Atjehoorlog

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken

De Atjehoorlog was een koloniale oorlog die het Koninkrijk der Nederlanden voerde met het doel Atjeh toe te voegen aan Nederlands-Indië.

Een veroverd fort in Atjeh, 1904. Van Daalen staat bovenaan links.
Een veroverd fort in Atjeh, 1904. Van Daalen staat bovenaan links.

Inhoud

[bewerk] Het begin van de oorlog in de context van de negentiende eeuw

De negentiende eeuw kenmerkte zich onder meer door het opkomend kapitalisme, de industrialisatie en het kolonialisme. Bovenstaande ontwikkelingen leidden tot een grotere activiteit van de Nederlanders 'overzee'. Nederland heeft diverse koloniale oorlogen uitgevochten, vooral in Nederlands-Indië. Een van de meest langdurige oorlogen werd in Atjeh, op het eiland Sumatra uitgevochten.

De Nederlandse 'bezittingen' in den vreemde, geërfd van de failliete VOC en de WIC, tijdens de periode-Napoleon veelal beheerd door het Verenigd Koninkrijk, werden na de val van Napoleon en de vorming van het Koninkrijk der Nederlanden grotendeels aan Nederland teruggegeven, met uitzondering van Zuid-Afrika en Ceylon.

Ook Indië kwam dus weer onder Nederlandse controle. De koloniale politiek werd nu ook geen privézaak meer zoals ten tijde van de VOC en de WIC, maar een staatsaangelegenheid, een ontwikkeling die men ook in andere West-Europese landen kon zien. In de loop van de negentiende eeuw werden Afrika en het Verre Oosten langzaam, maar zeker verdeeld onder de koloniale machten. Nederland van zijn kant vestigde zijn gezag steeds steviger in Nederlands-Indië. Het koloniale beleid werd er nu ook op gericht dat kolonies winstgevend moesten zijn. Het directe gevolg hiervan was het cultuurstelsel. Er speelden in de koloniën dus grote financiële belangen.

Daarnaast zag men de ontwikkeling dat de verspreide 'bezittingen' gegroepeerd werden en onder centrale controle werden gebracht. Atjeh, een onafhankelijk sultanaat op de Noordwestelijke punt van Sumatra, was een van de laatste witte vlekken op de koloniale kaart.

[bewerk] De eerste expeditie

In 1871 werd tussen het Verenigd Koninkrijk en Nederland een nieuw Sumatraverdrag gesloten, dat Nederland de vrije hand gaf in Atjeh. Afgezien van het prestige was Atjeh rijk aan landbouwgrond, waar pepers werden verbouwd, en mogelijkerwijs heeft de aanwezigheid van aardolie ook de nodige aandacht getrokken. Doordat Atjeh daarnaast de Straat Malakka beheerste en doordat de rol daarvan door de opening van het Suezkanaal steeds belangrijker was geworden, was er ook een strategische reden om zich met Atjeh te bemoeien: de Atjehers maakten zich veelvuldig schuldig aan zeeroof.

Met weinig kennis van lokale zaken werd in 1873 een militaire expeditie opgezet om Atjeh tot een traktaat te bewegen door middel van een blokkade van zijn kust en strategische onderhandelingen (door regeringscommissaris F.N. Nieuwenhuijzen). Men hoopte dat de aanwezigheid van enige oorlogsschepen in de haven van de hoofdstad van Atjeh voldoende was om iedere weerstand te breken, waarna met de aanwezige infanterie het land kon worden bezet. Het aantal schepen (vier) was echter te klein om de gehele noordkust van Sumatra effectief te kunnen blokkeren.

Op 26 maart 1873 stuurde Nieuwenhuijzen, mede namens gouverneur-generaal James Loudon, een oorlogsmanifest gericht aan de Sultan van Atjeh, van wie men vermoedde dat hij de macht in het land had. Op het Nederlandse ultimatum kwam niet de gewenste reactie. In maart 1873 werd een strafexpeditie onder generaal-majoor J.H. Köhler uitgestuurd met als doel de tuchtiging van Atjeh om daarna een traktaat te kunnen sluiten. De expeditie werd versneld naar Atjeh gestuurd omdat er geruchten gingen dat de Sultan van Atjeh in onderhandeling was, mogelijk met Italië en de Verenigde Staten, om zijn neutraliteit te behouden.

