Apollo 13

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Zie het artikel Voor de gelijknamige film over de ruimtevlucht, zie Apollo 13 (film)
Apollo 13
Missie-insigne
Missie-insigne
Missiestatistieken
Missienaam Apollo 13
Call Sign (CSM) Odyssey
Call Sign (LM) Aquarius
Bemanning 3
Lancering 11 april 1970
19:13:00 UTC
Kennedy Space Center
LC 39a
Landing 17 april, 1970
18:07:41 UTC
21° 38' 24" S - 165° 21' 42" W
Totale missieduur 142 u - 54 m - 41 s
v.l.n.r. Lovell, Swigert en Haise
v.l.n.r. Lovell, Swigert en Haise
Portaal  Portaalicoon   Ruimtevaart

Apollo 13 was de vijfde missie naar de maan, voor het uitvoeren van de derde maanlanding in het kader van het Project Apollo. De bemanning bestond uit Jim Lovell (commandant), Jack Swigert (piloot van de commando-module) en Fred Haise (piloot van de maanlander). Swigert was de vervanger voor Ken Mattingly, omdat die mogelijk met mazelen was besmet. De lancering vond plaats op 11 april 1970 om 13:13 plaatselijke tijd. Na een ongeval aan boord moest de geplande maanlanding worden afgelast. Door gebruik te maken van systemen uit de maanlander Aquarius wist de bemanning op 17 april 1970 behouden terug te keren.

Door de vlucht van de Apollo 13 werden de verantwoordelijken in de Verenigde Staten met de neus op de feiten gedrukt: ruimtereizen waren allerminst routine.

Het ongeval[bewerken]

Twee dagen na de lancering ontplofte op 13 april een zuurstoftank, waardoor de bemanning feitelijk schipbreuk leed in de ruimte. Commandant Jim Lovell sprak beheerst de historische woorden: "Okay Houston, we've had a problem".[1] Pas tegen het einde van de reis, toen de servicemodule werd afgestoten, kreeg de bemanning de mogelijkheid foto's te maken waaruit de schade bleek. Zuurstoftank 2 was ontploft en daarbij was een ventiel van zuurstoftank 1 beschadigd, waardoor in een paar uur de hele zuurstofvoorraad verloren was gegaan. Daardoor was geen water meer beschikbaar en geen energie. Bovendien kon de raketmotor niet meer gebruikt worden. De antenne voor de verbinding met de aarde, die ook deel uitmaakte van de servicemodule, was gelukkig onbeschadigd.

Op het moment dat de ontploffing zich voordeed, bevond Apollo 13 zich tussen de aarde en de maan. De landing op de maan was nog niet ingezet, en de maanlander was dus nog aangekoppeld. Deze kon nu worden gebruikt om elektriciteit, water en zuurstof te leveren. Bovendien werd de motor van de maanlander (van de daaltrap) gebruikt om terug op aarde te komen. De maanlanding was echter niet langer mogelijk.

Mechanica van de ruimtevaart[bewerken]

Deze computersimulatie toont hoe een gering koersverschil grote gevolgen kan hebben. De koers wordt gekozen in het punt rechtsonder. Door vlak langs de maan te mikken wordt de capsule teruggestuurd in de richting van de aarde. Het spreekt vanzelf dat hiervoor nauwkeurige berekeningen nodig zijn. Ook achteraf zijn waarschijnlijk nog koerscorrecties nodig geweest.

Zou een dergelijk ongeval zich hebben voorgedaan bij een reis op aarde, bijvoorbeeld bij een zeereis naar onbekend gebied, dan had het voor de hand gelegen onmiddellijk terug te keren.

Bij ruimtevaart geldt echter een andere mechanica. Om snelheid te maken en om van koers te veranderen is brandstof nodig. Voor de reis zelf, het volhouden van een bestaande koers, is geen brandstof nodig.
Het is verder mogelijk een ruimtevaartuig in een baan om een hemellichaam te sturen en zo van koers te veranderen. Er is dan een vrij geringe hoeveelheid brandstof nodig om de koers precies goed te leggen, waarna de zwaartekracht van het hemellichaam de rest doet.

Kort na de lancering was de Apollo 13 in een parkeerbaan om de aarde gebracht. Had de ontploffing zich op dit moment voorgedaan, dan had men direct weer op aarde kunnen landen. Helaas had de Apollo 13 op het moment van de ontploffing de parkeerbaan al verlaten en was hij op weg naar de maan. Na het ongeval beschikte Apollo 13 over onvoldoende brandstof om direct terug te keren. Het ruimteschip voer daarom verder naar de maan en gebruikte de zwaartekracht van de maan om terug te keren. Tenslotte werd de daalmotor van de maanlander gebruikt om te vertragen. Met de stuurraketjes van de maanlander werden koerscorrecties uitgevoerd.

