Apothekersskink
| Apothekersskink IUCN-status: Niet geëvalueerd (2008) |
|||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | |||||||||||||||
|
|||||||||||||||
| Soort | |||||||||||||||
| Scincus scincus Linnaeus, 1758 |
|||||||||||||||
| Apothekersskink op |
|||||||||||||||
|
|||||||||||||||
De apothekersskink[1] (Scincus scincus) is een hagedis uit de familie skinken (Scincidae).
Inhoud |
[bewerken] Kenmerken
De basiskleur is grijsbruin tot grijs met op de rug duidelijk gele strepen, er zijn ook knalgele exemplaren met een zwarte bandering of met een brede, bruine rugband en dunne, zwarte verticale strepen. Juvenielen zijn wit en sterk zwart gebandeerd, ze hebben een zwarte luipaardtekening op de kop. De totale lichaamslengte is maximaal 25 centimeter. Deze skink kan als een vis door het zand 'zwemmen' door de poten langs het lichaam te houden en slang-achtige bewegingen te maken. Het lichaam is hier ook goed op aangepast; de kop is erg fors en de snuit schoffel-achtig; puntig maar breed, de poten en vooral de staart opvallend kort en de schubben zijn zeer glad en groot en overlappen elkaar sterk om de weerstand bij het door het zand glijden te verlagen.
[bewerken] Voorkomen en levenswijze
De apothekersskink leeft in het grootste deel van Noord-Afrika en komt voor in de landen Algerije, Bahrein, Egypte, Irak, Iran, Israël, Jemen, Jordanië, Koeweit, Libië, Mali, Marokko, Niger, Nigeria, Saudi Arabië, Senegal, Tunesië en de Verenigde Arabische Emiraten.[2]
De habitat bestaat uit zeer droge en warme maar vooral zanderige gebieden in en rond de Saharawoestijn.
Het voedsel bestaat uit allerlei woestijndieren, zoals mieren, kevers en zandsprinkhanen. Het grootste deel van de dag ligt de hagedis half ingegraven net onder het zand. Deze soort is echter zeer gevoelig voor trillingen van zelfs de kleinste prooidieren en de skink slaat snel toe als deze te dichtbij komen.
[bewerken] Naamgeving en taxonomie
De naam apothekersskink komt van de heilzame werking die aan de skink in de oudheid tegen verscheidene ziekten en gebreken werd toegeschreven. De skink werd verpulverd of tot as verbrand en in apotheken verkocht. De arabieren gebruikten het poeder als afrodisiacum. In het oude Egypte werd de skink gebalsemd en als grafgave in het graf gelegd.
De apothekersskink is voor het eerst wetenschappelijk beschreven door Carolus Linnaeus in 1758. Linnaeus gebruikte de naam Lacerta stincus, inmiddels wordt het geslacht Lacerta gebruikt voor de familie echte hagedissen (Lacertidae). Er worden vier verschillende ondersoorten erkend, die verschillen in verspreidingsgebied en uiterlijk.
- Scincus scincus conirostris
- Scincus scincus cucullatus
- Scincus scincus meccensis
- Scincus scincus scincus
[bewerken] Bronvermelding
Bronnen, noten en/of referenties
Referenties
Bronnen
|