Deze eerste Nederlandse inval (zie verder: Eerste Atjehoorlog) liep uit op een vervroegde terugkeer der troepen. De Atjeeërs weerden zich te sterk. Köhler zelf werd bij de (later zo genoemde) 'Köhler-boom' dodelijk getroffen door een kogel. Hierop keerde de expeditie voortijdig terug naar Batavia, waarop een enquête volgde naar de reden van de mislukking. Volgens Van Swieten was dat de gebrekkige leiding van de expeditie, volgens anderen, waaronder kapitein der artillerie George Frederik Willem Borel, lag de oorzaak in de onbekendheid van de expeditie met de volhardendheid der Atjeeërs en in de onbekendheid met het terrein.

[bewerk] De tweede expeditie

Een tweede expeditie (zie: Tweede Atjehoorlog) onder leiding van Jan van Swieten, die eind 1873 begon, slaagde erin de kraton (sultanspaleis) te veroveren, maar de sultan wist te ontsnappen. Atjeh werd door generaal Van Swieten op papier geannexeerd; in feite was er van een onderwerping van de bevolking dus geen sprake.

[bewerk] Uitwerking van de tweede expeditie

Na de tweede expeditie volgde een periode (tot 1879) waarop men de "vredelievende" politiek van generaal Van Swieten bleef volgen. De Atjehers bleven echter zeer vijandig gestemd, er waren legio overvallen en het land was buitengewoon onveilig voor zowel soldaten als reizigers. Pas toen Karel van der Heijden zijn offensieve strategie ging toepassen, gingen veel Atjese groepen tot onderwerping over.

[bewerk] De periode Pruijs van der Hoeven

Op 13 oktober 1880 werd de oorlog als beëindigd verklaard (onder generaal Karel van der Heijden), en werd besloten tot invoering van het zogenaamde concentratiestelsel onder leiding van de civiele gouverneur Pruijs van der Hoeven. Het Nederlandse leger verschool zich in zestien forten ('bentengs') die onderling werden verbonden door een tramlijn. Dit stelsel werd tot 1893 gebruikt. Deze spoorlijn is altijd een geliefd doelwit gebleven van de Atjehse guerrilla. Onder het bewind van Pruijs van der Hoeven liepen de zaken wederom uit de hand en werd hij gedwongen af te treden. Hij wilde de militaire invloed tot een minimum terugdringen, stelde politieagenten in om de vrede te bewaren en zocht toenadering met de bevolking (die daar niet op gesteld was). Het aantal overvallingen en moordpartijen op Nederlanders nam weer toe.

[bewerk] De Nisero-kwestie

In 1883 begon de openlijke oorlog opnieuw, nadat het Britse schip Nisero strandde op Atjeh, in een gebied buiten de Nederlandse controlezônes. Een lokale leider gijzelde de bemanning, en vroeg aan zowel de Britse als de Nederlandse regering om losgeld. Nederland moest toegeven dat Atjeh nog niet onder controle was, tamelijk vernederend, waarop een gezamenlijke Brits/Nederlandse expeditie werd georganiseerd. Een rivaliserende lokale leider, Teukoe Oemar, werd om steun gevraagd, maar deze weigerde. Uiteindelijk beval de Sultan van Atjeh vrijlating van de gegijzelden, waarvoor hij veel geld van de Britten ontving. Dit ging direct naar zijn leger.

