August Borms

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

August Borms (Sint-Niklaas, 14 april 1878Etterbeek, 12 april 1946) was een Vlaams-nationalistisch voorman. Hij is een controversieel persoon in de geschiedenis van de Vlaamse Beweging vanwege zijn collaboratie met de Duitse bezetters tijdens de Eerste Wereldoorlog en Tweede Wereldoorlog.

Activisme[bewerken]

In 1901 promoveerde Borms aan de Katholieke Universiteit Leuven in de Germaanse filologie bij Lodewijk Scharpé en werd leraar in het secundair onderwijs. In 1903 trok hij voor enkele jaren naar Peru als lid van een Belgische commissie die belast was met de verbetering van het onderwijs. Hij werd er getroffen door de minachting die de indianentalen te beurt viel. Terug in Vlaanderen zette hij zich in voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit en raakte betrokken bij de Vlaamse Beweging in Frans-Vlaanderen, waar hij in 1912 propagandatochten organiseerde.

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog was Borms aanvankelijk pro-Belgisch en anti-Duits. Maar toen hij vernam dat Vlaamse soldaten aan het IJzerfront door Nederlandsonkundige officieren "tot in der dood vernederd" werden, werd hij activistisch militant. Hij werd in 1917 lid van de Raad van Vlaanderen. Deze Raad onderhandelde met de bezetter over het statuut van Vlaanderen, maar viel uiteen na interne twisten tussen separatisten en federalisten.

Veroordeling[bewerken]

Na de oorlog startte de Belgische overheid een onderzoek naar de activiteiten van de activisten. Ook Borms stond op de verdachtenlijst en werd op 8 februari 1919 gearresteerd. Hij had de kans gehad om naar Nederland te vluchten maar deed dit niet om principiële redenen. Op zijn proces luidde de beschuldiging van het Openbaar Ministerie “Een aanslag gepleegd te hebben welke tot doel had de regeringsvorm of de orde der troonopvolging omver te werpen of te veranderen, ofwel de burgers of inwoners in de wapenen te brengen tegen het koninklijk gezag, de wetgevende kamers of een dezer.” Op 6 september 1919 veroordeelde het Brusselse assisenhof Borms tot de doodstraf.

Markant in het verhaal is dat het Vaticaan zich in de zaak gemengd heeft. Wellicht hebben naar Duitsland uitgeweken activisten de nuntius van München, Eugenio Pacelli, ingelicht en om een genadeverzoek verzocht jegens de diepgelovige Borms. Pacelli informeerde paus Benedictus XV en diens secretaris nam contact op met graaf Joseph d’Ursel, de vertegenwoordiger van de Heilige Stoel in België. Het verzoek om clementie belandde bij de liberaal Paul Hymans, minister van Buitenlandse Zaken. Die wilde niet van enige vorm van genade voor een "Vlaamse collaborateur" weten en zeker niet op verzoek van de Katholieke Kerk, en adviseerde de eerste minister, Léon Delacroix, ten eerste het verzoek te verwerpen en ten tweede dit zeker niet openbaar te maken. Onder diplomatieke druk trok Paus Benedictus XV zijn verzoek weer in. Ondertussen werd de hulp van kardinaal Mercier – Belgisch patriot en zeer Franstalig ingesteld – ingeroepen om een tekst te schrijven voor de volksvertegenwoordigers waaruit zou blijken dat er nooit een verzoek om genade vanwege het Vaticaan was geweest, en dat het Belgisch episcopaat ieder separatisme en iedere sympathie met de opkomende Vlaamse Beweging van de hand wees.

Op 23 januari 1920 kreeg Borms bezoek van een gezant van de procureur-generaal die meldde dat zijn doodstraf omgezet werd in levenslange dwangarbeid. In de gevangenis groeide Borms uit tot een der iconen van de Vlaamse ontvoogdingsstrijd, en werd door menig Vlaams-nationalist bewonderd.

Tijdens zijn gevangenschap schreef hij in het gevangeniskrantje in wekelijkse afleveringen over zijn reis naar Peru. Hij deed dat onder de schuilnaam G. Kaproen. De eerste aflevering verscheen op 18 juli 1920, de laatste op 4 november 1928. De stukjes werden in 1931 in boekvorm uitgegeven onder de titel "Vier Jaar in het land der Inca's" bij Uitgeverij REGENBOOG, Borgerhout-Antwerpen. Hij schrijft tot slot: "Einde van het eerste deel". Als voetnoot vermeldt hij dan: "De Antwerpsche kiezers hebben er den 9den december voor gezorgd, dat het bij dit "Eerste Deel" is gebleven. Wie weet, geeft België me niet nog de gelegenheid de tweede helft ook in zijn kerkers te voltooien?"

