Arnold Zandbergen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Arnoldus Roodhart Zandbergen (Blokzijl, 10 juli 1897Hoogeveen, 13 augustus 1975) was een Nederlandse verzetsstrijder en organisator van de hulp aan onderduikers tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij zat anderhalf jaar in Dachau (concentratiekamp).

Woninginrichter[bewerken]

Een vooraanstaande figuur in het Hoogeveense verzet is Arnoldus Roodhart Zandbergen (1897-1975). Hij is een militante persoonlijkheid die tot september 1943 plaatselijk leider is van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO). Hij is geboren in Blokzijl en brengt zijn jonge jaren door in Alkmaar. Gedurende de hele mobilisatie in de Eerste Wereldoorlog is hij in militaire dienst. Zijn loopbaan als woninginrichter begint hij in de zaak van zijn broer in Meppel. In 1919 op 22-jarige leeftijd vestigt hij zich aan de brede kant van de Hoofdstraat in Hoogeveen naast slagerij Van der wijk en boven de slagerij van Koetsier. Iedere klant moet een ladder op naar boven om de nieuwe meubelzaak te bereiken. Om toch iets te kunnen etaleren huurt hij ruimte van de joodse zakenman Stern.

In 1922 trouwt hij. Intussen is hij verhuisd naar de Grote Kerkstraat, waar hij het pand van Egbert Naber heeft gekocht. Na ieder goed jaar is er uitbreiding en vernieuwing van de zaak. Ook zijn er in de crisisjaren perioden, dat hij totaal niets te doen heeft. Op de fiets komt hij in Hollandscheveld en ziet daar de grote armoede. ‘Wat moet dat worden?’, denkt hij.

In 1938 waagt hij de overstap naar de overkant van de Grote Kerkstraat, waar hij op de hoek met de Kleine Kerkstraat tegenover de Grote Kerk de helft koopt van een perceel van het Armwerkhuis. De andere helft wordt aangekocht door Lukas Mulder. Het bouwen van een zakenpand aan de Grote Kerkstraat is een gewaagde onderneming, omdat in die jaren alleen de Hoofdstraat geldt als winkelstraat. De verkoop en de woninginrichting blijven eerst nog op nummer 21, waar het gezin Zandbergen ook woont. De firma verzorgt ook verhuizingen.

Arnold Zandbergen zit al gauw in het bestuur van de Christelijke Middenstandsvereniging. Organisatie ligt hem na aan het hart, ook in de politiek. Tijdens en na de oorlog is hij diaken in de kerkeraad van de Gereformeerde Kerk. Hij is liever diaken dan ouderling, omdat het dan aankomt op praktische oplossingen.

Begin 1940 wordt mede op zijn initiatief de Christelijke Bond van Meubileringsbedrijven opgericht. Hierdoor komt hij in contact met zijn branchegenoot Cary Stomp in Zeist, die weer dominee Frits Slomp, alias Frits de Zwerver, in Heemse kent. Zijn contacten via deze christelijke bond zijn in de oorlog zeer waardevol voor zijn verzetswerk.

Hij wordt voorzitter van de gereformeerde reciteervereniging Nut en Genoegen, waar hij Johannes Post ontmoet, en is gemeenteraadslid voor de Anti-Revolutionaire Partij.

Begin van de oorlog[bewerken]

In mei 1940 is Arnold Zandbergen gedetacheerd bij de plaatselijke Luchtwachtdienst. Deze bestaat uit vrijwilligers, die aanvankelijk vanaf het dak van de vroegere jeugdherberg aan de Stationsstraat en later vanaf de watertoren vijandelijke vliegtuigen moeten signaleren. Vanaf het begin van de mobilisatie in 1939 is deze taak van de Luchtwachtdienst verplicht. Het zijn vooral werklozen die zich hiervoor opgeven, omdat ze dan enkele guldens mogen bijverdienen. De vrijwilligers moeten acht van de vierentwintig uur per dag meedraaien. Onder het waterreservoir in de watertoren is een ruimte waarin gestookt wordt en waar ze zich af en toe mogen warmen.