Geconfronteerd met een opnieuw bewapend leger, moest Nederland wel openlijk de strijd aangaan, hoewel volgens de officiële lijn het hier slechts om politionele acties ging, en niet om militaire. Atjeh was immers formeel al geannexeerd. Teukoe Oemar en andere lokale leiders werden omgekocht met opium en geld, en ze ontvingen wapens in ruil voor toezegging van steun aan Nederland. Oemar verkreeg de titel panglima prang besar (opperste strijdheer van de regering) van Batavia, en nam een Nederlandse naam aan: hij noemde zichzelf nu Teuku Djohan Pahlawan (Johan de dappere). Op 1 januari 1894 verkreeg Oemar officieel toestemming een leger op te zetten. Twee jaar later echter viel Oemar de Nederlanders aan, nadat hij zich weer aan de Atjehse zijde had geschaard. Dit werd in Nederland bekend als Het Verraad van Teukoe Oemar, waarbij erg veel Nederlandse militairen omkwamen in een waar bloedbad.

[bewerk] Generaal Van Heutsz

De periode daarna werd gedomineerd door majoor Van Heutsz en de onderzoeker Christiaan Snouck Hurgronje die een diepgravende studie gemaakt had van Atjeh. Snouck Hurgronje was een arabist die groot aanzien genoot in Atjeh, mede door het feit dat hij moslim was (althans daar gaf hij zich voor uit) en een pelgrimstocht naar Mekka had gemaakt, wat zijn aanzien verder vergrootte.

Snoucks rol is tot op de dag van vandaag onduidelijk, maar gelet op het feit dat een deel van zijn onderzoek gedurende lange tijd staatsgeheim was, mag men toch wel aannemen dat Snouck Hurgronje een uiterst effectief spion was. Snouck Hurgronje kwam tot de conclusie dat er drie soorten machthebbers waren in de Atjehse maatschappij: de Sultans, de landheren (oeleëebalang)en de religieuze leiders (oelamas).

Snouk Hurgronje adviseerde om grof geweld te gebruiken tegen de oelamas. De macht van de sultan stelde eigenlijk niets voor en de landadel (zoals Teukoe Oemar) diende middels omkoping of chantage aan Nederlandse kant gehaald te worden. Snouck Hurgronje zag echter over het hoofd dat het nationalisme inmiddels vaste voet in Atjeh had gekregen en dat de verdeel- en heers politiek op den duur niet meer zou werken.

In militaire en politieke kringen begon er al een polemiek te ontstaan hoe nu verder te gaan met Atjeh. Een van de schrijvers was kapitein Van Heutsz, die gesteund door Snouck de harde lijn voorstond. Politiek kreeg Van Heutsz steeds meer bijval met als gevolg dat hij de militaire leiding kreeg in Atjeh.

Van Heutsz ontwikkelde de zogenaamde marechaussee-tactiek verder; oorlogsvoering met kleine goed bewapende mobiele eenheden van voornamelijk Mendanonese en later Ambonese en Javaanse soldaten onder leiding van Europese officieren. Hierbij zij aangetekend dat dit idee afkomstig was van een Atjeher.

Van Heutsz' luitenant was overigens de latere minister-president Hendrikus Colijn

De terreur die werd uitgeoefend waarbij vele dorpen genadeloos werden uitgemoord, werd in sommige gevallen vastgelegd op foto. Overste Van Daalen paste het geweld strikt toe: hij vernietigde meerdere dorpen, met zeker 2.900 Atjehse doden als gevolg (waaronder 1.150 vrouwen en kinderen). Van Daalen verloor slechts 26 man. Hierbij zij aangetekend dat de politiek geenszins onomstreden was. Nadat nieuws over de moordpartijen van Van Daalen bekend werden in Nederland werden er publiekelijk vragen gesteld. Om dit te sussen werd Van Daalen ontslagen, maar hij werd niet aangeklaagd. Hij had overigens, dit moet ook ten gunste van van Van Daalen gezegd worden, zelf toestemming voor eerder genoemde foto's gegeven.

