Atoomtheorie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De atoomtheorie is de leer die aanneemt dat de materie niet tot in het oneindige deelbaar is, maar dat ze bestaat uit kleine deeltjes die niet verder deelbaar zijn: de atomen.

Reeds in de Oudheid waren er filosofen die in hun beschouwingen over de substantie waaruit alle materie gemaakt is, een niet meer te delen oerstof onderstelden. Leucippus was de eerste Griek wiens atoomleer bekend geworden is. Zij is verder ontwikkeld door zijn leerling Democritus van Abdera en door Epicurus. Werkelijk zijn volgens hen slechts de, met de zintuigen niet waarneembare, ondeelbare atomen en de lege ruimte waarin zij zich bevinden. Deze kleinste deeltjes verschillen van elkaar slechts door hun vorm, grootte en de positie die zij ten opzichte van elkaar innemen. Epicurus kende de atomen bovendien verschillende zwaarten (massa's) toe. Alle materie ontstaat en vergaat door samengaan en uiteengaan van atomen. Dit proces is niet gestuurd of doelgericht, maar puur mechanisch.

Wat begon als een filosofische stroming (het atomisme) werd in de loop van de 19e eeuw in de wetenschappelijke kringen opgenomen als theorie. Nadien volgden talrijke experimenten die aantoonden dat de materie wel degelijk is opgebouwd uit kleine partikels (deeltjes). Het woord atoom, afgeleid van het Griekse atomos (ondeelbaar), voerde men in als benaming voor deze ondeelbare bouwstenen van de materie. Echter, aan het begin van de 20e eeuw werd door verscheidene experimenten met elektromagnetisme en radioactiviteit duidelijk dat een atoom daadwerkelijk was opgebouwd uit nog kleinere (subatomaire) deeltjes (ruwweg waren dit protonen, neutronen en elektronen). Bovendien waren deze subatomaire deeltjes in staat om op zichzelf te bestaan, zoals in neutronensterren. Daarmee kwam een einde aan de theorie die tot dan toe gedurende eeuwen had standgehouden, namelijk dat atomen in wezen ondeelbaar zijn.