Overkomende vliegtuigen moeten telefonisch naar het gemeentehuis gemeld worden. Als om vier uur in de ochtend van de tiende mei het ‘gedonder’ begint, horen ze dankzij de oostenwind de bruggen bij Coevorden de lucht in gaan. Heel wat vijandelijke vliegtuigen worden die nacht door Arnold Zandbergen doorgegeven. Hij is verbolgen op de Duitsers, die hij ‘schennis van elke waarde en iedere afspraak’ verwijt.

Nog even gaat hij naar huis en dan vertrekt hij, samen met anderen van het Korps Luchtwachtdienst, via de Afsluitdijk naar Noord-Holland, om daar de vijand tegen te houden. Duidelijk nemen ze waar hoe de kop van de Afsluitdijk wordt verdedigd. In zijn vroegere woonplaats Alkmaar rijdt Zandbergen mee op de patrouillewagens die NSB’ers ophalen, die als franc-tireur schieten op Nederlandse militairen. Zandbergen windt zich hier enorm over op.

Telefoon en giro afgesloten na protest[bewerken]

Na twee weken is de groep in Hoogeveen terug. Als weinig anderen heeft Arnold een sluiptactiek door van de Duitsers, onder andere ten opzichte van de joden. Als vurig AR-man weet hij, dat hij de overheid moet gehoorzamen. Maar deze overheid wil en kan hij niet volgen. Hij krijgt een briefje thuis van de directeur-generaal van de PTT. Hij moet tekenen, dat hij zijn telefoon niet door joden zal laten gebruiken. Hij weigert, en als straf wordt zijn telefoon afgesloten. Ook enkele anderen in Hoogeveen worden afgesloten.

Kort daarna moeten alle girorekeninghouders een verklaring tekenen, dat ze geen zaken meer zullen doen met joden. Arnold Zandbergen stelt heet van de naald de volgende brief op, die hij in honderden exemplaren laat vermenigvuldigen en verspreiden onder alle girorekeninghouders in Hoogeveen en omgeving.

Aan alle Giro-rekeninghouders.
Opnieuw wordt een aanslag beraamd op uw waardigheid als Nederlander en vraagt men uw medewerking voor een Jodenvervolging. Na kortgeleden de telefoonabonnees een Jodenverklaring afgevraagd te hebben, waaraan helaas bijna allen hebben voldaan, is het nog niet mooi genoeg. Nu moeten ook alle rekeninghouders bij de Giro een dergelijke verklaring in sturen. En waarvoor? Joden zijn er zo goed als niet meer op vrije voeten en die er nodig zijn, is het zakendoen al onmogelijk gemaakt. Hen treft men er niet meer mee. Maar men wil nog eens weer proberen of er nog pit zit in onze Nederlanders of dat ze als lamme goedzakken ook deze volkomen overbodige plagerij zullen accepteren en zo eigenlijk zullen medewerken aan, en hun goedkeuring zullen verlenen op de maatregelen tegen onze Joodsche landgenoten. Want daar komt het feitelijk op neer.
Weigert daarom als één man die verklaring af te leggen. Zorg dat er geen geld op uw girorekening staat. Of anders vraag het saldo op. Maar teken niet – teken nooit. Eindelijk komt er toch een eind aan al dat toegeven! Toont nu hierin dat het grootste deel van ons volk niets wil weten van de rassen waanzin. TEKEN NIET!!!

Geeft dit door aan vertrouwde kennissen.

Er komt een telefoontje van een van de hoogste bazen van de Post- Cheque- en Girodienst. ‘Wij willen u niet graag kwijt als klant. Teken de verklaring toch’ wordt dringend gevraagd. Zandbergen blijft weigeren.

Strijdbaar[bewerken]

Zeer strijdbaar is hij ook binnen het bestuur van de Gereformeerde Schoolvereniging. Er gaat een door alle bestuursleden ondertekende verklaring naar het departement van onderwijs, dat men weigert om voor iedere benoeming toestemming te vragen aan Den Haag.

Veel contact heeft hij met Klaas de Raad (1900), leraar aan de gereformeerde MULO-school aan Het Haagje, die op grond van zijn geloof zich verzet tegen de Duitsers. Zandbergen is meer praktisch ingesteld. Hele gesprekken hebben ze in de tuin achter de woning aan de Kerkstraat, waar niemand hen kan horen. Veel praktisch verzetswerk vindt in het begin plaats via de Meubelpatroonsbond, zoals de verspreiding van het illegale Trouw.