In 1903 verklaarde Van Heutsz, die in 1898 gouverneur van Atjeh was geworden, dat de oorlog was gewonnen. Aanleiding was de plechtige overgave van sultan Mohammed Daoed aan Van Heutsz, met op de achtergrond een bijna levensgroot staatsieportret van Koningin Wilhelmina. Maar de militaire acties tegen de Atjehse strijders gingen daarna nog jaren door en de bevolking werd hierbij niet gespaard, zoals in 1904 tijdens de campagne onder overste Van Daalen (zie boven).

[bewerk] De periode na Van Heutsz

In de daaropvolgende jaren werden de resterende guerrillabenden één voor één uitgeschakeld, de laatste in 1914. Daarmee leek het verzet gebroken en dat jaar werd daarom wel beschouwd als het feitelijke einde van de Atjeh-oorlog. Maar helemaal rustig werd het niet in Atjeh. Van tijd tot tijd flakkerde het vuur van het verzet weer op. Europeanen werden het doelwit van moordaanslagen en in de jaren '20 en '30 kwam het tot lokale opstanden van flinke omvang. Toen in 1942 de Japanse landing voor de deur stond kwamen de Atjehers in opstand en werden de Nederlanders - deze keer voorgoed - uit Atjeh verdreven. De Atjehers stellen dat zij zich nooit hebben overgegeven, en houden het einde van de oorlog met Nederland op 1942.

In totaal vielen in Atjeh naar een schatting van Van 't Veer, meer dan 100.000 doden en een half miljoen gewonden. Aan Nederlandse kant sneuvelden circa 2.000 Europese en inheemse militairen en bezweken er nog eens ruim 10.000 aan ziekten als cholera, tyfus en beri-beri. Van de inheemse dwangarbeiders kwamen er naar schatting 25.000 om. Het aantal doden onder de Atjehers bedroeg 60 à 70.000, inclusief vrouwen en kinderen. Hierbij zij aangetekend dat Atjeh slechts een half miljoen inwoners telde. Het land zelf werd verwoest, van de landbouw was weinig overgebleven. Het heeft jaren geduurd voordat de oorlogsschade was hersteld.

[bewerk] Literatuur

  • 1874. Onder redactie van George Kepper, Kapitein der Genie. De Oorlog tusschen Nederland en Atchin. Rotterdam. Nijgh & Van Ditmar.
  • 1886. Mr. S.C.H. Nederburgh (Oud lid van den Raad van Nederlandsch-Indie). Proeve van een Onderzoek der Middelen tot Oplossing van het Atjeh-vraagstuk. Den Haag. Martinus Nijhoff.
  • 1889. J.P. Schoemaker (eerste luitenant der Infanterie bij het N.I. leger). Schetsen van de Atjeh-Oorlog. Den Haag. W.P. van Stockum & Zoon.
  • Het standaardwerk over de Atjeh-oorlog is De Atjeh-oorlog van de Nederlandse journalist Paul van 't Veer. (Amsterdam, Uigeverij De Arbeiderspers, 1969).
  • Van meer officiële aard is De Atjeh-oorlog van E.S. de Klerck (Martinus Nijhoff, 's-Gravenhage, 1912).
  • Een goed overzicht van de internationale verhoudingen van voor de oorlog en het diplomatieke overleg tussen Nederland en Engeland is te vinden in Anthony Reid, The conquest for North-Sumatra, (Oxford University Press, Londen, 1969).
  • Over de Atjeh-oorlog in het collectieve geheugen van Nederland, zie Liesbeth Dolk (red.), Atjeh: de verbeelding van een koloniale oorlog (Amsterdam, Bert Bakker, 2001)
  • NCRV-televisieserie In naam der koningin speelt zich af op Atjeh in 1898 en is gebaseerd op het standaardwerk van Paul van 't Veer en op het boek De Hongertocht van Madelon Szekely-Lulofs (1936). Die televisieserie vormde ook de aanleiding tot het publiceren van het boek Atjeh, Atjeh van Jelte Rep (uitgeverij de Prom, 1996), waarin nakomelingen van Atjehse strijders aan het woord komen.

[bewerk] Externe links

 
Persoonlijke instellingen