Attributie (psychologie)
De attributietheorie maakt deel uit van de sociale psychologie. De Oostenrijkse Amerikaan Fritz Heider was hiervan in 1958 een belangrijke grondlegger. De theorie betreft de wijze waarop mensen het gedrag van zichzelf en van anderen verklaren in termen van oorzaak en gevolg, en hoe dit van invloed is op hun motivatie. In het gewone niet-wetenschappelijke taalgebruik noemt men attribueren in engere zin het gebruik van uitvluchten om handelwijze te rechtvaardigen.
De theorie verdeelt de manier waarop mensen attribueren (dat wil zeggen oorzaken toekennen) in twee typen:
- Van externe attributie is sprake als oorzaken worden gezien als liggend buiten de betrokkene. Wanneer iemand zakt voor een examen dan is de uitspraak “dat komt doordat de verwarming zo hoog stond dat ik me niet kon concentreren” een voorbeeld van externe attributie;
- Van interne attributie is sprake als oorzaken worden gezien als liggend binnen de betrokkene. Wanneer iemand zakt voor een examen dan is de uitspraak “dat komt doordat ik te dom ben voor dit examen” een voorbeeld van interne attributie.
Mensen hebben de neiging om te attribueren op een wijze die prettig is voor het eigen zelfbeeld. Bij prettige gebeurtenissen wordt er meestal intern geattribueerd, terwijl bij vervelende gebeurtenissen meestal extern geattribueerd wordt.
Attributie kan problematisch zijn, als de persoon ermee aan zelfsabotage doet, vanwege (tijdelijke) minderwaardigheidsgevoelens. Vervelende gebeurtenissen worden dan intern in plaats van extern geattribueerd worden en prettige gebeurtenissen extern in plaats van intern.
Psychologische onderzoeken hebben uitgewezen dat mensen vrijwel automatisch attribueren in gedachten en (roddel)gesprekken over anderen en daaraan conclusies verbinden over hun persoonlijkheid.