Verzet tegen de Arbeitseinsatz[bewerken]

In het voorjaar van 1942, als de Arbeitseinsatz naar Duitsland wordt doorgevoerd, is het Zandbergen die mondeling en schriftelijk daartegen in het geweer komt. Samen met Frits de Zwerver spreekt hij kandidaat-tewerkgestelden toe in een van de lokaliteiten van de Gereformeerde Kerk aan de Hoofdstraat. Hij bezweert hen om onder te duiken. In het begin duiken de jongens onder bij familie of wordt er een plaats gezocht bij kennissen buiten Hoogeveen. Van Meppel komen soms transporten onder geleide van een koerier met de laatste trein in het donker. Ze blijven hier een nacht over en vertrekken ’s morgens met de eerste tram richting Emmen. Vanuit Hoogeveen wordt gezorgd voor onderdak. Enkelen weten van elkaar dat ze hiermee bezig zijn. Maar van organisatie is in die eerste tijd nog geen sprake.

Burgemeester Tjalma[bewerken]

In 1941 en 1942 benadert Arnold Zandbergen verschillende keren burgemeester Jetze Tjalma. Op persoonlijke titel als burger van Hoogeveen, als partijgenoot en als vooroorlogs gemeenteraadslid dringt hij er bij Tjalma op aan om onder te duiken. De burgemeester is dat volgens Zandbergen verplicht op principiële gronden, als lid van de AR-partij en als lid van de Nederlands Hervormde Kerk. Zandbergen en Tjalma staan daarbij meermalen als kemphanen tegenover elkaar, omdat de eerste geen blad voor de mond neemt. Hij weet zich daarbij gesteund door gemeenteontvanger Sjieuwe Snoek en door Arend Jan van de Kerk. Na de oorlog, als Zandbergen wethouder wordt, is het tussen hem en Tjalma nooit weer helemaal goed gekomen. De controverse vanuit de oorlog werkt door.

Plaatselijk en landelijk verzetswerk[bewerken]

De ontmoeting met Frits de Zwerver is de opstap naar het ontstaan van de landelijke ‘beurs’ voor het ruilen van mensen, om hen een veilig onderdak te geven. Arnold Zandbergen wordt landelijk een van de leidende figuren.

Ook plaatselijk wordt de zaak op poten gezet. Frits de Zwerver die als ouderling Van Zanten spreekbeurten houdt, belooft ook eens te komen spreken in Hoogeveen. Dat gebeurt in de consistorie van de Christelijke Gereformeerde Kerk aan de Bentickslaan. De broeders van de kerkeraad die toestemming hebben gegeven, zijn niet op de hoogte van de ware aard van de bijeenkomst. Heel wat keren is in de consistorie vergaderd.

Koster Arjen Plantinga (1906), die als stoffeerder in dienst is bij Arnold Zandbergen, wordt een van de beste medewerkers. Bonkaarten en andere paperassen slaat hij op in een ruimte onder de preekstoel en in de kelder van de kerk. Dominee Klaas Zuidersma die na bijna twintig jaar Hoogeveen al tegen zijn emeritaat loopt, is erg bang uitgevallen. Hij weigert zelfs om een exemplaar van Trouw in ontvangst te nemen. Als hij weet, dat hij zondags staat te preken boven op de bonkaarten, zal hij geen rustig ogenblik meer hebben.

Op die eerste bijeenkomst, waarschijnlijk in december 1942, zijn er mensen uit Hoogeveen en naaste omgeving. Onder hen is de jonge boer Johannes Post (1906) uit Nieuwlande. Slomp heeft Post leren kennen vlak voor zijn vertrek in 1930 van Nieuwlande naar Heemse. Verder zijn er onder anderen Albert van Aalderen (1892), Johannes van Aalderen (1909), Jan Naber (1923), Klaas de Raad en Albert Jan Rozeman (1914).

