Appius Claudius Pulcher (consul in 79 v.Chr.)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Appius Claudius Pulcher was een Romeins politicus uit de 1e eeuw v.Chr. Hij was een lid van de invloedrijke gens Claudia.

Claudius Pulcher was een aanhanger van Lucius Cornelius Sulla. Hij was praetor in 89 v.Chr.[1] en werd datzelfde jaar verbannen door Gaius Marius, nadat zijn rivaal Sulla op campagne naar het oosten was. Nadat Marius (in 86) en zijn opvolger Cinna (in 84 v.Chr.) waren gestorven keerde hij naar Rome terug. Hij werd in 79 v.Chr. samen met Publius Servilius Vatia Isauricus tot consul van Rome aangesteld.[2] Van 78 tot 76 v.Chr. was hij proconsul in Macedonia.[3] Na een gevecht tegen een Thracische stam overleed hij aan een ziekte.[4]

Hij was de zoon van Appius Claudius Pulcher, die consul was in 143 v.Chr. De jongere Claudius Pulcher was getrouwd met Caecilia Metella Balearica. Hun kinderen waren Appius Claudius Pulcher (consul in 54 v.Chr.), Claudia Pulchra Prima, Gaius Claudius Pulcher, Claudia Pulchra Secunda, Claudia Pulchra Tercia (Clodia) en Publius Claudius Pulcher, die als Publius Clodius Pulcher een beruchte bendeleider werd.

Noten[bewerken]

  1. Cicero, Pro Archia poeta 9.
  2. Fasti Capitolini, A. Degrassi, Fasti Consulares et Triumphales, in Inscriptiones Italiae XIII.1, Rome, 1947, pp. 54f., 130, 484f. (Ap. C[- - - - -]); Frontinus, Stratagemata IV 5.1 (Glaucia gecorrigeerd naar Claudio); Appianus, Bellum Civile I 103; Granius Licinianus, fr. 39 B; Chronografie van 354 (Vatio et Pulchro), Fasti Hydatius (Vitia et Pulchro, Claudio et Servilio); Chronicon Paschale (Vitia et Pulchro, Claudio et Servilio), Orosius, V 22.1; Cassiodorus; Scholiasta Gronovianus 347 Strangl; Cicero, Pro M. Caelio 33.
  3. Sallustius, Historiae I 127M; Livius, Periochae XCI; Festus, 9.2; Ammianus Marcellinus, XXVII 4.10.
  4. Livius, Periochae XCI; Florus, I 39.6; Eutropius, VI 2.1; Festus, 9.2; Ammianus Marcellinus, XXVII 4.10; Orosius, V 23.17-19.

Referentie[bewerken]

  • T.R.S. Broughton, The Magistrates of the Roman Republic, II, New York, 1952, pp. 33, 82, 86, 89.