Argument (logica)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Casparus Barlaeus (1584-1648), hoogleraar in de wijsbegeerte aan het Amsterdamse Athenaeum; zeer begaafd Latijnsch dichter en redenaar.
Voorbeeld van een stelling met ondersteunende argumenten (groen) en een tegenargument (rood).
Redenaarsstoel uit Papoea-Nieuw-Guinea met de voorstelling van 'Wagen', de belangrijkste geest van de Sepik-gemeenschap. De stoel stond in het midden van het mannenhuis en was het centrum van clanvergaderingen. De sprekers zetten hun argumenten kracht bij door de zitting te bestrijken met bundels bladeren. Soms werden er offers op gezet. Op de stoel werd nooit gezeten.

Een argument is in de logica datgene wat men stelt om op grond daarvan een conclusie te trekken, iets te betogen of te bewijzen. De term is verwant aan premisse, maar heeft een bredere betekenis. In verschillende disciplines heeft de term argument een iets andere definitie of wordt er een andere term voor het begrip argument gebruikt.

Het vormen van een redelijke argumentatie behoort tot de basisvaardigheden van moderne juristen, filosofen en politici en tal van andere beroepen. Iemands argumentatieve vermogen kan aangescherpt worden door kennis van de argumentatieleer. Daarbij zijn theoretische beschouwingen als 'Wat zijn geldige argumenten?' en 'Hoe bouw ik mijn betoog op een consistente manier op?' nog steeds van evenveel belang als in de tijd van Aristoteles. Het belang van goede argumenten is dus van alle tijden, vanaf de prehistorische mens, die een ander overhaalt om samen te jagen en de buit te delen, tot aan de hedendaagse politieke debatten, waarbij winst of verlies afhangen van overtuigende argumenten. Ook de empirische wetenschap leunt sterk op aanvaardbare argumentatie. Geldige argumenten en redeneringen zijn er twee fundamenten van.

Logica[bewerken]

De argumentatieleer is een onderdeel van de retorica (welsprekendheid): op diens beurt een onderdeel van de logica, die weer valt onder de filosofie (wijsbegeerte).

  • In de argumentatieleer wordt op grond van aanvaardbare argumenten door middel van een redenering een conclusie getrokken.
  • Een argument is al dan niet aanvaardbaar. Geldig zijn redeneringen die op aanvaardbare premissen zijn gebaseerd en ook de conclusie die uit de redenering getrokken wordt is een aanvaardbare, geldige conclusie, gesteld dat er geen argumenten aan het licht komen die de gevolgde redenering tegenspreken.

Voorbeelden[bewerken]

  • In de redenering
"Er is nog nooit een raaf gezien die niet zwart was, dus alle raven zijn zwart" is "Er is nog nooit een raaf gezien, die niet zwart was" het argument. "Alle raven zijn zwart." is de conclusie die daaruit wordt getrokken, aangegeven door het woord "dus".
Een conclusie, gebaseerd op een geldige redenering sluit impliciet andersluidende of tegengestelde conclusies uit.
Als er tot nu toe op zoveel waarnemingen van raven er geen enkele uitzondering is geweest op hun zwarte kleur, dan zal dat nu of in de toekomst ook niet gebeuren en is de bewering "alle raven zijn zwart" een ware bewering en een bewering als "er zijn ook raven die niet zwart zijn" is niet gestoeld op waarneming en daardoor vooralsnog onjuist.
  • Een ander voorbeeld van een geldig argument wordt hier gegeven door het welbekende syllogisme:
"Alle mensen zijn sterfelijk" (eerste premisse)
"Socrates is een mens" (tweede premisse)
"Socrates is dus sterfelijk" (conclusie)
Dit is een geldig argument, omdat uit de twee premissen de logisch noodzakelijke conclusie "Socrates is sterfelijk" getrokken wordt.

Soorten argumenten in recensies[bewerken]

Geldige argumenten[bewerken]

Onaanvaardbare (valse) argumenten[bewerken]

Het aanmaken van een ernstige typologie van drogredenen of sofismen is eigenlijk onbegonnen werk; er zijn immers oneindig veel mogelijkheden waarop een mens foutief kan redeneren. Zelfs de gangbare definitie van drogreden "een ongeldige redenering die geldig lijkt" is niet zonder problemen, want hierbij wordt beroep gedaan op een vaag psychologisch begrip als geldig lijken.[1] Een andere beperking waar rekening mee dient gehouden te worden, is de contextgebondenheid van redeneringen. [1] Terwijl de formele logica gericht is op de geldigheid van het redeneren, is de informele logica of retoriek gericht op efficiëntie, dus op het overtuigen van de toehoorders. [2] Vooral in de sociale wetenschappen, de politiek, de filosofie, het recht en de ethiek is de informele logica van grote betekenis. Het debat tussen aanhangers van deze twee disciplines over de compatibiliteit van logica en retoriek heeft sinds Plato en de Stoa [3] nog niets van zijn levendigheid verloren. [1] Hoe dan ook spelen drogredenen in de gewone omgangstaal een belangrijke rol, waardoor inzicht in de verschillende vormen ervan nuttig kan zijn.