Dominee Slomp houdt een aangrijpende preek over ‘Sabotage als christenplicht’. De Egyptische vrouwen Sifra en Pua (Exodus 1 vers 15-22) schildert hij als de voorbeeldige vleesgeworden ongehoorzaamheid jegens de onderdrukker. Die avond wordt besloten om in Hoogeveen een plaatselijk samenwerkingsverband voor hulp aan onderduikers op te richten. Dat gebeurt aanvankelijk onder de naam Organisatie-Frits, wat na korte tijd de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (afgekort L.O.) wordt. Vanuit Hoogeveen waaiert dit werk uit over de hele provincie, waarbij Arnold Zandbergen de centrale contactman wordt. In feite is hij de man die leiding geeft aan het LO-werk. In de eerste negen maanden maken, behalve de reeds genoemden, ook deel uit van de ploeg Arjen Plantinga, Jan Bork (1896), Gerrit Reinders (1904) en Janny Raak (1922). Johannes Post, hoewel aanwezig op de eerste vergadering, voelt weinig voor het organisatorische werk. Hij doet al veel meer dan iemand anders voor het onderbrengen van Joden.

Met een schuitje de biezen in[bewerken]

In de zomer van 1943 krijgt Zandbergen een seintje van de politie om een paar weken te verdwijnen. Hij is al van plan om met het hele gezin naar Wanneperveen te gaan. Omdat het in Hoogeveen onveilig voor hem wordt, gaat hij alvast een week eerder. In de laatste week van juli volgt de rest van het gezin. Op de eerste zaterdag in augustus zet de Grüne Polizei hele wijken van Hoogeveen af. Diverse personen worden opgepakt en zondagmorgen vroeg worden notaris Mulder, jonkheer De Jonge en Adriaan Baas bij het Noorderhuis in het Spaarbankbos gefusilleerd. Diezelfde zondagmiddag dringt de Duitse Polizei samen met de Hoogeveense politie het afgesloten huis van de familie Zandbergen aan de Grote Kerkstraat binnen. Drie uur lang zoeken ze vergeefs naar belastend materiaal.

Zandbergen die gewaarschuwd is, trekt met een schuitje de biezen in. Er hoeft in Hoogeveen maar iemand zich te laten ontvallen, dat hij in Wanneperveen met vakantie is, of ze zullen proberen hem daar te vinden. De Hoogeveense politie laat hem weten dat het beter is om weg te blijven. Maandag krijgt hij van Arend Jan van de Kerk een uitvoerig verslag, hoe het gegaan is en ook het dringende advies: blijf alsjeblieft weg. Na twee dagen niets gehoord te hebben, trekt hij zich terug uit de biezen om met zijn gezin te gaan zonnen en zeilen. Dan komt het bericht dat Meppel is afgezet en dat in Hoogeveen door de Duitsers naar hem wordt gezocht. In Meppel is het begonnen om zijn neef Juul (1925) en zijn broer Gerrit, die ook beiden zwaar in het illegale werk zitten. Op de beide NS-stations worden mensen aangehouden en gevraagd of ze Zandbergen kennen.

Onmiddellijk wordt in Wanneperveen de boel opgebroken en zoeken de Zandbergens een heenkomen in Leeuwarden.

Ondergedoken, maar actief[bewerken]

Na een week gaat de rest van het gezin successievelijk naar Hoogeveen terug. Zandbergen blijft in Leeuwarden ondergedoken, maar is niet van plan dat te blijven doen. Hij voelt zich nu een beetje vrijer. In Hoogeveen krijgt hij teveel mensen aan de deur. Toch wil hij, al komt hij er niet meer, het contact met Hoogeveen bewaren. Zelf laat hij zich in Hoogeveen niet meer zien, terwijl de vergaderingen voortaan beurtelings worden gehouden in Beilen en Assen.

Eens wordt hij op het station in Assen aangehouden door een Hoogeveense politieman, die hem vraagt naar zijn persoonsbewijs. ‘Zandbergen, dat dacht ik wel. Wat doet u hier?’ vraagt hij. ‘U weet toch dat u met vuur speelt? Ik zal u niets doen, maar de SD zoekt u. Wees verstandig en blijf hier vandaan. Als ze u te pakken krijgen, is het niet best.'

Wekenlang is Zandbergen in Drenthe, Overijssel en Noord-Holland organisatorisch bezig om de distributie van bonkaarten over het hele land te organiseren. Beurs- en topvergaderingen worden gehouden in plaatsen als Zwolle, Amersfoort, Zeist, Alkmaar en Hoorn. Ook bij de organisatie van de KP (Knokploegen) is hij in het begin betrokken. Dat is in de zomer van 1943. Hij is lid van de Commissie van Vijf, die als OD-kern kan optreden samen met Jos van Aalderen, Chiel Rombout, Klaas Veldman en F. Gunnink.

Later worden Albert van Aalderen en Klaas de Raad hieraan toegevoegd. De beroepsofficier Ab Wolting uit Zwinderen wordt instructeur.

Gearresteerd[bewerken]

De uitwerking van een en ander maakt Zandbergen niet meer mee, omdat hij op 19 oktober op een beursvergadering in Hoorn, samen met Cary Stomp en zeventien anderen wordt gearresteerd. Stomp heeft een zakboekje bij zich met namen en adressen, dat ook de SD in handen valt. Achteraf is Zandbergen blij dat hij door de Noord-Hollandse SD wordt opgepakt en niet door die uit Drenthe. In het Westen van het land weten ze niet dat hij in het noorden zwaar wordt gezocht.

Aan de Amstelveenseweg in Amsterdam wordt hij regelmatig verhoord door ‘een nette Nederlander’ die zich niet verlaagt tot intimidatie of marteling. Gevraagd wordt of hij dominee Van Zanten kent. ‘Nee, die ken ik niet’, zegt Zandbergen. ‘Ik ben gereformeerd en het is zeker geen gereformeerde predikant.’ Of hij dan dominee Slomp kent, waarvan men weet dat die verzetspreken houdt. ‘Er spricht immer vom Teufel’, wordt er door de SD gezegt. ‘Ja, die ken ik wel. Hij was een klant van mij toen hij nog in Nieuwlande stond. Maar denkt men nu heus, dat zo’n ‘boertje’ de leiding van een verzetsorganisatie op zich zou nemen?’

Zandbergen ziet kans om een briefje naar buiten gesmokkeld te krijgen aan zijn vrouw met de tekst: ‘Laat Frits oppassen met de kou en niet naar buiten komen en laat de kinderen niet uit logeren gaan bij dr. Magerman in Utrecht.’ Zijn vrouw begrijpt aanvankelijk de cryptische tekst niet. De naam Frits doet haar vermoeden dat het een waarschuwing is voor Frits Slomp. Als deze de boodschap onder ogen krijgt, weet hij dat de SD hem zoekt en dat Utrecht als vergaderplaats niet meer veilig is.

Zandbergen slaagt erin, ondanks de druk die op hem wordt uitgeoefend, om bij de verhoren niets wezenlijks los te laten over zijn activiteiten. Na zes weken wordt hij als politiek gevangene opgesloten in Vught. Daar moet hij stenen bikken en straten aanleggen, die later weer worden opgebroken om de gevangenen aan het werk te houden. Ook werkt hij in een Philips-commando aan het in elkaar zetten van scheerapparaten, waardoor bij de Duitsers extra voeding kon worden bedongen.

Concentratiekamp Dachau[bewerken]

In mei 1944 wordt Arnold Zandbergen op transport gesteld naar het Duitse concentratiekamp Dachau. De reis in de oncomfortabele trein duurt plm 24 uur, waarna hij drie weken in quarantaine moet verblijven. Voortaan is hij Schutzhäftling A.R. Zandbergen, Nr 8349 Block 18. Zijn gezin weet niets van deze verandering. Ze krijgen bericht van het Rode Kruis dat het ‘niet is toegestaan inlichtingen te verstrekken. Waarschijnlijk getransporteerd naar Duitsland.’

Met drie man moeten ze slapen in een krib van twee personen, die vergeven is van de luizen. Vaak worden ze ’s nachts uit hun kribben gejaagd om daarna uren te lopen naar de BMW-fabriek in München voor het in elkaar zetten van onderdelen. Tijdens het werk moeten ze herhaaldelijk de fabriek uit en de schuilkelders in vanwege bombardementen.

Een keer per maand mag hij naar huis schrijven en twee keer per maand brieven ontvangen. Deze zijn (rechtstreeks) zeer lang onderweg of komen niet aan. Roelof Hartman, die een textielzaak heeft op Kerkstraat nummer 12 en werkt in het Duitse Wilsum, biedt aan om brieven en pakjes mee te nemen naar Duitsland om die vanuit Wilsum te posten naar Dachau. Mede daardoor heeft Zandbergen min of meer geregeld contact met het thuisfront. Zo verneemt hij ook, dat de winkel door de Duitsers is gevorderd. ‘Als het voor een goed doel is moet die er ook maar aan geloven’, schrijft hij in een brief vanuit het concentratiekamp. Als in de eerste oorlogsjaren Roelof Hartman in Duitsland gaat werken, is Zandbergen ontzettend boos op hem. Hoe kan hij als principieel man op die manier de vijand steunen? Later begrijpt Zandbergen dat Hartman hierdoor heel veel mensen heeft kunnen helpen.

Bevrijd[bewerken]

Aan het eind van de oorlog wordt het regiem in kamp Dachau langzaam soepeler. Op 30 april 1945 wordt het kamp door de Amerikanen bevrijd. Enkele dagen later krijgt het gezin Zandbergen het bericht: ‘Maandagavond om half elf is voor de Belgische zender mededeling gedaan dat Arnold Roodhart Zandbergen van de Kerkstraat te Hoogeveen uit Dachau is bevrijd’.

Vermagerd, maar in goede conditie komt Arnold Zandbergen op 16 of 17 mei weer thuis. Het verwerken van de ervaringen en ontberingen in het kamp, het zogenaamde kampsyndroom, komt pas veel later. Zijn broer Gerrit die in het kamp Natzweiler heeft gezeten, sterft kort na de bevrijding in Maastricht.

Na de oorlog vertelt hij over zijn ervaringen in toespraken voor verenigingen. Hij citeert daarbij onder meer uit Psalm 66: het gaan door water en vuur. De opbrengst van deze avonden gaat naar de Stichting 1940-1945. Hij draagt daarbij het volgende gedicht voor, dat hij daags na zijn bevrijding heeft gemaakt:

Géén dag of vier, maar wel vijf lange jaren,
Trotseerde Nederland het moordend vuur.
Van de SS en de SD-barbaren;
‘De brengers ener nieuwe cultuur’.

Wel moest men noodgedwongen bukken,
Voor militaire overmacht.
Maar ons te breken mocht niet lukken,
De weerstand hield tot het laatst haar kracht.

Het vuur van peloton doorboorde,
Zo menig trouw-goud vriendenhart.
De stem en kracht van ons versmoorde,
In Concentratie-Lager smart.

Veel wat niet jong meer was noch sterk,
Moest hier al spoedig sneven.
De rest behield bij ’t slavenwerk,
Een kans te blijven leven.

De honden liet men op ons jagen.
Met vodden werd ons lijf gesierd.
Ons hong’rig lichaam moe van plagen,
Kroop ’s nachts in ’t nest vol ongediert.

Wij zijn geschopt, geslagen en gebeten,
Gesard, vervloekt, we leefden in een nacht.
Gevoelden ons van God en mens vergeten,
Zodat de dood voor velen uitkomst bracht.

En toch, Goddank, Hij heeft ons niet begeven.
Wij riepen Hem, ook hier, niet vruchtloos aan.
Had Hij ons in dien nood geen kracht gegeven,
Wij waren tot de laatste toe vergaan.

Hoera, de vrijheid is gekomen.
In plaats van ‘aufgehts’ horen wij ‘all-right’.
Het duivels hakenkruis wordt van de mast genomen,
Zie hoe alom de vrije vlag weer waait.

Wij zien het, ja, maar kunnen het niet vatten.
De nood is weg, de voedselstroom neemt toe.
De spanning breekt, maar nu bij al die schatten,
Juist nu, gevoelen wij ons onuitsprekelijk moe.

Wat nu geschiedt kan ons niet veel meer hind’ren.
Eén wens vervult eens ieders hart en mond,
Wij willen terug naar ouders, vrouw en kinderen.
Wij willen terug naar vaderlandse grond.

Na de Tweede Wereldoorlog[bewerken]

Na terugkeer in Hoogeveen nam hij zijn werkzaamheden van voor de oorlog weer op. Hij bouwde zijn meubelzaak verder uit en bleef kerkelijk en politiek actief. Zo was hij 12 jaar wethouder voor de ARP.

Externe links[bewerken]