Het leefklimaat aan boord[bewerken]

Tijdens de rest van de reis kon er geen gebruik meer worden gemaakt van de zuurstof en de klimaatregeling uit de gehavende servicemodule. De maanlander moest deze taak overnemen, maar hij was slechts berekend op een verblijf van twee dagen door twee astronauten, niet van vier dagen door drie astronauten. Om energie te besparen werden alleen de onmisbare apparaten in bedrijf gehouden; zo werden er geen televisieopnamen meer gemaakt. Door het lagere energieverbruik daalde de temperatuur in de maanlander aanzienlijk. Een ander probleem was dat het koolstofdioxidegehalte van de lucht opliep. Er waren voldoende koolstofdioxidefilters aan boord, maar die waren opgeborgen in de daaltrap en daardoor buiten bereik - ze waren bedoeld voor gebruik tijdens het verblijf op de maan. De filters van de commandmodule waren van een ander type en pasten niet op luchtbehandelingsapparatuur van de maanlander. Dit laatste werd in een crisisoverleg opgelost door de bemanning. Ze maakte een filter van de meest simpele dingen zoals tape en een plastic zakje.[bron?]

Terugkeer en slot[bewerken]

De bemanning had geen toestemming gekregen om het ruimteschip te verlaten en de schade te inspecteren. Waarschijnlijk zou een dergelijke actie onverantwoord zijn geweest omdat er lucht mee verloren ging. Pas op 17 april, kort voor de landing op aarde, werd de gehavende servicemodule afgestoten en kregen de bemanningsleden zicht op de schade ("It's really a mess"). Ze maakten foto's die van belang waren om de oorzaak van de ramp vast te stellen.

De servicemodule was niet ontworpen om op aarde te landen en het was dus niet mogelijk de module mee terug te nemen voor onderzoek. Ook de maanlander kon niet op aarde landen en moest worden afgestoten. Jim Lovell sprak de woorden "Farewell, Aquarius, and we thank you."[2] De maanlander, die een thermo-elektrische radio-isotopengenerator met 3,9 kg plutonium bevatte en die niet bedoeld was om op aarde terug te keren, werd naar een veilige plek in de Stille Oceaan gestuurd. Haise vroeg waar de maanlander terecht zou komen, maar dat wist de vluchtleiding niet precies. Haise: "She sure was a good ship."[2]

De rest was routine en de beproefde bemanning kon op aarde landen. Nadat de bemanning veilig geland was zei Jim Lovell: "The ship is stable and Apollo 13 signing off."[bron?]

Uit nader onderzoek van NASA bleek dat bij de montage van de Apollo 10 een defecte zuurstoftank was vervangen. De tank werd gerepareerd en werd later voor de Apollo 13 gebruikt. Ondanks alle positieve testuitslagen was de tank dus toch niet in orde geweest.
Een spoel voor het verwarmen van de zuurstof in de tank was ontworpen voor 28V/2A maar in Apollo 13 werd 56V/4A gebruikt. De isolatie smolt weg en een kortsluiting volgde. Een vonk die hierbij ontstond liet de tank ontploffen.

Het incident vormde voor Sam Greenberg van Grumman Aerospace, de bouwer van de maanlander, aanleiding om voor de grap aan North American Rockwell, de bouwer van de zuurstoftank, de 400.000 mijl sleepkosten (à 1$/mijl) te factureren, plus de vier niet geplande overnachtingen "bed and breakfast" van Swigert, de piloot van de commando-module.[3]

Verfilming[bewerken]

In 1995 verscheen Apollo 13, een film over van de vlucht van de Apollo 13. Tom Hanks speelt de commandant van deze vlucht. Andere rollen worden gespeeld door Bill Paxton, Kevin Bacon, Gary Sinise en Ed Harris. De film biedt een tamelijk nauwgezette reconstructie van de rampvlucht.

Galerij[bewerken]

Zie ook[bewerken]

Referenties[bewerken]

  1. Eric Jones; Test Division - Apollo Spacecraft Program Office. Apollo 13 Technical Air-to-Ground Voice Transcription (PDF) 160. NASA (1970-04) Geraadpleegd op 2007-10-04
  2. a b Apollo-XIII (Apollo 13), transcriptie
  3. Apollo-XIII Towing Bill

Externe links[bewerken]