Drogredenen
  • Ad hominem - "Op de man" spelen. (let op: niet te verwarren met wel geldige ad-hominemargumenten);
Voorbeeld: X is dom en leeft in een fantasiewereld".
    • De stropop - Het in diskrediet brengen van de tegenstander door deze te vereenzelvigen met een groep mensen met een negatieve of niet-serieuze kwalificatie;
Voorbeeld: X is een communist/hippie/nazi.
    • Ondergraven van de autoriteit van de tegenstander.
  • Het ridiculiseren van andermans argumenten
  • Argumentum ad verecundiam - Beroep op een twijfelachtige autoriteit;
Voorbeeld 1: X zegt het en X kan het weten, want hij/zij heeft het onderzocht.
Voorbeeld 2: Het stond in de krant.
  • Ongunstige gevolgen;
  • Appelleren aan onwetendheid;
  • Argumentum ad populum - Je argument kracht bijzetten door erop te wijzen dat een meerderheid er zo over denkt;
Voorbeeld: Iedereen die ik ken denkt er zo over.
  • Appelleren aan een bijzondere factor;
Voorbeeld: "Wij kunnen niet oordelen of de daden van God goed of slecht zijn, want zijn wegen zijn ondoorgrondelijk"
  • De vraag uitlokken of een antwoord vooronderstellen;
  • Selectieve waarneming - Wel de punten noemen die de redenering ondersteunen, maar de ondermijnende verzwijgen of negeren.
  • Statistiek van de kleine getallen of Overhaaste generalisatie;
Voorbeeld: Één op de vijf mensen is Chinees, maar dat is onzin, want ik ken wel honderd mensen en daar zitten maar twee Chinezen bij".
  • Verkeerd gebruik van de statistiek
Voorbeeld: Het is een slechte zaak, dat de helft van het aantal Nederlanders qua intelligentie nog steeds onder het landelijke gemiddelde zit".
  • Inconsistentie - Het beweren dat iets waar is omdat de onwaarheid nooit is aangetoond (en vice versa).
Voorbeeld 1: Het bestaan van God valt niet te bewijzen, dus bestaat God niet.
Voorbeeld 2: Het niet bestaan van God valt niet te bewijzen, dus God bestaat.
  • Non sequitur - Het één volgt niet uit het ander;
Voorbeeld: "Wij zullen winnen, want wij aanbidden God". Het één hoeft niet uit het ander te volgen, aangezien de tegenparij misschien dezelfde God aanroept.
  • Post hoc, ergo propter hoc - Het gebeurde erna, dus werd het veroorzaakt door;
Voorbeeld: "Voordat de vrouwen stemrecht hadden waren er ook geen nucleaire wapens".
  • De betekenisloze (onlogische) vraag;
Voorbeeld: "Wat gebeurt er als een onweerstaanbare kracht in contact komt met een niet te bewegen voorwerp?" De vraag is betekenisloos, omdat het bestaan van een onweerstaanbare kracht het bestaan van een niet te bewegen voorwerp uitsluit en omgekeerd.
  • Het uitgesloten midden;
Voorbeeld: Wie niet voor ons is, is tegen ons. Hierbij wordt voorbijgegaan aan een keuze aan alternatieven en nuanceringen, (bijvoorbeeld een neutraal standpunt wordt ontkend).
  • Argumenten van het gladde vlak
Voorbeeld: "Als we marihuana legaliseren, dan is de deur opengezet naar de vrijgeving van Heroïne, speed en wie weet wat voor gevaarlijke middelen nog meer."
  • Oorzaak en gelijktijdigheid aan elkaar gelijk stellen;
Voorbeeld: "Er zijn veel homoseksuelen in San Francisco, een stad die ook geregeld door aardbevingen wordt getroffen. Die aardbevingen zijn een straf van God voor homoseksualiteit."
Voorbeeld: "Het is nu eenmaal zo".
Voorbeeld 1: "Als je niet gelooft wat ik zeg, ga je naar de hel"
Voorbeeld 2: "Zie je dit pistool?"
  • Cirkelredenering (Petitio principii);
Voorbeeld: De Bijbel zegt dat God bestaat, en de Bijbel is correct want het is het woord van God.
  • Gebruik van verleden en toekomst.
Voorbeeld: Moord heeft altijd plaatsgevonden en zal ook altijd plaatsvinden. Dit maakt moord niet rechtvaardig.

Zie ook[bewerken]

Bronnen

  • Apostel,Leo en Vandamme,F., Formele Logika, Deel 1: Klassieke systemen, Uitg. de Sikkel

Voetnoten

  1. a b c L. Apostel, F. Vandamme: Formele Logika Deel 1:Klassieke systemen
  2. Chaïm Perelman en Lucie Olbrechts-Tyteca (1969): The new rhetoric: A treatise on argumentation.
  3. Plato en de Stoa vonden de twee disciplines niet compatibel. Aristoteles daarentegen beoefende ze beide.

Literatuur

  • Bonevac,Daniel, Univ. of Texas, The Art and Science of Logic, Mayfield Publishing Company 1990