Ars antiqua

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Onder ars antiqua (letterlijk in het Latijn: de oude kunst) wordt doorgaans de allervroegste periode van genoteerde muziek verstaan, tussen circa 1150 en 1320. In deze stijlperiode ontwikkelt de muziek zich tot een steeds vrijer wordende polyfonie. Aanvankelijk nog sterk op het Gregoriaans georiënteerd, waarbij deze oude melodieën als het ware ‘opgerekt’ werden tot een veelvoud van hun normale duur, werd deze Gregoriaanse tenor geleidelijk aan ook weggelaten. Zo ontstonden onder andere de vroegste conductus partituren van de hand van Leoninus en Perotinus, de twee oudste bij naam bekende componisten van polyfone muziek uit de Notre-Dame School te Parijs. De ars antiqua kende een metrische notatie, waardoor de composities stuk voor stuk volgens een vast ritmisch patroon verliepen. Deze 'modale' ritmiek, die gebaseerd is op de klassieke versvoeten, is typerend voor de muziek van de ars antiqua.

Vanaf ca. 1320 spreken we niet meer van ars antiqua, maar van ars nova, nieuwe kunst.