Antropoceen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Systeem
Periode
Serie
Tijdvak
Subserie
Etage
Tijdsnede
Ouderdom (Ma)
Kwartair Holoceen 0,0117 - heden
Pleistoceen Boven Tarantien 0,126 - 0,0117
Midden Ionien 0,781 - 0,126
Onder Calabrien 1,806 - 0,781
Gelasien 2,588 - 1,806
Neogeen Plioceen Piacenzian ouder
Indeling van het Kwartair volgens de ICS.

Het Antropoceen (Engels: Anthropocene) is de naam van het tijdperk waarin het Aardse klimaat en de atmosfeer de gevolgen ondervinden van menselijke activiteit. De term Antropoceen is geïntroduceerd door de geoloog Alexei Pavlov en heeft tachtig jaar later aan bekendheid gewonnen dankzij de ecoloog Eugene F. Stoermer en de atmosferisch chemicus Paul Crutzen. Het Holoceen zou als gevolg van de door menselijk handelen ontstane atmosferische veranderingen overgegaan zijn in het Antropoceen. Ecologen noemen in navolging van William Ruddiman dit tijdperk het Vroeg Antropoceen. De term wordt echter niet gebruikt in de officiële tijdschaal zoals gebruikt binnen de geologie.

Herkomst en gebruik[bewerken]

Flag of the United Kingdom.svg De Geological Society of London in de Burlington House, Picadilly

De woorden antropogeen en Antropoceen zijn neologismen die gevormd worden met het Oudgriekse woord anthropos, (mens). Het achtervoegsel -ceen is naar analogie van andere tijdvakken zoals het Pleistoceen, terwijl het alternatieve achtervoegsel -geen afgeleid is van genese, wat staat voor wording, 'ontwikkeling' of 'ontstaan'. In deze vorm kan de term ook bijvoeglijk gebruikt worden, bijvoorbeeld als antropogene effecten.

Het woord "Anthropo-gene" werd voor "the genus Homo" als 'Systeem Periode' naam voor het Kwartair voor het eerst gebruikt door de Russische geoloog Alexei Pavlov (1919). Pavlov´s concept werd "Antropocene" (1922) en werd door Russische geologen in de jaren zestig en tijdens de US-conferentie in het jaar 1965 voorgesteld aan de Amerikaanse strategrafiecommissie. De commissie besloot het jaar 1967 dat de naam "Holocene" vervangbaar zou zijn. Geruime tijd later gebruikte de Amerikaanse natuurwetenschapper Andrew Kevlin voor de nieuwe "post-Holocene" periode de term "Anthro(po)cene" in het boek "Global Warming" (1992) terwijl zijn landgenoot de ecoloog Eugene Stoermen informeel al in de jaren tachtig de naam "Antropocene" bedacht naar analogie met het geologische tijdvak "Holocene". De atmosferisch chemicus en Nobelprijswinnaar Paul Crutzen en Eugene Stoermen publiceerden de term gemeenschappelijk (2000).

Het Holoceen geldt anno 2014 nog steeds als het jongste tijdperk waarin we leven, maar door Jan Zalasiewicz en zijn collega's van de internationale stratigrafiecommissie (ICS) van de Geological Society of London is een voorstel gedaan in GSA-Today (Geological Society of America, 2008) om het Antropoceen geologisch te erkennen als het jongste tijdperk. Sindsdien worden door verschillende werkgroepen stappen ondernomen om te bepalen of het Antropoceen als tijdperk formeel opgenomen kan worden in de geologische tijdschaal.

Het ICS ( Engels: International Commission on Stratigraphy) is het orgaan welke de diverse tijdvakken in de geologie benoemt.

Startdatum[bewerken]

Kleine IJstijd[bewerken]

Flag of Switzerland (Pantone).svg Gletsch, 1870, en de Rhônegletscher als laaglandgletsjer die in de laatste twintig eeuwen van het Holoceen (11.700 BP tot 1921 na Chr.) op de vlakte van het plateau in cirkelvorm uitwaaiende, GCM. Na terugtrekking vanaf het Weichselien en na het eerste Temperatuur Optimum van het vroeg Atlanticum, bleef de koepelvormige gletsjerlengte binnen een zekere bandbreedte op het plateau van Gletsch fluctueren tot aan de verstoring van het Antropoceen.

Het vaststellen van de startdatum van het Antropoceen ligt bij genoemde werkgroepen. Op basis van overwegingen uit het atmosferisch onderzoek van Paul Crutzen lijkt deze zich te positioneren met de aanvang van de industriële revolutie en de uitvinding van de stoommachine (1781). Op basis van geologische bewijzen lijkt het Antropoceen te starten met het einde van de Kleine IJstijd (1850) toen Europese gletsjerstanden hun maximale uitbreiding bereikten. Het Holoceen zou met de glaciale processen die in het gletsjervoorland nog te vinden zijn ten einde zijn gekomen.

Glaciaal Periode (1900-1990)[bewerken]

Een ander uitgangspunt komt naar voren uit de visie van de meteoroloog Hans Oerlemans van het Institute for Marine and Atmospheric Research (IMAU, Universiteit Utrecht) in samenwerking met de Duitser Bernhard Reichert en de Zweed Lennart Bengtsson van het meteorologisch departement van het Duitse Max Planck Instituut (2001). Waarbij het gezamenlijk werk zich in het antropogene effect met enige fortuinlijkheid concentreerde op de kleine jongste gletsjercycli van de Noorse Nigardsbreen en de Zwitserse Rhônegletsjer in de periode 1900 tot en met 1925 na Chr.[bron?]

Zij beschreven uit wetenschappelijk onderzoek een tot dan toe onbekende ijstijdhypothese over een Glaciaal Periode met een kouder wordende tendens en een duur van negentig jaar, waarin de gletsjers in het operationele veld echter een verkorte aanwas en een onderdrukte gletsjercyclus lieten zien. Deze uitgebleven ijstijd begon afhankelijk van regionale verschillen tussen landen rondom de vorige eeuwwisseling (1900). [bron?]

Na de Kleine IJstijd met de koudste temperaturen sinds het Weichselien de laatste grote ijstijd was het rond 1850 nog steeds koud, kouder dan in andere delen van het Holoceen. In de geologisch gezien zeer korte tijdsspanne van vijftig jaar tussen het einde van de Kleine IJstijd en het begin van de ijstijd van Oerlemans/Reichert/Bengtsson zouden de snelheid van temperatuurverhogingen en daarmee samenhangende smeltverliezen op het plateau van Gletsch voor de Rhônegletsjer al buitengewoon groot zijn. En daarmee een ondersteuning voor de notie dat de pre-industriële periode (Engels: pre-industrial glacier length changes) als factor van betekenis in de antropogene klimaatverandering al zou moeten worden aangemerkt.[bron?]

Met gebruikmaking van de simulatietechniek General Circulation Models (GCM) konden deze wetenschappers inzicht krijgen in de gedragingen van de natuurlijke en de met menselijke activiteit samenhangende stoffen in de atmosfeer. Door GCM-simulatie te koppelen aan Europese gletsjercycli tijdens het Holoceen en door observaties in historische bronnen kon worden bepaald hoe de invloed van de atmosferische stoffen (inclusief de invloed van zonnevlekken en vulkanisme) zich in de loop van de tijd hebben ontwikkeld. De conclusie luidde dat men in Europa de verkorte gletsjeraanwassen of onderdrukte gletsjercycli in de Glaciaal Periode (1900-1990) kan toeschrijven aan de menselijke invloed in de eeuw van het industriële tijdperk na het jaar 1925. Hiermee zou het Holoceen ten einde lopen met de vervroegde stuwwallen rond het jaar 1925 die hadden moeten stammen uit het jaar 1990.[bron?]

Glaciologie en General Circulation Models[bewerken]

De toepassing GCM staat voor de simulatietechniek General Circulation Models waarmee tot maximaal honderd jaar kan worden voorspeld en waar duizenden jaren mee terug wordt gesimuleerd. GCM-simulaties modelleren oceanografische en atmosferische processen en maken het mogelijk deze te toetsen: klopt het beeld van GCM met wat we in het veld observeren. GCM is een instrument om de bestaande theorieën aan elkaar te koppelen en te vergelijken met historische en actuele observaties. De zeer rijk gedocumenteerde voorgeschiedenis van de Noordse Nigardsbreen en de Zwitserse Rhônegletsjer van observaties en metingen leverde de data om de aan GCM gekoppelde regionale modellen en gletsjerkundige theorieën op juistheid te toetsen en de afwijking van de twintigste-eeuw voor het noordelijk halfrond te constateren (2001). Waarbij men het GCM-resultaat toetste en ijkte op de werkelijkheid van het regionaal klimaat in temperatuur en neerslag gedurende een periode van zes tot tien jaar.

Het vijfde klimaatrapport IPCC-rapport 2007-2014 van de werkgroep Physical Science of Climate Change maakte melding dat de GCM-simulatie´s ten tijde van het IPCC-rapport 2001-2007 al instaat waren om een regionale klimaatverandering te simuleren en te voorspellen. Het (klassieke) werk met het toegepaste klimaatmodel wordt geciteerd in wetenschappelijke publicaties (bron: American Meteorological Society). De daarin voorkomende oorzakelijke 'anthropogenic forcing' werd in het IPCC-rapport 2014 beoordeeld als "hoogstwaarschijnlijk".

Ter illustratie[bewerken]

Flag of Switzerland (Pantone).svg Rhônegletscher, 1900. De antropogene klimaatontwikkeling laat deze gletsjer bij uitstek zien. De laaglandgletsjer van het Holoceen die met de stuwwal uit het jaar 1921 abrupt het Antropoceen inluidde. Tegenwoordig een valleigletsjer

Uit de klimaatperiodiciteit van Eduard Bruckner voorzag Eduard Richter tijdens het internationale geologiecongres van Parijs (1900) dat de twintigste-eeuw drie glaciale perioden zou krijgen, in een kouder wordende tendens (Shaun Marcott, 2013). De Glaciaal Periode (1900-1990) kwam na het einde van de jongste gletsjercycli (1900-1925) met een aantal gletsjerschommelingen nog verzwakt terug in de jaren zeventig en tachtig van de twintigste eeuw. Daarmee overschreed het Holoceen met het jaar 1925 de interne veranderlijkheid van het natuurlijke klimaat.

Een sprekend voorbeeld is de Rhônegletsjer. De Glaciaal Periode zou bij deze gletsjer volgens de theorie van het GCM-onderzoek een totale aanwas hebben moeten laten zien van |+450 m|. Het aanwasverschil van min 313 meter tussen GCM-simulatie |+450 m| en observaties in het veld |+137 m| wordt volgens het onderzoek verklaard door menselijke activiteit gedurende het industriële tijdperk parallel aan het grootschalig gebruik van fossiele brandstoffen.[bron?]

De ijstijd begon bij deze gletsjer in het hooggelegen firnveld het jaar 1905, waardoor er later, na zeven jaar van tussentijdse krimp, tussen 1912-21 een constant aanhoudende aanwas kwam van totaal |+137 m|. Het jaar 1921 is in de historie van deze gletsjer volgens de ijstijdhypothese van Oerlemans/Reichert/Bengtsson een abrupt keermoment te noemen.[bron?]

Natuurlijke variabiliteit[bewerken]

In het artikel Mondiale atmosferische milieuproblemen uit 1990 schreven de onderzoekers Lucas Reijnders en Carolien Kroeze, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam en Open Universiteit, dat de opwarming van de aarde sedert het begin van de industriële revolutie in de orde van 0,8oC bedroeg. Om over het optreden van de opwarming meer empirische zekerheid te krijgen zou de temperatuurstijging de natuurlijke variabiliteit (ruis) in het mondiale klimaat van het Holoceen te boven moeten gaan. Berekeningen uit die jaren lieten zien dat dit punt tussen 1995 en 2010 bereikt zou zijn met het passeren van het Middeleeuw Optimum. Zo kende het Holoceen, dat gekenmerkt wordt door een relatief zeer stabiel klimaat, een drietal kleine temperatuur optima: een eerste Temperatuur Optimum het Neolithisch en Minoïsch Optimum in het vroeg en laat Atlanticum, een tweede het Romeins Optimum en een derde het inmiddels gepasseerde Middeleeuw Optimum.

Klimaatindicatoren en het Holoceen[bewerken]

Uit de ijstijdhypothese van de Glaciaal Periode met het begin ervan rond 1900 en uit de oudste zienswijze van François-Alphonse Forel (1881) en Eduard Richter (1883) dat valleigletsjers vanaf hogere hoogte en vanwege de gletsjerkinematica en gletsjerdynamica gevoelige en vroege klimaatindicatoren zijn, overschreed het klimaat in temperatuur en sneeuwval reeds vroeg rond het jaar 1925 de natuurlijke variabiliteit van het Holoceen. Een vroege indicatie in de aanwezigheid ervan van een 'external forcing' gaf het artikel Holocene glacier fluctuations, is the current rate of retreat exceptional uit het jaar 2000. En geldt de matigheid dat met de hoogte de 'anthropogenic forcing' toeneemt.

Nuvola single chevron right.svg Zie Gletsjerkinematica voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Nuvola single chevron right.svg Zie Gletsjerdynamica voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Filosofische discussie[bewerken]

Wat de chronologische term Antropoceen of filosofische term antropoceen uiteindelijk inhouden is onlosmakelijk verbonden met wanneer of in welk jaar men het Antropoceen laat beginnen. Globaal zijn er drie mogelijkheden: het begin van het Antropoceen kan gelegd worden bij de atmosferische veranderingen, die van het ecosysteem, of beide. Het laatste is wat William Ruddiman verdedigt met het Vroeg Antropoceen. Critici vinden dat wanneer het begin van het industriële tijdperk in 1925 als ondergrens voor het Antropoceen genomen wordt, het historisch tijdperk in de bijdrage van de 'anthropogenic forcing' te kort is. Het begin van de industriële revolutie is een andere mogelijkheid, maar de uitvinding van de stoommachine in het jaar 1781 is geen klimatologische gebeurtenis en daarom niet hanteerbaar. Het dichts bij dit jaartal ligt volgens Jan Zalasiewicz de eruptie van de vulkaan Tambora in Indonesië het jaar 1815, waarvan men deeltjes heeft teruggevonden in ijskernen.

Wordt de atmosferische verandering als uitgangspunt genomen dan weet men dat het Antropoceen minimaal zo’n 3.000 tot 5.000 jaar gaat duren voordat het natuurlijk evenwicht zich heeft hervonden. Voor de invoering van een nieuw geologisch tijdvak is dat een zeer korte periode. Als het Antropoceen ooit in de geologische tijdschaal wordt opgenomen zal dat daarom wellicht niet als nieuw tijdvak, maar als een tijdsnede zijn, een onderverdeling van het Holoceen.

De grootste criticus van de atmosferische verandering is de geoloog Salomon Kroonenberg van de Faculteit Aardwetenschappen van de Universiteit Delft. Hij wijst in de geschiedenis van de geologie op de constante veranderingen in het klimaat.

Vroeg Antropoceen[bewerken]

Hoogleraren van de Universiteit Wageningen blijken de voorkeur te geven om het ecosysteem als uitgangspunt voor het Antropoceen te nemen of de mens met oudere startdata. De oudste startdatum voor het Antropoceen ook wel het Vroeg Antropoceen genoemd, laat men beginnen 60.000 jaar geleden toen de mens vanuit Afrika begon uit te zwerven. Het Vroeg Antropoceen is een beginnende theorie die in eerste instantie is voorgesteld door de Amerikaanse paleoklimatoloog William Ruddiman (2002). Hij poneerde de hypothese dat het Vroeg Antropoceen (Engels: Early Anthropocene) als nieuw geologisch tijdperk zijn start moet hebben toen zowel de atmosfeer als ook het natuurlijk ecosysteem gelijktijdig voor het eerst door menselijke activiteit werden beïnvloed. Hij dateerde het aanvangstijdstip rond 8.000 jaar geleden tijdens het eerste neolithisch Temperatuur Optimum met de opkomst van de intensieve landbouw, ontbossing en veeteelt (koolstofdioxide en methaan): het begin van de neolithische revolutie. Waarbij het niet eenvoudig was om effecten van verstoringen in natuurlijke ecosystemen en van uitputting van minerale grondstoffen te onderscheiden van gevolgen van vroeg- of laat-menselijk gedrag.

Sustainoceen[bewerken]

Het Sustainoceen (Engels: Sustainocene) is de geëvolueerde nieuwe naam voor het Vroeg Antropoceen. Het Sustainoceen zoals voorgesteld door de Australiër Bryan Furnass (2012) zou een veel langer tijdperk worden met het accent op menselijk rentmeesterschap. Het postulaat bestrijkt een periode van meer dan een miljard jaar en beschrijft de ethische en de sociale aspecten van het bestuurlijk systeem Aarde: voor ecologische duurzaamheid), voor een gesloten economie van recyclebare grondstoffen en voor het beheer van natuurlijke hulpbronnen met behoud van biodiversiteit. De voorgestelde tijdsduur van het tijdperk zou overeenkomen met de erfenis die het leven heeft gegeven aan de mens om de Aarde met goed rentmeesterschap en met Rechten voor de Aarde duurzaam te beheren.

Historische achtergrond[bewerken]

Law Dome ijskernen Antarctica. Na 1800 wordt de CO2 concentratie verhoogd met een sterk toenemende tendens in de 20e eeuw.
Bijdrage opwarming Aarde
Beschrijving %
Waterdamp 36-70%
CO2 9-26%
Methaan 4-9%
Ozon 3-7%

De maakbaarheid van het atmosferische klimaat (door de mens) is door meerdere wetenschappers ontdekt. De Fransman Jean Fournier had het idee dat de temperatuur verklaard kon worden met onzichtbare warmtestralen. De Ier John Tyndall (1820–1893) maakte uit zijn laboratoriumonderzoek bekend dat waterdamp en andere atmosferische stoffen zoals koolstofdioxide warmte opnemen en vasthouden. Hij dacht dat natuurlijke variaties in waterdamp de klimaatschommelingen konden verklaren. Zodoende maakte de Zweed Svante Arrhenius (1859–1927) in een tijd dat de Commission Internationale des Glaciers in het leven was geroepen, het jaar 1896 de eerste aantekeningen over een klimaatverandering door koolstofdioxide. Een chemisch natuurlijke stof die in de atmosfeer terecht komt bij het door de mens verbranden van energiedragende bestanddelen. Svante Arrhenius was echter in de tijdgedachte van François-Alphonse Forel bezig aan een verklaring voor ijstijden. Hiermee maakte hij vijf jaar later de eerste maakbaarheidsberekeningen over de klimaatgevoeligheid, die uit het jaar 1901 dateren en hiermee is Svante Arrhenius de ontdekker van de maakbaarheid van het klimaat in het toedoen van het menselijk handelen. Het jaar 1918 maakte hij een van zijn herziende berekeningen bekend dat het klimaat uit evenwicht begon te raken. Wat destijds aan een dusdanig stadium van afkoeling vooraf zou zijn gegaan. Arrhenius ging ervan uit dat de in die jaren ophanden zijnde afkoeling het gevolg was van een verminderde koolstofdioxideconcentratie. Arrhenius bemerkte echter dat men niets wist van een zodanige schommeling in het niveau van het klimaat. Deze onderstelling hoe aannemelijk het ook lijkt, gaf hem geen afdoende verklaring. Wat zou immers een concentratiedaling in de atmosfeer doen veroorzaken? Langzamerhand was uit het koude-archief het idee ingeworteld geraakt van een klimaatbehandeling dat voorheen in de maakbaarheid onmogelijk scheen.

De jaren dertig wees de Engelsman Callender op het feit van een groter wordende invloed van het verbruik van energiedragende bestanddelen, waardoor het idee van het menselijk handelen en de maakbaarheid van het klimaat meer aandacht begon te krijgen. Hij ging ervan uit dat binnen enkele decennia de temperatuursverhoging voor de mens merkbaar zou worden. Hierdoor liet men in de wetenschap, ofschoon directe luchtmetingen maar teruggaan tot de jaren vijftig, het pre-industriële tijdperk voorafgaan aan het snelle buigmoment van toenemende externe stoffen het jaar 1925.

Toelichting tabel: De bandbreedte van de verschillende concentraties in de tabel in % verklaart dat zowel regionaal als kortstondig variaties in de concentratie van deze stoffen kan optreden. Zo kan straling die eenmaal is geabsorbeerd niet meer geabsorbeerd worden door kooldioxide. De betekenis hiervan is dat in een woestijn waterdamp slechts weinig kan bijdrage aan de opwarming van de Aarde.


Bronnen, noten en/of referenties
  • American Meteorological Society (2014): Natural Climate Variability as Indicated by Glaciers and Implications for Climate Change: A Modeling Study door Oerlemans, J., Reichert, B., Bengtsson, L.
  • Hansen, P., (2013): The Summits of Modern Man, bron: Great Soviet Encyclopedia (New York, 1973), vol. 2, 139—144; Pavlov's concept has been Anglicized as both “Anthropogene” and “Anthropocene.”
  • Wal, M. van der, Kraker, J. De, (2013): Measuring Social Learning in Participatory Approaches to Natural Resource Management, Environmental Policy and Governance.
  • Faunce, T.,( 2012): 'Towards a global solar fuels project - Artificial photosynthesis and the transition from anthropocene to sustainocene', Procedia Engineering, vol. 49, no. 2012, pp. 348-356.
  • Furnass, B., (maart 2012): From Anthropocene to Sustainocene. Challenges and Opportunities. Public Lecture. Australian National University: [1] and What's on at ANU - Public Lecture From Anthropocene to Sustainocene - challenges and opportunities: [2]
  • Kroeze, C., (2010): Een toekomst vol verrassingen, Open Universiteit, Heerlen.
  • Haeberli, W., (2008): Changing views of changing glaciers, University of Zurich.
  • Zhamoida, A., (2004): Problems Related to the International (Standard) Stratigraphic Scale and Its Perfection, St. Petersburg.
  • Crutzen, Paul, (2003): Het Antropoceen, op de drempel naar de toekomst, in Cahiers bio-wetenschappen en maatschappij, 22, nr. 2, blz. 60-64, Den Haag.
  • Crutzen, Paul, (2002): Geology of mankind, in Nature.
  • William F. Ruddiman, (december 2002): The Anthropogenic Greenhouse Era began thousands of years ago. Climatic Change 61 (3): p. 261–293, Kluwer Academic Publishers. Printed in the Netherlands.
  • Oerlemans, J., Reichert, B., Bengtsson, L., (augustus 2001): Natural Climate Variability as Indicated by Glaciers and Implications for Climate Change: A Modeling Study.
  • Crutzen, Paul & Stoermer, Eugene, (mei 2000): The Anthropocene, Global Change, IGBP Newsletter, 41, p.17-18.
  • Oerlemans, J., (2000): Holocene glacier fluctuations: is the current rate of retreat exceptional. International Glaciological Society.
  • Stehr, N., Storch H. von, (1999): Brückner, E., The Sources an Consequences Climate Change.
  • Wallinga, J., Wal, R. van de, (1998): Sensitivity of Rhonegletscher, Switzerland, to climate change: Journal of Glaciology, Vol. 44, No. 147.
  • Leinders, J., (1997): Geologie rondom ijstijden, De dynamica van ijskappen, Open Universiteit, Heerlen, ISBN 90 358 1120 8.
  • Revkin, A., (1992): Global Warming, Understanding the Forecast, American Museum of Natural History, New York, Abbeville Press, 180 p.
  • Reijnders, L., Kroeze, C., (1990): Het milieu, Denkbeelden voor de 21ste eeuw, blz. 285-305, Zeist.
  • Finsterwalder, S., (1907): Die Theorie der Gletscherschwankungen. Zeitschrift für Gletscherkunde.
  • Brückner, E., Penck, A.,(1902): Zur Fragen der 35-jahrigen Klimaschwankungen.
  • Machacet, F., (1902): Gletscherkunde.
  • Forel, F-A., (1895): Les variations périodiques des glaciers: Discours préliminaire. Sciences Physiques et Naturelles Genève.
  • Forel, F-A., (1881): Archives des Sciences Physiques et Naturelles Genève, Richter, E., (1883).
  • Are we now living in the Anthropocene?, GSA TODAY, (4 februari 2008): Zalasiewicz,Jan, en Williams, Mark, Department of Geology,University of Leicester, Leicester LE1 7RH, UK; Alan Smith, Department of Earth Sciences, University of Cambridge,Cambridge CB2 3EQ, UK; Tiffany L. Barry, Angela L. Coe, Department of Earth Sciences, The Open University, Walton Hall, Milton Keynes MK7 6AA, UK; Paul R. Bown, Department of Earth Sciences, University College London, Gower Street,London, WC1E 6BT, UK; Patrick Brenchley, Department of Earth Sciences, University of Liverpool, Liverpool L69 3BX, UK; enc, enc.