"Bormsverkiezing"[bewerken]

Door het overlijden van het liberale kamerlid Richard Kreglinger moest in het arrondissement Antwerpen een tussentijdse verkiezing voor één zetel gehouden worden. De liberalen schoven de Nederlandsonkundige Paul Baelde naar voor. De katholieken en de socialisten droegen geen kandidaat voor uit solidariteit met de overleden liberaal en riepen op om blanco te stemmen. Er werden ook twee communistische lijsten ingediend, een trotskistische en een stalinistische. Jef Van Extergem, een in juni vrijgelaten activist, stond op de stalinistische lijst als amnestiekandidaat. Op het laatste moment schoof de Frontpartij de in gevangenschap verkerende Borms naar voor. Zij maakten gebruik van een anomalie in de uitvoeringsbepalingen van de kieswet, waardoor iemand die uit zijn politieke rechten ontzet was, toch kandidaat kon worden gesteld. Daarop raadde Van Extergem zijn aanhangers aan om op Borms te stemmen. Algemeen werd verwacht dat Baelde de verkiezingen zou winnen.

De stembusgang op 9 december 1928 leverde verrassende resultaten op. Van de 191.218 kiesgerechtigden stemden er 58.052 blanco of ongeldig, de twee communisten haalden respectievelijk 3.083 (voor Van Extergem) en 2.615 stemmen, Baelde 44.410 en Borms won overtuigend met 83.058 stemmen.[1] De uit zijn politieke rechten ontzette Borms kon natuurlijk niet zetelen in de Kamer. Op 17 januari 1929 werd hij vrijgelaten en zette hij zich meteen in voor de verkiezingen van Kamer en Senaat die op 26 mei 1929 plaatsvonden. De gevolgen bleven niet uit: in 1929 steeg het aantal Kamerzetels van de Vlaams-nationalisten van zes naar elf, op een totaal van 187.

Nieuw "activisme"[bewerken]

In mei 1940 brak de Tweede Wereldoorlog uit. Borms werd met andere ‘dissidenten’ op transport richting Frankrijk gezet. In tegenstelling tot Joris Van Severen, die in de "moordkuil" van Abbeville om het leven gebracht werd, bleef Borms ongedeerd. Na zijn vrijlating trad Borms deze keer niet meer zo expliciet op de voorgrond in de collaboratie met het Duitse Rijk, omdat hij de rivaliteit tussen het Vlaams Nationaal Verbond (VNV) en de DeVlag veroordeelde. Wel bleef hij trouw bezoeker van vele collaboratie-bijeenkomsten, onder meer op de gelijkgeschakelde IJzerbedevaart en op anticommunistische bijeenkomsten van onder meer DeVlag en het Vlaams Legioen.

Vermeldenswaardig en bijzonder relevant in de context van de naoorlogse gevolgen van Borms betrokkenheid bij de collaboratie, zijn de geruchten volgens welke hij een Joodse familie tijdens de oorlog zou hebben bijgestaan, alhoewel het slechts om één niet bewezen getuigenis gaat.[2]

Zijn voornaamste collaboratieoptreden oefende hij uit als voorzitter van de door de bezetter opgerichte 'Commissie tot uitvoering van de herstelverordening van 6 september 1940', die gewoonlijk de 'Bormscommissie' werd genoemd. Deze commissie behandelde de 1692 aanvragen tot schadevergoeding die werden ingediend door veroordeelde activisten uit de Eerste Wereldoorlog. Er werd een bedrag van circa 200 miljoen fr aan schadevergoedingen toegekend en uitbetaald. Borms zelf ontving 1.050.000 fr als schadevergoeding en een jaarlijks pensioen van 281.000 fr.

Nieuwe veroordeling[bewerken]

In de late zomer van 1944 week hij naar Duitsland uit, waar hij door een verkeersongeval invalide werd. Toen hij werd opgenomen in een Berlijns ziekenhuis, werd hij enige weken na de val van Berlijn bij de Belgische overheid aangegeven door een verpleegster. Terug in België werd hij aangehouden en in oktober 1945 berecht. Hij werd opnieuw veroordeeld tot de doodstraf. Dit vonnis werd in januari 1946 in hoger beroep bekrachtigd. Twee dagen voor zijn 68e verjaardag kwam hij voor het executiepeloton in de rijkswachtkazerne te Etterbeek.

Naar aanleiding van de discussie in Vlaanderen rond zijn dood schreef Willem Elsschot in 1947 het Bormsgedicht.[3]

Borms' dood voor het executiepeloton zorgde er mee voor dat bepaalde Vlaams-nationalisten hem vereerden als een martelaar voor de Vlaamse zaak. Jaarlijks vindt er rond zijn sterfdag in Merksem bij Antwerpen, waar hij op het oude kerkhof begraven werd, nog steeds een herdenking plaats.

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties