Assyrische genocide

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nuvola single chevron right.svg Aangeraden wordt eerst het artikel over de Armeense genocide te lezen.
Amerikaans krantenbericht over massamoorden op Assyriërs/Arameeërs van 22 september 1915.

De Assyrische genocide (Syrisch: ܩܛܠܥܡܐ ܣܘܪܝܝܐ\ܐܬܘܪܝܐ of ܣܝܦܐ (Seyfo), Turks: Süryani Soykırımı) was een volkerenmoord gepleegd op de Assyriërs/Arameeërs in het Ottomaanse Rijk tijdens de Eerste Wereldoorlog en onder leiding van de beweging der Jonge Turken. Volgens ooggetuigen, waaronder Duitse officieren en neutrale diplomaten, en nieuwsrapportages in de media werden honderdduizenden Assyriërs die in het noorden van Mesopotamië (het huidige zuidoosten van Turkije en noordwesten van Iran) leefden, in de periode 1915-1920 met geweld gedeporteerd, uitgehongerd en vermoord.

De volkerenmoord op de Assyriërs is door bijna geen enkele staat of volksvertegenwoordiging officieel erkend. Pas in maart 2010 haalde een resolutie hierover het Zweedse parlement, met één stem verschil en tegen de zin van de zittende regering. Het gebrek aan erkenning staat in schrille tegenstelling tot de Armeense genocide, die wel door een aantal landen en internationale organisaties is erkend. De Assyrische genocide wordt wel door genocide-wetenschappers, historici en eveneens een klein aantal politici, uit met name Nederland, Frankrijk en de Verenigde Staten, erkend.

Redenen voor de genocide[bewerken]

De Armeniërs en de Grieken zeggen dat zij als christelijke gemeenschap van Anatolië en Klein Azië het probleem waren dat leidde tot de gedwongen verhuizingen en barbaarse uitvoeringen. De semitischtalige Assyriërs werden zelfs vaak in een onderafdeling van de Armeniërs geplaatst.

De Ottomaanse overheid, onder sterkere invloed van de seculier-nationalistische Jonge Turken, beweerde dat de Arameeërs en de Armeniërs naar een autonomie binnen het Ottomaanse Rijk streefden en met het binnenvallende Russische keizerlijke leger in het oosten zouden collaboreren. De Ottomaanse overheid zag - wederom onder invloed van het extreme seculiere nationalisme van de Jonge Turken - de Aramese en de Armeense gemeenschap als bedreiging voor de staat en de Turkse natie; aldus deporteerde de Ottomaanse overheid deze bevolkingsgroepen systematisch naar onder meer de Syrische woestijnen. Tijdens de deportaties (“Dodenmars”) waren er veel sterfgevallen door systematische verhongering en dehydratie. Bij massa-executies en bestraffing ten gevolge van vluchtpogingen viel ook een groot deel van de dodelijke slachtoffers.

De Assyro-Chaldean National Council verklaarde op 4 december 1922 dat ongeveer 275.000 "Assyro-Chaldeans" omkwamen tussen 1914 en 1918.

Politieke situatie voor de Eerste Wereldoorlog[bewerken]

Het Ottomaanse Rijk nam deel aan de Eerste Wereldoorlog vanaf 29 oktober 1914. Voor de oorlog leefde ongeveer de helft van de Assyrische populatie in wat vandaag zuidelijk Turkije is, onder andere in Tur Abdin. De Jonge Turken namen de feitelijke controle over van het Ottomaanse Rijk, slechts vijf jaar vóór het begin van de Eerste Wereldoorlog. De Ottomanen waren van plan zich bij de Centrale Mogendheden aan te sluiten. Zowel de islamitische conservatieve royalisten als de seculiere Jonge Turken steunden dit voornemen. In 1914, van mening dat een oorlog op komst was, stelde de Ottomaanse overheid een wet op om alle jonge mannen onder te brengen in het Ottomaanse leger. De Assyriërs in wat nu grondgebied van de Republiek Turkije is, leefden in de provincies Hakkari, Sirnak en Mardin. Deze gebieden hadden ook een relatief grote Koerdische minderheid.

Gedocumenteerde aantallen van de slachtingen[bewerken]

In april 1915 vielen de Ottomaanse troepen gemakkelijk Gawar, een gebied van Hakkari, binnen en slachtten de volledige bevolking af. Voorafgaand hieraan, in oktober 1914, werden 71 mensen in Gawar gearresteerd en meegenomen naar het lokale regeringscentrum in Bashkalla waar ze vermoord werden. Ook in april omringden Koerdische troepen het dorp van Tel Mozilt en namen 475 mensen (onder hen Gabrial, de beroemde roodgebaarde priester) gevangen. De volgende ochtend werden de gevangenen in rijen van vier naast elkaar neergeschoten. Discussies ontstonden tussen de Turken en de Ottomaanse officieren over wat er gedaan moest worden met de vrouwen die achterbleven. Uiteindelijk besliste het leger ze ook te doden.

Slachtingen in Perzische dorpen (Iran)[bewerken]

De Ottomanen werden op de hoogte gebracht van de terugtrekking van de Russische strijdkrachten in Perzië eind 1914. De 36ste en 37ste Onderdelen van het Ottomaanse leger werden naar het noordwestelijke deel van Perzië gestuurd. Voor het eind van 1914 vielen de Turkse troepen en hun Koerdische hulptroepen met succes de dorpen rond Urmaya binnen. Op 21 februari 1915 gijzelde het Turkse leger in Urmia 61 belangrijke Assyriërs van de Franse missieposten, aan wie ze grote losgelden eisten. De missie bracht genoeg geld op om de Ottomanen te overtuigen 20 van de mensen te laten gaan. Op 22 februari werden de overige 41 geëxecuteerd en werden hun hoofden bij de trappen van de Charbachshpoort afgesneden. Onder hen was de bisschop Mar Denkha.

Deze dorpen, in tegenstelling tot de Assyrische dorpen van huidig Turkije, waren volledig onbewapend. De enige soort bescherming die zij hebben gehad, was toen het Russische leger definitief controle van het gebied op zich nam. Op 25 februari 1915 stormden de Ottomaanse troepen de dorpen Gulpashan en Salamas binnen. Bijna alle mannen van het dorp Gulpashan werden doodgeschoten. In Salamas zijn ongeveer 750 Armeense en Assyrische vluchtelingen beschermd door de Turkse en Arabische burgers van het dorp. De bevelhebber van de Ottomaanse afdeling stormde de huizen in, ondanks dat het dorp ook Arabieren en Turken bevatte, en riep alle mensen samen en dwong hen te marcheren naar de gebieden tussen Khusrawa en Haftevan. Ze werden doodgeschoten of afgeslacht. De bescherming van christenen door individuele Turkse burgers en door de islamitische Arabische minderheid, onder wie imams, wordt ook bevestigd in een Brits rapport dat dateert uit 1915 (Bryce, James Lord - British Government Report on the Armenian Massacres of April-December 1915).

Veel van de vromere moslims probeerden hun christelijke buren te redden en boden hun een schuilplaats in hun huizen aan, maar de Turkse overheid van de uiterst seculiere Jonge Turken was onverbiddelijk en gaf geen gehoor aan pleidooien van imams. Tijdens de winter van 1915 stierven 4000 Assyriërs aan ziekte, honger en blootstelling en ongeveer 1000 werden gedood in de dorpen van Urmia.

Rapporten uit de Verenigde Staten en Europa[bewerken]

De redacteur V. Rockwell van The New York Times publiceerde een artikel in 1916, met de titel “The Number of Armenian and Assyrian Victims”. In het artikel verklaarde hij:

Not only the Armenians are unfortunate: the Assyrians were also wiped out and each tenth was murdered. [...] A lot of Assyrians perished but no one knows how many exactly.... within six months the Young Turks managed to do what the "Old Turks" were not able to do during six centuries. [...] Thousands of Assyrians vanished from the face of the earth.

In November 1919 schreef periodiek Frans Asia: The Assyrian massacres resembled the Armenian slaughters. And as about this nation, which had 250 thousand victims, has been spoken much less, it is necessary to inform the world about it.

Verslagen van ooggetuigen en citaten[bewerken]

Monument ter gedachtenis aan de volkenmoord op de Assyriërs onder het Ottomaanse Rijk te Parijs, 2006.

Verklaring van Duitse missionarissen in Urmia[bewerken]

Er was absoluut geen menselijke bevoegdheid om deze ongelukkige mensen tegen de primitieve aanval van de binnenvallende vijandige krachten te beschermen. Het was een vreselijke situatie. Bij middernacht begon de vreselijke uittocht; 25.000 mannen, vrouwen en kinderen, Assyriërs en Armeniërs, verlaten al hun vee in de stallen, al hun huishoudelijke spullen en de voorraad voedsel voor de winter, haastig en paniekerig op een lange en pijnlijke reis aan de Russische grens zonder enige soort van voorbereiding. Het was een vreselijk zicht … veel van de oude mensen en kinderen stierven langs de weg. (The Death of a Nation, pp. 119-120)

Het laatste nieuws is dat 4.000 Assyriërs en honderd Armeniërs zijn gestorven aan ziekte binnen de laatste vijf maanden. Alle dorpen in het omringende district met twee of drie uitzonderingen zijn geplunderd en verbrand. Twintig duizend christenen zijn geslacht in Armenië en omgeving. In Haftewan, een dorp van Salmas, zijn 750 lichamen zonder hoofden in putten en reservoirs teruggevonden. Waarom? Omdat de bevelhebbende ambtenaar een prijs op elk christelijk hoofd had gezet. In Dilman werd de christelijke menigte in gevangenissen geworpen en werden ertoe aangezet om tot de Islam te bekeren. (The Death of a Nation, pp. 126-127)

Assyrische genocide in de kunst[bewerken]

  • De Grieks-Armeense mysticus en componist George Gurdjieff schreef naar aanleiding van zijn ervaringen tijdens zijn vele omzwervingen in het Ottomaanse rijk de compositie Assyrian women mourners, die in 2004 voor het eerst op cd bij het label ECM (1888) verscheen.

Erkenning[bewerken]

De volkerenmoord op de Assyriërs is alleen in Zweden officieel erkend. In het Zweedse parlement werd op 11 maart 2010 een resolutie aangenomen die de genocide, naast die op de Armeniërs en Pontische Grieken, erkent en veroordeelt. De resolutie werd met 131 stemmen voor en 130 stemmen tegen aangenomen en werd door minister van buitenlandse zaken Carl Bildt betreurd, omdat het de relaties met Turkije zou schaden. Dat gebeurde ook: de Turkse ambassadeur werd door Ankara opgedragen Zweden onmiddellijk te verlaten en een gepland bezoek van premier Erdoğan aan Zweden werd geannuleerd.[1] Verder wordt de Assyrische genocide nog door geen enkel land officieel erkend, in tegenstelling tot de Armeense genocide die door vele landen en internationale organisaties is erkend. Assyrische historici verklaren dat de reden hiervoor is dat Assyrië in de 20e eeuw beroofd is van zijn politieke macht. Bovendien is de slachting van alle christenen in Klein-Azië vooral getekend door de controverse over de Armeense genocide.

De enige overheden die de Assyriërs hebben toegestaan een monument te bouwen om de genocide te herdenken, zijn Frankrijk, Zweden en de Verenigde Staten. De overheid van Zweden heeft beloofd alle kosten te betalen voor een toekomstig monument, na sterk gelobby door de grote Assyrische gemeenschap in Zweden geleid door Konstantin Sabo. In de Verenigde Staten zijn twee monumenten opgericht: één in Chicago en één in Tarzana (Californië). In Frankrijk staat er een herdenkingsmonument in Sarcelles, nabij Parijs.

Literatuur[bewerken]

  • Gabriele Yonan: Ein vergessener Holokaust. Die Vernichtung der christlichen Assyrer in der Türkei, Pogrom-Taschenbücher Bd. 1018, Reihe bedrohte Völker, Göttingen und Wien 1989, ISBN 3-922197-25-6
  • David Gaunt: Massacres, Resistance, Protectors: Muslim-Christian Relations in Eastern Anatolia during World War I, Gorgias Press LLC, 2006, ISBN 1-59333-301-3
  • ^ The Death of a Nation, pp. 119-120
  • ^ The Death of a Nation, pp. 126-127
  • ^ New York State Governor Proclamation (April 1 2001). Retrieved on 2006-06-16.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. (en) Swedish Parliament Recognizes Assyrian Genocide. Seyfo Center, 11 maart 2010