Ark van Mozes

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Ark van Mozes is volgens het Bijbelboek Exodus 2:3-5 het rieten mandje waarin Mozes aan de dood ontsnapte.

Etymologie[bewerken]

Het woord ark is aan het Latijnse arca ontleend om het Hebreeuwse woord teiva (verwant aan het Egyptische teb) te vertalen, dat letterlijk "kist" betekent. In oudere Nederlandse Bijbelvertalingen wordt Mozes' ark daarom wel een "kistje" genoemd, maar moderne vertalingen hebben het over een "mandje". Het Hebreeuwse woord bassup blijkt ook moeilijk te vertalen; vaak wordt het met riet of bies vertaald, de Nieuwe Bijbelvertaling houdt het op papyrus.

Bijbels relaas[bewerken]

Mozes werd in de ark gelegd toen de Egyptische farao alle Hebreeuwse jongetjes meteen na de geboorte door aangewezen vroedvrouwen liet ombrengen (Exodus 1:15-16, 1:22), omdat hij bang was dat het snel groeiende aantal Israëlieten een bedreiging voor zijn eigen volk zou worden (Exodus 1:8-10). Dit vond plaats tijdens de 400 jaar slavernij in Egypte, circa 80 jaar voor de uittocht. Mozes' moeder liet haar kind in de ark de Nijl afdrijven, waar het werd opgemerkt door dienaressen van de daar badende dochter van de farao. Niet wetend wie de moeder was vroeg zij Mozes' moeder zich over het kind te ontfermen. Later werd Mozes door haar als zoon aangenomen en werd hij verder opgevoed aan het hof. Volgens het Bijbelse verhaal was hij daarna degene die het volk Israël uit Egypte leidde naar het land Kanaän.

Later, tijdens de uittocht, kreeg Mozes bevel de Ark van het Verbond te maken, een heel andere Ark van Mozes en het heiligste voorwerp voor de toenmalige Israëlieten. Het schip van Noach werd ook aangeduid met het woord 'ark'.

Mythologische vergelijkingen[bewerken]

In de vergelijkende godsdienstwetenschap gaat men ervan uit dat het verhaal van de Ark van Mozes, dat waarschijnlijk in de 6e eeuw v.Chr. is geschreven, is overgenomen van de legende van Sargon van Akkad, die voorkomt in een 7e-eeuwse Nieuw-Assyrische tekst. Ook Sargon werd in een mandje geplaatst om kindermoord te voorkomen, door de rivier meegenomen en door iemand anders gevonden en opgevoed, waarna hij koning werd. Geleerden zoals Joseph Campbell en Otto Rank hebben dit verhaal ook vergeleken met de obscure geboorten van andere heldhaftige figuren uit de geschiedenis en mythologie, waaronder Karna, Oedipus, Paris, Telephus, Semiramis, Perseus, Romulus, Gilgamesj, Cyrus II de Grote, Jezus en anderen.[1] Toen in 2005 het bestaan van het Evangelie naar Judas bekend werd, bleek dat Judas Iskariot eveneens zo'n gebeurtenis zou hebben meegemaakt in zijn jeugd: hij werd als kind door zijn ouders in een mand gestopt die ze de zee lieten afdrijven om niet te worden vermoord, groeide op bij andere ouders en werd heerser. In de middeleeuwse Legenda Aurea houdt Jacobus de Voragine een soortgelijk relaas in zijn biografie van Judas.[2]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Rank 1932; MacKenzie 1900: 126
  2. C.G.N. de Vooys, 'De Middelnederlandse legenden over Pilatus, Veronica en Judas.' in: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 20 (1901), p. 125-165. Te raadplegen in DBNL.