Arrest Baris/Riezenkamp
| Baris / Riezenkamp | ||
| Datum | 15 november 1957 | |
| Instantie | Hoge Raad | |
| Rechters | Donner, Smits, Boltjes, de Jong, Hülsmann | |
| Adv-gen | s'Jacob | |
| Soort zaak | civiel | |
| Procedure | cassatie | |
| Wetgeving | 1358, 1485, 1490 BW (oud) | |
| Nieuw BW | 6:228 BW | |
| Onderwerp | precontractuele fase, onderzoeksplicht ivm. dwaling | |
| Vindplaats | NJ 1958, 67 (noot LEHR); LJN AG2023 | |
Baris/Riezenkamp is een belangrijk arrest van de Nederlandse Hoge Raad (HR 15-11-1957, NJ 1958, 67)[1] dat als uitgangspunt heeft gediend voor de verdere ontwikkeling van twee belangrijke leerstukken in het overeenkomstenrecht, nl. (1) de precontractuele fase en (2) dwaling als rechtsgrond voor de vernietigbaarheid van een overeenkomst.
Inhoud |
Feitelijke toedracht [bewerken]
Riezenkamp wil een bedrijf voor de fabricage van bromfietsmotoren beginnen en koopt van Baris voor ƒ 110.000 een partij onderdelen, materialen en gereedschappen waarmee hij bromfietsmotoren zou kunnen maken. In tweede instantie weigert hij echter het geld te betalen en de goederen af te nemen. Baris eist de ontbinding van de overeenkomst met de bijbehorende schadevergoeding. Riezenkamp beroept zich (in hoger beroep) op dwaling als grond voor vernietiging van de overeenkomst. Baris had hem namelijk ten tijde van de onderhandelingen verteld dat de fabricagekosten van een bromfietsmotor 135 gulden zouden zijn, terwijl dit in werkelijkheid (tenminste) 230 gulden blijkt te zijn.
Rechtsvraag [bewerken]
Is een beroep op dwaling gerechtvaardigd?
Procesgang [bewerken]
De rechtbank heeft de vordering van Baris toegewezen. Dit vonnis is in hoger beroep door het hof vernietigd en de vordering van Baris afgewezen. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van Baris verworpen. Dus Riezenkamp is in het gelijk gesteld.
Rechtbank en hof [bewerken]
Bij de rechtbank had Riezenkamp als verweer dat de koop onder voorwaarde zou zijn gesloten. Dat verweer is niet gehonoreerd. Bij het hof had Riezenkamp tevens als verweer: wanprestatie, bedrog en dwaling in de zelfstandigheid van de zaak. In het vervolg is alleen het beroep op dwaling van belang. De rest is met weinig woorden door het hof van tafel geveegd.
Riezenkamp beroept zich op dwaling omdat Baris een te laag bedrag genoemd heeft als kostprijs van de hulpmotor. Baris stelt dat, omdat Riezenkamp zelf niet voldoende onderzoek heeft gedaan naar de kostprijs, de dwaling niet verschoonbaar is, dat wil zeggen: aan Riezenkamp te verwijten in de zin van het huidige artikel 6:228 lid 2 BW.
Hoge Raad [bewerken]
De Hoge Raad oordeelt dat de wet niet expliciet vereist dat voor een geslaagd beroep op dwaling moet komen vast te staan dat de dwaling verschoonbaar is. Toch brengen redelijkheid en billijkheid mee dat partijen die met elkaar onderhandelen ook rekening moeten houden met de belangen van de tegenpartij (het causabeginsel). Daarom berust er in beginsel op beide partijen een zekere onderzoeksplicht:
In het onderhavige geval werd genoemde onderzoeksplicht echter begrensd door de mededelingen die van de kant van Baris gedaan waren en waarop Riezenkamp mocht vertrouwen. Derhalve heeft Riezenkamp verschoonbaar gedwaald. Verder stelt de Hoge Raad vast dat een dergelijk beroep op dwaling ook als verweer tegen een vordering van de wederpartij kan gelden.
Zie ook [bewerken]
- (1966) Booy/Wisman
| Bronnen, noten en/of referenties |