achtervoegsel in het Engels sían en spreekt men van Anthropo-sian oftewel het Antropocien. De karakterisering en onderverdeling van het Holoceen heeft plaatsgevonden op basis van neerslag en temperatuur.

Vroeg Antropoceen[bewerken]

Hoogleraren van de Universiteit Wageningen blijken de voorkeur te geven om het ecosysteem als uitgangspunt voor het Antropoceen te nemen of de mens met oudere startdata. De oudste startdatum voor het Antropoceen ook wel het Vroeg Antropoceen genoemd, laat men beginnen 60.000 jaar geleden toen de mens vanuit Afrika begon uit te zwerven. Het Vroeg Antropoceen is een beginnende theorie die in eerste instantie is voorgesteld door de Amerikaanse paleoklimatoloog William Ruddiman (2002). Hij poneerde de hypothese dat het Vroeg Antropoceen (Engels: Early Anthropocene) als nieuw geologisch tijdperk zijn start moet hebben toen zowel de atmosfeer als ook het natuurlijk ecosysteem gelijktijdig voor het eerst door menselijke activiteit werden beïnvloed. Hij dateerde het aanvangstijdstip rond 8.000 jaar geleden tijdens het eerste Neolithisch Temperatuur Optimum met de opkomst van de intensieve landbouw, ontbossing en veeteelt (koolstofdioxide en methaan): het begin van de Neolithische revolutie. Waarbij het niet eenvoudig was om effecten van verstoringen in natuurlijke ecosystemen en van uitputting van minerale grondstoffen te onderscheiden van gevolgen van vroeg- of laat-menselijk gedrag.

Sustainoceen[bewerken]

Het Sustainoceen (Engels: Sustainocene) is de geëvolueerde nieuwe naam voor het Vroeg Antropoceen. Het Sustainoceen zoals voorgesteld door de Australiër Bryan Furnass (2012) zou een veel langer tijdperk worden met het accent op menselijk rentmeesterschap. Het postulaat bestrijkt een periode van meer dan een miljard jaar en beschrijft de ethische en de sociale aspecten van het bestuurlijk systeem Aarde: voor ecologische duurzaamheid, voor een gesloten economie van recyclebare grondstoffen en voor het beheer van natuurlijke hulpbronnen met behoud van biodiversiteit. De voorgestelde tijdsduur van het tijdperk zou overeenkomen met de erfenis die het leven heeft gegeven aan de mens om de Aarde met goed rentmeesterschap en met Rechten voor de Aarde duurzaam te beheren.

Historische achtergrond[bewerken]

Law Dome ijskernen Antarctica. Na 1800 wordt de CO2 concentratie verhoogd met een sterk toenemende tendens in de 20e eeuw.
Bijdrage opwarming Aarde
Beschrijving %
Waterdamp 36-70%
CO2 9-26%
Methaan 4-9%
Ozon 3-7%

De maakbaarheid van het atmosferische klimaat (door de mens) is door meerdere wetenschappers ontdekt. De Fransman Jean Fournier had het idee dat de temperatuur verklaard kon worden met onzichtbare warmtestralen. De Ier John Tyndall (1820–1893) maakte uit zijn laboratoriumonderzoek bekend dat waterdamp en andere atmosferische stoffen zoals koolstofdioxide warmte opnemen en vasthouden. Hij dacht dat natuurlijke variaties in waterdamp de klimaatschommelingen konden verklaren. Zodoende maakte de Zweed Svante Arrhenius (1859–1927) in een tijd dat de Commission Internationale des Glaciers in het leven was geroepen, het jaar 1896 de eerste aantekeningen over een klimaatverandering door koolstofdioxide. Een chemisch natuurlijke stof die in de atmosfeer terecht komt bij het door de mens verbranden van energiedragende bestanddelen. Svante Arrhenius was echter in de tijdgedachte van François-Alphonse Forel bezig aan een verklaring voor ijstijden. Hiermee maakte hij vijf jaar later de eerste maakbaarheidsberekeningen over de klimaatgevoeligheid, die uit het jaar 1901 dateren en hiermee is Svante Arrhenius de ontdekker van de maakbaarheid van het klimaat in het toedoen van het menselijk handelen.

Nuvola single chevron right.svg Zie Internationale Gletsjercommissie voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Het jaar 1918 maakte Svante Arrhenius een van zijn herziende berekeningen bekend dat het klimaat uit evenwicht begon te raken. Wat destijds aan een dusdanig stadium van afkoeling vooraf zou zijn gegaan. Arrhenius ging ervan uit dat de in die jaren ophanden zijnde afkoeling het gevolg was van een verminderde koolstofdioxideconcentratie. Arrhenius bemerkte echter dat men niets wist van een zodanige schommeling in het niveau van het klimaat. Deze onderstelling hoe aannemelijk het ook lijkt, gaf hem geen afdoende verklaring. Wat zou immers een concentratiedaling in de atmosfeer doen veroorzaken? Langzamerhand was uit het koude-archief het idee ingeworteld geraakt van een klimaatbehandeling dat voorheen in de maakbaarheid onmogelijk scheen.

De jaren dertig wees de Engelsman Callender op het feit van een groter wordende invloed van het verbruik van energiedragende bestanddelen, waardoor het idee van het menselijk handelen en de maakbaarheid van het klimaat meer aandacht begon te krijgen. Hij ging ervan uit dat binnen enkele decennia de temperatuursverhoging voor de mens merkbaar zou worden. Hierdoor liet men in de wetenschap, ofschoon directe luchtmetingen maar teruggaan tot de jaren vijftig, het pre-industriële tijdperk voorafgaan aan het snelle buigmoment van toenemende externe stoffen het jaar 1925.

Toelichting tabel: De bandbreedte van de verschillende concentraties in de tabel in % verklaart dat zowel regionaal als kortstondig variaties in de concentratie van deze stoffen kan optreden. Zo kan straling die eenmaal is geabsorbeerd niet meer geabsorbeerd worden door kooldioxide. De betekenis hiervan is dat in een woestijn waterdamp slechts weinig kan bijdrage aan de opwarming van de Aarde.

Bronvermelding[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties

Referenties

  • (en) Waters, C., Zalasiewicz, J., (maart 2014): A stratigraphical basis for the Anthropocene?, The Geological Society of London.
  • (en) American Meteorological Society (2014): Natural Climate Variability as Indicated by Glaciers and Implications for Climate Change: A Modeling Study door Oerlemans, J., Reichert, B., Bengtsson, L.
  • (en) Hansen, P., (2013): The Summits of Modern Man, bron: Great Soviet Encyclopedia (New York, 1973), vol. 2, 139—144; Pavlov's concept has been Anglicized as both “Anthropogene” and “Anthropocene.”
  • (en) Wal, M. van der, Kraker, J. De, (2013): Measuring Social Learning in Participatory Approaches to Natural Resource Management, Environmental Policy and Governance.
  • (en) Faunce, T.,( 2012): 'Towards a global solar fuels project - Artificial photosynthesis and the transition from anthropocene to sustainocene', Procedia Engineering, vol. 49, no. 2012, pp. 348-356.
  • (en) Furnass, B., (maart 2012): From Anthropocene to Sustainocene. Challenges and Opportunities. Public Lecture. Australian National University: [1] and What's on at ANU - Public Lecture From Anthropocene to Sustainocene - challenges and opportunities: [2]
  • (en) Goehringa, B., Vaccoa, D., (2012): Holocene dynamics of the Rhone Glacier, Switzerland, deduced from ice flow models and cosmogenic nuclides, Earth and Planetary Science Letters.
  • (nl) Kroeze, C., (2010): Een toekomst vol verrassingen, Open Universiteit, Heerlen.
  • (en) Haeberli, W., (2008): Changing views of changing glaciers, University of Zurich.
  • (en) Kuhn, M., (2006): Fluctuations of the Mer-de-Glace (Mont Blanc area, France) AD 1500–2050, Zeitschrift für Gletscherkunde und Glacialgeologie, Band 40.
  • (en) Zhamoida, A., (2004): Problems Related to the International (Standard) Stratigraphic Scale and Its Perfection, St. Petersburg.
  • (nl) Crutzen, Paul, (2003): Het Antropoceen, op de drempel naar de toekomst, in Cahiers bio-wetenschappen en maatschappij, 22, nr. 2, blz. 60-64, Den Haag.
  • (en) Crutzen, Paul, (2002): Geology of mankind, in Nature.
  • (en) Ruddiman, W., (december 2002): The Anthropogenic Greenhouse Era began thousands of years ago. Climatic Change 61 (3): p. 261–293, Kluwer Academic Publishers. Printed in the Netherlands.
  • (en) Oerlemans, J., Reichert, B., Bengtsson, L., (augustus 2001): Natural Climate Variability as Indicated by Glaciers and Implications for Climate Change: A Modeling Study.
  • (en) Crutzen, Paul & Stoermer, Eugene, (mei 2000): The Anthropocene, Global Change, IGBP Newsletter, 41, p.17-18.
  • (en) Oerlemans, J., (2000): Holocene glacier fluctuations: is the current rate of retreat exceptional. International Glaciological Society.
  • (en) Stehr, N., Storch H. von, (1999): Brückner, E., The Sources an Consequences Climate Change.
  • (en) Wallinga, J., Wal, R. van de, (1998): Sensitivity of Rhonegletscher, Switzerland, to climate change: Journal of Glaciology, Vol. 44, No. 147.
  • (nl) Leinders, J., (1997): Geologie rondom ijstijden, De dynamica van ijskappen, Open Universiteit, Heerlen, ISBN 90 358 1120 8.
  • (en) Revkin, A., (1992): Global Warming, Understanding the Forecast, American Museum of Natural History, New York, Abbeville Press, 180 p.
  • (nl) Reijnders, L., Kroeze, C., (1990): Het milieu, Denkbeelden voor de 21ste eeuw, blz. 285-305, Zeist.
  • (de) Finsterwalder, S., (1907): Die Theorie der Gletscherschwankungen. Zeitschrift für Gletscherkunde.
  • (de) Brückner, E., Penck, A.,(1902): Zur Fragen der 35-jahrigen Klimaschwankungen.
  • (de) Machacet, F., (1902): Gletscherkunde.
  • (fr) Forel, F-A., (1895): Les variations périodiques des glaciers: Discours préliminaire. Sciences Physiques et Naturelles Genève.
  • (fr) Forel, F-A., (1881): Archives des Sciences Physiques et Naturelles Genève, Richter, E., (1883).

Bron

  • (en) Are we now living in the Anthropocene?, GSA TODAY, (4 februari 2008): Zalasiewicz,Jan, en Williams, Mark, Department of Geology,University of Leicester, Leicester LE1 7RH, UK; Alan Smith, Department of Earth Sciences, University of Cambridge,Cambridge CB2 3EQ, UK; Tiffany L. Barry, Angela L. Coe, Department of Earth Sciences, The Open University, Walton Hall, Milton Keynes MK7 6AA, UK; Paul R. Bown, Department of Earth Sciences, University College London, Gower Street,London, WC1E 6BT, UK; Patrick Brenchley, Department of Earth Sciences, University of Liverpool, Liverpool L69 3BX, UK; enc, enc.